Slechts een half mensenleven

Hij werd wakker. Het was nog donker maar de straatlantaarn die recht voor het huis stond scheen spookachtig in de kamer. De lichtstralen hadden een weg tussen de gordijnen gevonden en wierpen een lichte streep die van de muur tot in zijn gezicht scheen. Het was stil. Volgens de wekker was het vier uur in de nacht, een tijdstip dat gevoelsmatig op de grens van de nacht en ochtend lag. De cijfers glinsterden fel rood in de kamer en hij vergat de lantaarn. Hij staarde naar de wekker, betoverd, alsof de cijfers hem over tijd en ruimte voerden naar een plaats die onvoorstelbaar leek, als uit een droom. Hij zat ergens in, een stoel die verankerd was aan de vloer. Er renden mensen om hem heen, buiten de muur die om hem heen was getrokken. Gedempte stemmen klonken in de lucht, onverstaanbaar. Hij was niet bang, hij hoorde hier te zijn. Het was zijn keuze, zijn stoel, zijn...
Het visioen vervaagde, als een vervlogen herinnering uit een andere tijd, een ander leven. Hij bleef liggen, starend naar de wekker en de cijfers verplaatsten zich. Opnieuw zat hij in de stoel, de leuningen wanhopig omklemmend. Was het wel wanhopig? Was het niet van angst, pijn, onzekerheid. Het cijfer vier veranderde, werd een drie. De segmenten van het display versprongen in vertraging, alsof ze door stroop bewogen. Een drie verscheen en meer dan duizend hartslagen later een twee. Hij hoorde de elektronen in het circuit stromen, als een meute op weg naar… iets. Hij keek goed en zag ze afzonderlijk, als individuen, achteruit rennend naar de plaats waar ze vandaan kwamen. Liepen elektronen niet van min naar plus? Het hoorde zo te zijn, het was de wet der natuur. Toen drong het tot hem door dat alleen hij zich in de tegenovergestelde richting bewoog, tegen de stroom elektronen in, worstelend, vechtend, een weg banend naar een onbekende toekomst. Langzaam maar zeker lukte het hem om de opdringende massa te ontwijken, te negeren, en zodoende een wrijvingsloze weg te vinden. Maar waar hij ook keek, zijn doel kon hij niet vinden. Er was nog maar één bocht te nemen, één hindernis, toen hij zijn greep verloor en met de stroom mee gedwongen werd. Gillend probeerde hij overeind te krabbelen, tevergeefs, en een duisternis daalde over hem neer.
In de verte veranderde de twee in de één, onverstoorbaar, onaangedaan.

Iemand schudde hem wakker. Hij keek verschrikt de kamer rond. Elise zat naast hem met het dekbed tot aan haar kin getrokken alsof ze zich wilde beschermen tegen iets of iemand. ‘Gaat het,’ vroeg ze bezorgd. ‘Je had weer een nachtmerrie, niet?’
Hij knikte en besefte dat hij nat van het zweet was. ‘Het was maar een droom. Niets aan de hand.’
‘Je schreeuwde. Je wilde terug, riep je. Daarna wilde je niet gaan. Wat is er toch, Johan. Het lijkt wel alsof het steeds erger wordt.’
Met een moeizame lach wimpelde hij het weg. ‘Het was maar een droom. Maak je niet ongerust.’
Elise schudde haar mooie hoofd. ‘Ik maak me wel zorgen. Het is niet normaal hoe vaak jij nachtmerries hebt. En volgens mij zijn het elke keer dezelfde, niet?’
‘Ik kan het me niet herinneren,’ loog hij.
‘Johan, af en toe krijg ik het idee dat ik je me niet alles verteld. Heb je een ander?’
Geschrokken keek hij zijn vriendin aan. ‘Wat zeg je nu weer?’ riep hij. ‘Natuurlijk heb ik geen ander. Hoe kom je daar nu weer bij.’
‘Gewoon.’
