Met dit verhaal heb ik in november 2004 de tweede plaats weten te bemachtigen in de jaarlijkse schrijfwedstrijd op http://www.verhalensite.com. Het thema van de wedstrijd was: Een korreltje zand.
“… een dood die tellen mag, is wulps als een hétaïre, doch traag en zeer ervaren als een succubus.”
(Du Perron)

Liefde als een korreltje zand in het oog

Ze keek op hem neer, grijnzend, met haar puntige tanden geel glinsterend in de straatverlichting die door een spleet tussen het gordijn de kamer binnen wist te dringen. Ook zij was zo binnengekomen, onhoorbaar, onmerkbaar. Geen raam kon haar weg versperren, geen muur mocht haar komst hinderen. Ze sloop op haar tenen rond het bed, voorovergebogen, de scherpe, mannelijke geur van de slapende gestalte opsnuivend. Hij was perfect.
Bij het hoofdeind bleef ze staan en haalde een klein stenen doosje uit haar korte tuniek. Ze hield het kleinood beschermend vast, als ware het haar kostbaarste bezit. In het licht van de straatlantaarn opende ze de deksel en pakte met duim en wijsvinger een korreltje zand uit het doosje. Voorzichtig, alsof het teer en breekbaar was, liet ze het in zijn ooghoek rollen. Een tweede korreltje zand was bestemd voor het andere oog. Er klonk een zachte klik toen ze het doosje sloot, alvorens het in de zak van haar tuniek te laten glijden. Haar rode ogen leken met een innerlijk vuur te schijnen terwijl ze zachtjes haar adem over zijn gezicht blies. Hij bewoog zich onrustig maar werd niet wakker. De droom waarin hij rondwaarde veranderde nu, nam een nieuwe vorm aan. Zachtjes trok ze het dekbed opzij en ging naast hem liggen.
Hij was helemaal naakt, precies zoals ze een man het liefste had. Zijn onweerstaanbare geur omringde haar als een envelop, maar liet haar de voorzichtigheid niet uit het oog verliezen. Ze kroop tegen hem aan, haar lange arm over zijn borst, haar been over het zijne. Hij kreunde zachtjes toen ze haar hand over zijn buik naar zijn kruis bewoog. Ze rolde behendig boven op hem en sloot haar ogen. Ze voelde zijn lichaam reageren, hij was gereed. Even soepel als ze in zijn bed was gegleden, liet ze zich nu in zijn droom glijden. Vaag was ze zich bewust van haar lichaam in de stoffelijke wereld toen ze zowel fysiek als geestelijk bezit van hem nam.

Ik werd wakker, uit een aangename droom gerukt door het gezoem van de wekker. Geïrriteerd gaf ik het apparaat een klap, welke terstond zweeg, met de wetenschap dat het ding over tien minuten weer van zich zou laten horen. Tevergeefs probeerde ik de droom die aan mij ontsnapt was te vangen, maar het kwaad was al geschied. Het ochtendlicht, dat door mijn gesloten oogleden heen wist te dringen, loste de laatste flarden al op. Ik dook dieper onder het dekbed, op zoek naar een laatste restje duisternis, in de hoop dat ik daar nog een moment lang van haar kon genieten. Ze was mijn vriendin, mijn geliefde, de vrouw van mijn dromen die ik nog niet in de werkelijke wereld had mogen ontmoeten. Maar ondanks mijn poging vluchtte ze weg voor het ochtendgloren, en de onverbiddelijke terugkeer van een wereld van bewustzijn.
Verlangend naar het onmogelijke bleef ik in foetushouding onder het dekbed liggen, mijn handen in mijn kruis waar een ochtenderectie zijn intrede had gedaan. Pas op het moment dat de wekker mij er wederom aan herinnerde dat het toch echt tijd was om op te staan, dwong ik mijzelf uit bed te stappen. Ik wreef de slaap uit mijn ogen, die deze ochtend pijnlijk aanwezig was. Even keek ik naar het hard geworden traanvocht op mijn vinger, dat ik uit mijn ooghoeken had gewreven, om vervolgens de laatste sporen van slaap onder de douche weg te spoelen.

