Een gulden presenteerblaadje

Op een dag was het dan eindelijk zover. Na eeuwen speculeren, zoeken en muggenziften werd het bewijs op een presenteerblaadje aangeboden; er is leven in het heelal.
Natuurlijk wisten we dat al. Mars wemelde van het leven – op microscopische schaal. Titan was eveneens bevolkt door microben. Daarvan hadden we tastbaar bewijs. Maar intelligent leven was ver te zoeken.
Grappenmakers riepen dat het feit dat we geen contact wisten te leggen met buitenaardse beschavingen hét bewijs was dat er intelligent leven in het heelal bestond. Toen we dan eindelijk in contact traden riepen ze vervolgens dat deze levensvorm dus per definitie niet intelligent kon zijn. Hoe het ook uit zou pakken, het presenteerblaadje leek van het zuiverste goud te zijn en de vooruitzichten voor de mensheid leken van het ene op het andere moment geen beperkingen meer te hebben.

Het klonk als een cliché. De vele decennia van radio en televisie-uitzendingen waren niet onopgemerkt gebleven, net zoals de massa’s hopeloos klinkende uitnodigingen die via radiogolven naar honderden sterren waren gezonden. Het resultaat van deze ongewilde manier van lesgeven was, dat deze levensvorm die uit het wijde heelal op onze Aarde neerdaalde, een bijzonder uitgebreide kennis van de Aardse talen bezat. Ze spraken zoveel verschillende talen dat de meest doorgewinterde linguïst er een puntje aan kon zuigen. Het grootste probleem bij het Eerste Contact was dan ook de keuze van de te gebruiken taal. Een probleem dat niet onoverkomelijk bleek.

Ik spreek steevast over levensvorm, en dat is bewust. Ik ben ervan overtuigd dat bij deze korte inleiding menig lezer een beeld heeft gekregen van een humanoïde buitenaardse levensvorm die we allemaal – of nagenoeg allemaal – kennen uit de populaire televisie-uitzendingen van ‘Star Trek’ of ‘V’, of uit de wilde verhalen van ontmoetingen met aliens; mannen in zwarte pakken, grote hoofden en amandelvormige ogen. Het doen me dan ook genoegen die beelden voor eens en altijd de kop in te drukken. De levensvorm die het antwoord op de vraag: ‘is er intelligent leven in het heelal’ gaf, bestaat uit een soort amorfe plasmabel; een transparante bel met daar binnenin een luminescerend blauw plasma dat in de volksmond als snel ‘ectoplasma’ genoemd werd. In feite kunnen we het beste een vergelijk met een dierlijke cel maken, hoewel ik moet toegeven dat die vergelijking op vrijwel alle andere vlakken volledig misplaatst is.
De levensvorm – die vanwege dat blauw plasma al snel Ecto genoemd werd, een naam die zelfs door de levensvorm overgenomen werd – communiceert op een niveau dat ons vreemd is. Het is een wisseling van gedachtestromen die ons brein automatisch interpreteert als gesproken woorden. Ik zeg dit om duidelijk te maken dat deze levensvormen – de Ecto’s – ook daadwerkelijk anders zijn. Maar ondanks die vreemde communicatie kan men gewoon spreken van een onderlinge woordenwisseling die men, laat zeggen aan de bar van het café op hoek kan hebben.

De levenvorm – en ik moét de naam Ecto gebruiken – reizen niet in ruimteschepen. De droom die de mens het meest tot de verbeelding sprak, om door middel van een ruimtevarende samenleving het geheim van interstellair reizen in handen te krijgen, kwam dus niet uit. Door de gevestigde wetenschappelijke wereld blies een wind van teleurstelling, maar de vooruitzichten op overige kansen die dit buitenaards contact bood, zouden dit gemis op meerdere fronten goed maken. ‘Het is bijna niet te bevatten wat we van een vergevorderd ras zoals de Ecto’s kunnen leren,’ riep de ene, overschreeuwd door een ander die de kans zag het geheim van het bestaan op te beantwoorden. Weer anderen hoopten op dé oplossing voor het voorkomen of genezen van oorlogen en geweldpleging, of op een doorbraak voor veilige en vooral goedkope energie uit een onuitputtelijke bron. De wind van teleurstelling die eerder de gemoederen had gewekt, veranderde echter in een storm met orkaankracht toen bleek dat de Ecto’s geen samenleving kende die met de onze vergelijkbaar was, en dat ze dus ook niet konden voorzien in de antwoorden op de zovele problemen die de mens teisterden. De Ecto’s leefden van de zonnewind tussen de leegte van de sterren en met subluminaire snelheden wisten ze de interstellaire afstanden te overbruggen die met de bekrompen geesten van de mens ternauwernood bevat konden worden.