Hier bestond maar één antwoord op. Grijnzend rukte hij het dekbed van Elise weg en trok haar tegen zich aan terwijl hij behendig een hand op een borst liet glijden. Vurig kuste hij haar en voelde zijn mannelijkheid ontwaken. Elise voelde het ook maar duwde zich van hem af. ‘Nu niet, Johan. Het is bijna tijd om op te staan en ik wil niet te laat op mijn sollicitatiegesprek komen. Bovendien moet je vanmiddag eerst langs de drogist voor condooms. Eerder krijg je me niet te pakken.’ Met die woorden sprong ze lachend uit bed en haastte zich naar de badkamer. Hij volgde haar naakte lichaam met gretige ogen en liet zich weer op bed vallen. Ze had gelijk. Het risico dat ze gisterenavond genomen hadden was te groot. Hoewel, de gedachte samen met Elise een kind te krijgen was niet eens zo angstaanjagend. Starend naar het plafond besefte hij dat zijn gevoelens voor Elise door de jaren heen alleen maar sterker waren geworden. Het kon maar met één woord omschreven worden: liefde. Ware liefde.

Het was druk in de trein. Hij wist nog net een plaatsje te bemachtigen naast een oudere man. Tegenover hem zat een jong meisje, een jaar of achttien, met een mobiele telefoon waar ze op dit vroege uur ongegeneerd luidruchtig in zat te praten. Het ging nergens over, tienerpraat, geroddel. Het was onmogelijk om het gesprek niet te volgen en hij kreeg de indruk dat het haar ook helemaal niet interesseerde.
Buiten gleed het Brabantse landschap voorbij maar hij zag het zonder te zien. Hij dacht alleen maar aan Elise. Het feit dat hij van haar hield had hem angst aangejaagd. Het kwam door de twee jaar die hij met haar had doorgebracht, de tijd die het hem had gegeven haar te leren kennen. Vanaf het eerste begin had haar gezelschap zo natuurlijk aangevoeld, zo vertrouwd. En het was wederzijds geweest. Nu vroeg hij zich af of het een vergissing was geweest de grens van vriendschap te passeren, om zich onder te dompelen in liefde. Het was een val waaruit hij maar moeilijk zou kunnen ontsnappen.
Hij zuchtte en dacht aan de nachtmerries die hij de laatste tijd steeds vaker had. In gedachten zag hij de cijfers weer, ver weg, onbereikbaar. Hij bleef zich afvragen wat er fout was gegaan, waarom hij zich nu hier bevond, werkend aan een weg terug. Volgens zijn berekeningen had hij nog hooguit een jaar om te slagen. Daar was hij niet bang meer voor, alles was zo goed als gereed. En dat allemaal dank zij Elise, die hem de gelegenheid en de kans gegeven had een positie binnen de faculteit te krijgen. Zonder Elise was hij nooit zo ver gekomen. Zonder haar zou hij nu niet in de trein zitten, onderdeel uitmakend aan het dagelijkse forensenverkeer. Zij had de kans gecreëerd, een mogelijkheid de fout te corrigeren. De relatie die hij nu had kon het allemaal op spel zetten.
De man naast hem stond op en worstelde zich langs hem heen het gangpad in. Het meisje was nog onverstoord aan het kletsen tegen haar telefoon maar ook zij maakte aanstalten op te staan. De trein reed het station binnen terwijl de stem uit de luidspreker de stopplaatsen opsomde die deze trein nog aan zou doen.
Een lange rij ongeduldige mensen stond al in het gangpad, wachtend tot de deur hen de toegang tot vrijheid zou bieden. Maar waar lag zijn vrijheid? En als hij dat wist, was die vrijheid deelbaar met Elise, of zou hij haar achter moeten laten? Die laatste optie vulde hem met een leeg gevoel maar hij moest niet vergeten dat de kans bestond dat het de enige weg was die open zou liggen. Zijn verstand vertelde hem dat één dezer dagen de knoop doorgehakt zou moeten worden, de knoop die de rest van zijn leven, en dat van Elise, zou bepalen. Het was duidelijk dat de tijd begon te dringen.
Hij liet zich door de meute mee naar buiten voeren, net als in zijn droom, op weg naar het laatste beetje werk dat nog wachtte, het doel dat niet zichtbaar was maar waarvan hij heel goed wist dat het bestond.

De weg vanaf het station was vertrouwd. Dwars over het universiteitterrein naar de laboratoria waar zijn werk als baanbrekend werd beschouwd. Het was allemaal zo elementair voor hem, zo vertrouwd. In het begin had hij getwijfeld over het openbaar maken van zijn zogenaamde onderzoeken maar het had zijn positie binnen de faculteit veilig gesteld. Ze noemde hem bescheiden omdat hij zijn ideeën en bevindingen nooit onder zijn naam liet publiceren. Hij wilde die eer niet, maar om andere redenen dan iedereen dacht. Hij moest hier een onbekende blijven, opgaand in de menigte, meedrijvend met de stroom, een persoon zonder gezicht, zonder identiteit. Niemand mocht hem herinneren of alleen maar vernoemen. Anonimiteit was het belangrijkste voor een succesvol verloop van zijn plannen. En nu maakte Elise van die plannen deel uit.