Het was vreemd. De droom van het meisje had meer achtergelaten dan alleen een fijne herinnering. Ze bleef door mijn gedachten spoken, zozeer zelfs, dat ik niet kon wachten opnieuw het land van mijn dromen te betreden. Vaak gebruikte ik droomherinneringen bij het schrijven van verhalen, wat ik als hobby uitoefen, maar dit was meer dan dat. Het gevoel dat was achtergebleven kon ik alleen maar beschrijven als verliefdheid en aanbidding, hoewel het verstand me vertelde dat dit totale waanzin was.
‘Wat is er met jou aan de hand,’ riep Thijs.
Ik schrok op en produceerde een glimlach die met alle waarschijnlijkheid als schaapachtig beschouwd zou worden. Het duurde even voordat de vraag tot me doorgedrongen was. ‘Niets,’ antwoordde ik, veel te laat.
‘Heb je wel goed geslapen? Je ziet eruit alsof je een nacht hebt overgeslagen.’
Met opgetrokken wenkbrauwen nam ik een slok van mijn inmiddels bijna koud geworden koffie. ‘Ik heb prima geslapen,’ riep ik net iets te luid. ‘Als een roosje.’
Een gelach steeg in de kantoortuin op waar de andere collegae zich aan het luistervinken schuldig maakten. ‘Dat zal wel een roos met doorns zijn geweest,’ riep iemand wat nog meer gelach tot gevolg had. Ik rolde, als in een gebaar van wanhoop, met mijn ogen.
Thijs boog zich naar me toe. ‘Man, je ogen zijn vuurrood,’ zei hij zachtjes op samenzweerdertoon, zodat niemand anders het kon horen. ‘Je hebt toch niets onder de leden, mag ik hopen?’
‘Ik moet wat vuil in mijn ogen hebben gehad,’ mompelde ik hoofdschuddend. Dat was natuurlijk ook de reden waarom mijn ogen zo vol met slaap gezeten hadden. Toch had Thijs wel een punt van aandacht. Het was me nog niet echt opgevallen, maar nu hij het ter sprake bracht, mijn ogen voelden inderdaad pijnlijk vermoeid aan. ‘Ik zal straks wat oogspoelmiddel bij de apotheker halen,’ zei ik en goot de laatste lauwe koffie in mijn mond. ‘En wat slaapmiddel,’ voegde ik er binnensmonds aan toe, verlangend naar een ongestoorde, diepe slaap, hoewel ik haar daar opnieuw hoopte tegen te komen.
Naarmate de dag vorderde leek mijn obsessie voor mijn droomvrouw toe te nemen. Ik kon alleen maar aan haar denken. Ze had geen naam of gezicht, het was een gestalte op de grens van mijn waarnemingsvermogen. Hoe meer ik me inspande haar te zien, hoe vager ze werd. Maar ze was aanwezig, continue, alsof ze vanuit de sluiers van mijn geest op me wachtte, me bespiedde, tot het moment dat ze toe kon slaan. Dat moment kon alleen in mijn droom zijn, besefte ik, waarnaar ik ook steeds meer verlangde. Ondanks dat wist Thijs me op het eind van de werkdag toch nog over te halen een pilsje te gaan drinken.