‘Het heeft allemaal te maken met het besef van tijd en de bestaansduur van het individu,’ wist de woordvoerder van de Ecto’s te vertellen. Dat was het simpele antwoord wat alleen nog maar meer vragen opriep. Voor de Ecto’s bleek het besef van tijd anders te zijn dan dat van de mens.
Na veel rekenwerk, en hier en daar een vingerwijzing van een Ecto, bleek dat de gemiddelde levensduur in de orde van grootte van twee tot twintig miljoen jaar lag, gemeten naar menselijke standaarden. De reis naar het stelsel van de Zon had, gerekend naar deze menselijke standaard, vijftigduizend jaar geduurd, wat voor de Ecto’s overeenkwam met een tijdsbesef van een paar maanden. Het presenteerblaadje bleek langzaam maar zeker haar glans te verliezen.

Langzaam maar zeker realiseerde de wereld zich dat de Ecto’s weinig aan de wetenschappelijke en maatschappelijke wereld te bieden had. Na één jaar bleek het verblijf van de buitenaardse levensvorm in het in allerhaast opgetrokken ‘Campus Extraterrestialle’ beslag te leggen op onaanvaardbare grote sommen geld. De kosten voor huisvesting van de grote massa’s wetenschappers, ministers, koningen, geestelijken en alle andere hoogwaardigheidsbekleders, samen met het leger personeel dat deze groepen mensen in het levensonderhoud moesten voorzien, waren werkelijk astronomisch groot. Er was gehoopt dat deze investering zichzelf snel zou terugverdienen met alle baanbrekende informatie die de Ecto’s uit het diepe heelal mee hadden gebracht. Toen dat een vergeefse droom bleek te zijn, werd het nut van de Ecto’s in twijfel getrokken.
Na slechts één jaar waren de Ecto’s gemeengoed geworden en niemand zat nog te wachten op onthullingen die naar alle waarschijnlijkheid nooit zouden komen. Na twee jaar waren alle hooggeplaatste mensen verdwenen en restte er op de ‘Campus Extraterrestialle’ nog slechts de broedkooi van de drie Ecto’s die als ambassadeurs uit het wijde heelal aanwezig waren. Tweeëneenhalf jaar na wat de grootste gebeurtenis uit de geschiedenis van de mensheid had moeten worden, verdwenen de Ecto’s van de ene op de andere dag en vroeg de mensheid zich af of het allemaal werkelijk had plaatsgevonden.
De enige reactie kwam van de grappenmakers die riepen dat ze vanaf het aller begin volkomen gelijk hadden; deze aliens waren absoluut niet intelligent.

***

‘Voorzwever, wat is uw mening over deze koloniale meercellige levensvormen die zich mens noemt?’
Een flikkering van blauwe flitsen schoten langs de neurale banen in het innervocht. ‘Het is een ongeduldig en ingenomen levensvorm. Het zijn slechts kinderen.’
‘Dat is mijn mening ook, Voorzwever. Na veertig waarnemingen van veertig volledig losstaande gevallen denk ik dat we veilig een conclusie kunnen trekken.’
Een pulserende gloed trok vanuit de kern van Voorzwever naar buiten. ‘Mijn hoop was op deze laatste stersatelliet gericht. De bevolking die zich mens noemt zou volgroeid moeten zijn, klaar voor de stap voorwaarts.’
‘Wilt u het geheim van de Verkorte Weg vrijgeven aan deze koloniale meercellige levensvorm? Denkt u dat ze er klaar voor zijn?’
Een subsonische trilling voer door het lichaam van Voorzwever, een duidelijk teken van weerzin. ‘Ze willen zo graag de sterren bereiken, uitzwermen over grote afstanden, dat ze het over niets anders konden hebben. Geduld is er op enkel vlak getoond, wat een verreiste is om de Waarheid te kennen, en daarmee het geheim waar ze zo naar smachten. Deze mens zal met zijn gewelddadige inbreng de rust en orde verstoren indien we ze het geheim van de Verkorte Weg gegeven hadden. Zonder dat geheim zijn ze beperkt tot hun stersatelliet.’
‘Voorzwever, is er een kans dat het geheim van de Verkorte Weg door toeval of studie gevonden wordt?’
Voorzwever zweeg even en liet zijn lichaam pulserend samentrekken en uitrekken. Lichtflikkeringen schoten door zijn lijf. Toen zei hij: ‘Die kans is verwaarloosbaar, maar blijft aanwezig. Nee, Volggezel, ik heb alle mogelijkheden berekend. De levensvorm die zich mens noemt zal het geheim nooit kunnen ontdekken. Daarvoor is ze te ongeduldig. Ik heb een beslissing genomen. Ze zullen gebonden blijven aan hun eigen wereld.’
‘Een wijs besluit,’ antwoordde Volggezel.

Copyright © 18 februari 2005
Alle rechten voorbehouden