Voor hem reikten de gebouwen de hoogte in, alsof ze de wolken probeerden te grijpen. Hier werd baanbrekend werk verricht. Hier werden dingen uitgevonden die de mens een betere toekomst moesten geven, en ook zouden geven. Het werk van honderden samengevat tot de vooruitgang die zou leiden tot een veelbelovende toekomst. Daar reikten die gebouwen werkelijk naar; vooruitgang. Dat maakte deze plaats, deze gebouwen zo bijzonder. Hier lag de basis voor alles, de grondvesten voor de toekomst. Zijn toekomst. Hij hoopte maar dat Elise van die toekomst deel wilde uitmaken.
Op de brug bleef hij stil staan en snoof de frisse ochtendlucht met gesloten ogen op. Mensen liepen aan weerszijden langs hem heen, pratend, kletsend. Hij hoorde de muziek, afkomstig van een walkman, het gezang van een merel in de treurwilg langs het water. Het werd allemaal overstemd door de auto’s die langs het station kwamen razen. Vervuilende verbrandingsmotoren waarvan het geluid net zo vervuilend was. Hoe barbaars het allemaal voor hem was, maar tegelijkertijd zo betoverend. Het was slechts een kwestie van tijd voor alles hier veranderde, maar de merel in de wilg zou blijven, het kabbelde geluid van het beekje, dat hier nauwelijk hoorbaar was ondanks dat hij op de brug stond. Elise zou genieten van de stilte die hier zou gaan heersen, dat wist hij zeker. Wist hij ook maar zeker of ze zou besluiten om bij hem te blijven. Om hem te volgen naar een plaats die ze zich niet zou kunnen voorstellen. Ze had familie hier, kennissen, vrienden. Alles zou achtergelaten moeten worden. Zou ze het kunnen, zou ze het ervoor over hebben, voor hem? Was haar liefde net zo groot als die van hem? Hij hoopte het.
Enigszins bemoedigd met het voornemen, en het vertrouwen in de liefde van Elise voor hem, liep hij door. Er lag belangrijk werk op hem te wachten en hoewel hij nog een heel jaar de tijd had, wilde hij geen moment verspillen.

Trots als een pauw stond hij midden in de kooi, genoemd naar de geëerde onderzoeker Faraday. De kooi was op een ingewikkelde, maar exact voorgeschreven manier omwikkeld met koperdraad. Het was schijn, een halve waarheid. In werkelijkheid bezat de kern van de draad een supergeleider. Hij had deze in het geheim gefabriceerd en het had menig avond overwerken gekost, tot groot ongenoegen van Elise. Zonder die supergeleider, die werkte op elke gewenste temperatuur en niet alleen bij extreem lage, was zijn machine een kreupel dier. Die supergeleider transformeerde de kooi tot een gazelle, gracieus en onvermoeibaar. Het zou hem brengen naar de plaats waar hij thuis hoorde. Het was zijn plicht daarheen te gaan, desnoods alleen.
Die gedachte deed hem verstijven. Wilde hij wel leven zonder Elise? Was zijn leven iets waard zonder haar liefde, haar warme lichaam, haar glimlach? De gedachte dat ze nee zou zeggen maakte hem gek. Maar zou ze dat doen? Telde zijn liefde, haar liefde, niet zwaarder mee? Ja, ze zou hem volgen. Dat wist hij zeker.
Hij liep naar de console en ging op de stevig verankerde stoel zitten. Het paneel voor hem sliep, wachtend tot het uit de slaap gewekt werd. Hij greep in zijn jas en haalde de sleutel eruit. Even keek hij ernaar en stak het ding toen in het slot. Met een droge klik lichtte het paneel op, kwamen de schermen flikkerend tot leven. Diagrammen schenen met een koud licht, digitale meters waarvan de virtuele naalden onder de kritische grens dansten. Rondom hem zoemde de koperen omhulsels van de stroomkringen zachtjes, gekieteld door de machtige stroom die zich binnen in haar kern bevond. Hij zag de lucht om zich heen rimpelen terwijl onvoorstelbare krachten eraan trokken. Het was slechts een kwestie van het opbouwen van energie en het loslaten daarvan. Hij keek naar de grote rode cijfers van de tijdklok. Ze glansden met het licht uit zijn nachtmerrie. Een glimlach verscheen op zijn gezicht. Nog even en hij kon de angstaanjagende ervaring van zijn eerste reis achter zich laten.
Snel schakelde hij zijn creatie uit en stak de sleutel weer in zijn jaszak. Het was nog niet zover. De machine moest nog afgesteld worden. Met de meetapparatuur uit deze tijd zou dat niet meevallen. Maar hij wist dat het zou lukken. Het moest lukken.

Tijdens de lunch keek hij met hernieuwde blik naar de mensen om hem heen. De afgelopen jaren had hij weinig contacten gelegd. Hij stond bekend als een stille, teruggetrokken wetenschapper die zijn geheimen angstvallig bewaakte. Het werd geaccepteerd, zolang hij zijn wekelijkse rapport maar inleverde, en zo nu en dan een artikel, al dan niet onder zijn eigen naam. Eenzaam aan een tafeltje zittend at hij zijn brood en dronk zijn melk. Heimelijk, half verborgen achter het faculteitsnieuwsblad, bekeek hij de mensen die hij als collegae mocht beschouwen. Hier en daar bevonden zich kleine groepjes studenten en hij vroeg zich af of één van hen de uiteindelijke doorbraak zou maken. Zouden het zijn huidige experimenten zijn die de ommegang teweeg zou brengen? Of één van zijn artikelen? Was het één van die studenten die op het idee zou komen en uiteindelijk de machine zou bouwen waarvan hij nu in zijn laboratorium de verbeterde versie had staan? Het moest bijna wel. Maar het was voor hem onmogelijk om die jonge mensen veertig jaar ouder voor te stellen.
Hij legde zijn nieuwsblad neer en keek rond, zoekend naar uiterlijke kenmerken die door de tijd niet of nauwelijks zouden veranderen. Het was vreemd dat hij zich nooit eerder had afgevraagd wie van deze studenten de hoogleraar was, die uiteindelijk de leiding over het project zou krijgen dat hem hier had gebracht. Maar de gezichten waren allemaal vreemd, en dat was maar goed ook. Stel je voor dat hij zich verder en steviger in deze tijd en plaats zou vestigen dan hij al deed. Wat als de hoogleraar hem over veertig jaar zou herkennen. Zou hij dan nog uitgekozen worden voor die eerste reis? Was hij in dat geval verplicht hem te kiezen, om zodoende de natuurlijke loop niet te verstoren. Nu begon hij zich af te vragen of het experiment niet tè onvoorzichtig benaderd was. Deze vorm van reizen was nieuw, een onbekend, onontgonnen gebied. Niemand kende de consequenties maar er werd vanuit gegaan dat er niets veranderd kon worden. Wat gebeurd was, was gebeurd. Juist daarom hadden ze besloten dat hij vooruit had moeten gaan, en niet achteruit zoals achteraf toch gebeurd was.
Somber gestemd maakte hij een bal van het aluminiumfolie waarin hij zijn brood had bewaard en propte die in zijn inmiddels lege melkkarton. Met het nieuwsblad onder de arm bracht hij het dienblad terug en slenterde de kantine uit om op de gang bijna tegen Erik te lopen.
‘Sorry, Johan,’ riep de man en legde verontschuldigend de hand op zijn schouder. ‘Nu ik je toch zie, heb je even een moment?’
‘Even maar Erik. Ik moet de kooi verder inregelen.’
‘Inderdaad. Ik zag dat alles bijna gereed is. Heb je enig idee wanneer je de kooi wilt uitproberen?’
Het begon er inderdaad op te lijken dat de tijd begon te dringen nu alle nieuwsgierigen op de faculteit hun ogen op hem begonnen te richten. Het zou nog slechts een kwestie van tijd zijn voordat een slimme medewerker in de gaten kreeg wat de kooi werkelijk was. ‘Misschien volgende week,’ loog hij.
‘Nou, Johan,’ zei Erik enthousiast. ‘Ik weet niet of je het in de gaten hebt, maar de verwachtingen in de verschillende groepen zijn hoog. Er zijn heel wat hoogleraren die staan te popelen om die machine van jou in werking te zien. Er gaan allerlei geruchten te ronde waar het voor kan dienen. Weet je, enkele studenten van de plasmafysica groep hebben zelfs gesuggereerd dat het een tijdmachine is.’
Hij probeerde een grijns op zijn gezicht te toveren. ‘Ze laten zich wel meeslepen met hun fantasieën.’
Erik knikte met een glimlach die zijn gezicht in tweeën leek te splijten. ‘Sinds dat laatste artikel, waarin je de aard van de achtste dimensie beschrijft, weerspiegeld in vijf coördinaten op de vierde, zijn er verschillende hoogleraren die ook in die richting zijn gaan denken. De implicatie van de theorie die je daarin beschreven hebt is – zo heb ik gehoord – dat de tijd niet lineair behoeft te zijn, en zelfs omkeerbaar. Voor mij is het allemaal hocus-pocus, maar je kunt je net als ik voorstellen dat het artikel een knuppel in het hoenderhok kan zijn, zo gauw die machine van jou klaar is.’
‘Ik zou er niet teveel van voorstellen,’ antwoordde hij snel. Al het bloed van zijn lichaam leek zich in zijn gezicht te willen verzamelen en hij begon zich af te vragen of hij met het artikel niet tè veel verraden had. Hij had het geschreven met de gedachte dat het wel eens de basis van het oorspronkelijke project zou kunnen worden, dat hem hier had gebracht. Maar het zou pas over enkele jaren ontdekt moeten worden. Niet nu, niet voordat hij terug zou keren. ‘Ik moet gaan, Erik,’ verontschuldigde hij zich snel en beende de perplex staande man voorbij, op weg naar zijn laboratorium. De machine moest af en alleen omdat hij gelogen had over de datum wist hij dat er nog een klein beetje speling was. De faculteit begon de ogen op zijn werk te richten, hopend de geheimen daarvan te doorgronden. Hij moest verdwijnen voordat alle aandacht gefixeerd werd.

Het moment was daar. Met gesloten ogen stond hij voor de voordeur, met zijn sleutel in de hand, een paar centimeter van het slot verwijderd. Zijn hart ging als een razende tekeer, de adrenaline kookte zijn bloed. Hier en nu moest hij de waarheid vertellen, zijn Elise alles opbiechten. De machine was klaar, hij kon terug. Hoe zou ze reageren? Hij beet op zijn lip en ontgrendelde de voordeur. Plots schoot het hem te binnen dat ze een sollicitatiegesprek had gehad. En hij had niet eens gebeld om te vragen hoe het was geweest.
Elise zat in de keuken. Ze was een tijdschrift aan het lezen en keek op toen hij binnenkwam. De radio stond aan en op de achtergrond klonk het geluid van de oven. ‘Hallo Johan,’ zei ze. Haar stem klonk neutraal. Tè neutraal. ‘Ik had wel een belletje verwacht, of was je niet benieuwd hoe de sollicitatie is gegaan?’
‘Sorry, schat,’ zei hij. Het had geen zin een excuus te verzinnen. Nu niet, nooit meer. ‘Ik heb er helemaal niet meer aan gedacht, tot ik hier aan de deur stond.’
‘Heb je het zo druk gehad?’
‘Ook dat. Maar mijn gedachten zijn er helemaal niet bij geweest.’ Hij liep naar de radio en zette het apparaat uit. Daarna liep hij naar de tafel en ging tegenover Elise zitten. Zijn doen had haar nieuwsgierigheid gewekt en ze keek hem aan met twee grote ogen waarin lichtjes twinkelden. Er was iets met haar. Het leek wel alsof ze straalde, een innerlijke schoonheid die haar verschijning alleen maar aantrekkelijker maakte. Opnieuw werd hij overvallen door warme gevoelens en de angst dat ze hem niet zou volgen. ‘Hoe is het gegaan?’ vroeg hij.
‘Niet goed. Nou ja, het gesprek ging aardig, maar de baan lijkt toch niet zo mooi als zij in eerste instantie deden voorkomen. Wat is er Johan? Het lijkt alsof je ergens mee zit, een dilemma, of een probleem?
‘Hou je van me?’
‘Natuurlijk hou ik van je,’ riep ze en nam zijn handen in de hare. De twinkeling in haar ogen werd intenser.’
‘Ik moet je iets vertellen dat… zo onwaarschijnlijk is, dat je het misschien niet wilt geloven.’
‘Je maakt me bang, Johan.’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Twee jaar geleden heb ik je ontmoet en in die tijd ben ik zielsveel van je gaan houden. Het had niet mogen gebeuren want nu ik wil je nooit meer kwijt. Ik wil de rest van mijn leven met je doorbrengen…’
Elise begon nog meer te stralen. ‘Is dit een huwelijksaanzoek, Johan?’
Hij probeerde een glimlach tevoorschijn te toveren. ‘Elise, ik ben een bezoeker uit de toekomst. Over veertig jaar stap ik in een machine om me te verplaatsen door de tijd. Door een fout ben ik niet naar de toekomst gereisd, zoals de bedoeling was, maar naar het verleden. Veertig jaar, om precies te zijn. De afgelopen twee jaar heb ik gewerkt aan een manier om terug naar mijn eigen tijd te gaan, wat lukte dankzij jouw hulp, en vandaag heb ik de laatste hand gelegd aan mijn tijdmachine.’
Elise trok wit weg. Alle glans was verdwenen, de fonkeling in haar ogen gedoofd. Haar hand had ze teruggetrokken, wat een koud gevoel achter liet. Hij voelde zich helemaal verkild. ‘Elise…’
‘Ik geloof niet wat ik hoor,’ fluisterde ze. ‘Het is onmogelijk, en toch weet ik dat het waar is. Waarom Johan? Waarom doe je me dit aan?’
Hij slikte een brok weg en voelde tranen opwellen. ‘Ik wil dat je met me mee gaat. Naar de toekomst.’
‘Nee.’
‘Het is maar veertig jaar.’
‘Nee.’
Hij sloot zijn ogen en haalde diep adem. Zijn angst haar te verliezen nam realistische vormen aan. ‘Waarom niet?’
‘Waarom wel,’ gilde ze plotseling en sprong overeind. Haar stoel klapte achterover en viel met een doffe klap op het parket. ‘Je hebt me gebruikt en nu probeer je me...’ Haar woorden stokten in de keel en ze rende de kamer door en de trap op. Het geluid van de dichtslaande slaapkamerdeur klonk definitief.
Tranen rolden over zijn wangen en lieten een koud spoor achter. Wat moest hij doen als ze niet mee wilde gaan. Hier blijven was geen optie, maar haar achterlaten deed hem verstijven. Hij droogde zijn gezicht en liep haar achterna.
Ze lag te huilen en reageerde niet toen hij naast haar op bed ging zitten. Hij durfde haar niet aan te raken of te troosten. ‘Elise?’
‘Waarom doe je me dit aan,’ klonk het gesmoord.
‘Ik moet terug, het kan niet anders. Ik kan het risico niet nemen een paradox te veroorzaken. Volgend jaar word ik geboren en wat er gebeurt als er twee Johan’s op deze wereld zijn… Ik durf er niet over na te denken. Ga met me mee. Wat is nu veertig jaar?’
Elise kwam overeind. Haar ogen waren rood. ‘En alles achterlaten wat ik heb opgebouwd? Al mijn familie, vrienden, kennissen? Moet ik dan al afscheid nemen van mijn moeder, wetende dat ik haar nooit meer zal zien? Jij hebt gemakkelijk praten. Jij kent je moeder niet, je bent opgevoed in een pleeggezin. Veertig jaar, Johan, is een half mensenleven. Mijn zus zal tegen die tijd oma zijn en haar dochter ouder dan ik. Hoe kan dat kind een tante hebben die jonger is dan zij zelf? Dat kan toch niet?’
‘Ik wil je niet verliezen Elise.’
Ze nam zijn handen vast. ‘Blijf dan hier,’ fluisterde ze door haar tranen heen. ‘Bij mij.’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Dat kan niet. Het is onmogelijk.’
Elise liet zijn handen vallen en sloot verslagen haar ogen. ‘Dan houdt het hier op, Johan. Je kunt me niet dwingen alles op te geven wat ik hier heb. Als jij niet hier bij mij wil blijven, dan is het uit tussen ons.’
Haar stem klonk zo definitief, zo ijskoud dat hij ter plekke bevroor. ‘Het spijt me,’ fluisterde hij schor, maar ze wendde haar hoofd af.

Het geluid van de voordeur die in het slot viel was het einde van zijn leven met Elise. Hoopvol keek hij nog naar boven, naar het raam van de slaapkamer, half en half een gestalte verwachtend die hem smeekte mee te mogen. Maar het raam bleef leeg en hij werd bevangen door een eenzaamheid die ongekend was. Zo sleepte hij zich naar het station hij en huilde de hele weg naar de universiteit waar de machine, die hem naar huis zou brengen, op hem wachtte.
Daar aangekomen waren zijn tranen op. Het verdriet had plaats gemaakt voor bitterheid en grimmig startte hij de procedure op die hem naar de toekomst zou verplaatsen. Alleen, zonder Elise. De pijn was een zeurend gevoel van verlies geworden. Waarom begreep ze niet dat hij niet kon blijven?
Rondom hem klonk het geluid van de jankende elektronen, opgezweept door krachten die het universum konden beteugelen. Het display telde in vurige rode letters af naar de nul, precies zoals in zijn dromen. Hij dacht alleen nog aan Elise, aan haar aanstekelijke lach, haar vrolijkheid, haar liefde. Maar het beeld veranderde in het door pijn verwrongen gezicht van het afscheid. Op het moment dat de teller op nul sprong explodeerde het heelal, met hem in het centrum daarvan. Hij schreeuwde woordeloos in de leegte, tussen de dimensies door tot in de oneindigheid terwijl er veertig jaren verstreken in een hartslag.

Hij stond op het pad dat naar de universiteit leidde, onder de treurwilg die zijn takken in een eeuwige treurnis liet hangen. De boom weerspiegelde zijn gevoelens waardoor hij hier graag kwam. Het was heerlijk rustig, maar hij mistte het geluid van de voorbij razende auto’s van veertig jaar geleden, de drukte, het chaotische. Hij mistte Elise.
Het had lang geduurd voordat hij de stap had durven nemen. Ze moest nu rond de zeventig zijn, een oude vrouw. Het was hem niet gelukt haar te vinden, alsof ze zich verborgen had, bang gevonden te worden door de man die haar op een zo laffe manier had verlaten. Daarom had hij een kennis van hem ingeschakeld die overal zijn bronnen had, een man die beweerde alles te kunnen vinden. Maar als Elise niet gevonden wilde worden, betwijfelde hij of iemand erin zou slagen. Had ze het hem ooit vergeven?
Hij voelde zich overmand door melancholiek toen hij tegen de stam van de wilg ging zitten. Nu, met zoveel jaar afstand tussen hun in, leek alles onwerkelijk, als uit een droom en hij vroeg zich af of hij er goed aan gedaan had haar te verlaten. Misschien had hij het risico moeten nemen om te blijven, maar daar was nu niets meer aan te doen. Terug kon hij niet meer en het enige wat hij nu kon doen was op zoek gaan naar de enige vrouw met wie hij zijn leven had willen doorbrengen. Hoe was het Elise vergaan? Leefde ze nog? Dacht ze nog ooit aan hem?
De telefoon ging. Snel pakte hij het kleine apparaat uit zijn binnenzak en zag dat het zijn kennis was. Met trillende hand pakte hij op.
‘Hallo Johan,’ klonk het van de andere kant. ‘Met Gerard. Ik heb die Elise van je gevonden.’
Zijn hart sprong op. ‘Echt waar? Ik had de hoop al bijna opgegeven.’
‘Ik weet niet of het nieuws je zal bevallen, vriend. Het viel niet mee haar te vinden omdat ze al veertig jaar dood is.’
Hij schrok. ‘Wat? Veertig jaar? Wat is er met haar gebeurd?’
‘Ze is gestorven bij de geboorte van haar zoon. Er traden complicaties op.’
‘Haar zoon?’
‘Dat zeg ik. En nu wordt het helemaal vreemd. Ik heb gezocht naar die zoon, omdat ik verwachtte dat je wel wilde weten wie dat is.’
‘En?’
‘Ik weet dat je opgegroeid bent in een pleeggezin. Je hebt je echte moeder nooit gekend?’
Hij schudde zijn hoofd, er niet bij stilstaand dat zijn vriend het niet kon zien. ‘Ik ken haar naam zelfs niet. Ze is gestorven bij mijn…’ De woorden stokten in zijn keel nu de waarheid tot hem doordrong.
‘Bij jouw geboorte,’ klonk het bevestigend uit de telefoon. Inderdaad, Johan, die zoon van Elise ben jij. Ze was jouw moeder. Ik heb een foto van haar gevonden. Als je wilt zal ik je die opsturen.’

Copyright © 11 oktober 2004
Alle rechten voorbehouden