Het was inmiddels donker toen we van het werk naar de binnenstad liepen. Het gesprek ging over koetjes en kalfjes en mijn droomvrouw raakte langzaam op de achtergrond van mijn gedachten. Het leek wel alsof ik eindelijk begon in te zien dat het de reinste onzin was om me daar zo mee bezig te houden. Ik moest er maar gewoon een verhaal over schrijven, zoals ik altijd deed.
In het café was het gezellig druk, zoals elke vrijdag na werktijd. We bestelden een pilsje en zaten aan de bar te kletsen over de dingen op het werk toen mijn blik naar het raam afdwaalde. En daar, in het licht van de winkeletalages zag ik haar staan. ‘Daar Thijs,’ gilde ik, vergetend dat ik niets over mijn droomervaring verteld had. ‘Dat is ze.’
Thijs, en met hem de andere omstanders die mijn veel te luide uitroep hadden gehoord, keken naar buiten. ‘Waar heb je het nu weer over,’ vroeg Thijs verbijsterd.
‘Daar,’ riep ik, wijzend, en zag tot mijn verbazing dat ze er niet meer stond. ‘Hé, ze is weg. Ik weet toch zeker dat ze…’ Ik maakte mijn woorden niet af toen ik besefte hoe idioot ik me gedroeg. Ik zag Thijs grijnzend een slok van zijn bier nemen. ‘Je weet natuurlijk niet wat er aan de hand is,’ mompelde ik.
Thijs schudde zijn hoofd. ‘Dat weet ik inderdaad niet. Je doet de hele dag al vreemd. Je bent afwezig, in dromenland. En dan begin je hier te roepen dat ze er staat. Beste kerel,’ zei hij hartelijk waarbij hij me vriendelijk op de schouder klopte. ‘Als je het mij vraagt ben je tot over je oren verliefd.’
Ik keek hem aan. ‘Denk je?’
‘Je lijdt aan alle symptomen,’ vervolgde Thijs. ‘Je bent verliefd, daar ben ik zeker van. Ken ik haar?’
Beschamend schudde ik mijn hoofd, vastbesloten er niet op in te gaan. Zwijgend dronk ik het restant van mijn bier op en pakte mijn jas. ‘Ik denk dat ik maar op huis aan ga,’ zei ik onvriendelijker dan de bedoeling was. ‘Ik zie je maandag wel weer.’

Buiten keek ik verslagen de straat door in de hoop haar te zien, al was het maar om voor mezelf te bewijzen dat ik niet gek aan het worden was. Ik wist zeker dat ik haar gezien had, staande voor het raam, kijkend, bespiedend. Tegelijkertijd begon ik me af te vragen of ik langzaamaan fantasie en werkelijkheid door elkaar haalde. In een opwelling besloot ik via het park naar huis te lopen. Als ze werkelijk bestond en achter me aan kwam zou ik het in de eenzaamheid van het park zeker merken. En wie weet…
Met kloppend hart ging ik op weg. Het was deze avond drukker dan normaal. Het liep tegen December en iedereen leek de koopavond te willen benutten voor de aankoop van sinterklaascadeaus. Bij het park, dat aan de rand van de binnenstad lag, liet ik de laatste winkelgangers eindelijk achter me. De stadse geluiden klonken oneindig ver weg toen ik het park betrad, en alsof het zo moest zijn, daar, in de stille eenzaamheid, zag ik haar weer.
Ik bleef staan. Van de zenuwen beet ik op mijn lip, niet goed wetend wat ik moest doen. Ze stond daar maar, een tiental meter van me af, gehuld in schaduwen. Ik voelde de angst over me heen kruipen en kreeg bijna spijt van mijn beslissing via het park te lopen. Maar ik zette door en negeerde de waarschuwende gevoelens die me toeriepen te vluchten. Op het moment dat ik mijn voet in haar richting zette verdween ze als bij toverslag. Ze loste simpelweg op in het niets.
Het duurde ongeveer een seconde voordat het eindelijk tot me doordrong. Toen draaide ik me om en rende in paniek de hele weg naar huis.

Het had lang geduurd, maar eindelijk sliep hij dan toch. Ze sprong op de bedrand en bleef daar even zitten. Ze hield ervan naar hem te kijken, zoals ze ook al eerder die avond had gedaan.
Met een geruisloze sprong belandde ze naast het hoofdeind van het bed. Zittend op haar hurken bekeek ze zijn gezicht. Ze volgde de lijnen met haar vinger, ervoor zorgend hem niet aan te raken. Nog niet. Ze rook zijn adem en sloot haar ogen om van elke molecuul te genieten. Haar staart trilde van opwinding.
Zo bleef ze minuten lang bij hem zitten. Ze prentte zich elke lijn van zijn gezicht in, elke porie, elk baardhaartje. Toen haalde ze haar stenen doosje weer tevoorschijn en nam er twee korreltjes zand uit die ze zorgvuldig in elk oog liet vallen. Ze blies zachtjes over zijn gezicht en wachtte tot de droom bezit van hem had genomen. Toen kroop ze verlangend naast hem tussen de lakens en streelde zijn naakte lijf, langer dan voor haar doen gewoon was. Deze man beviel haar, meer dan welke dan ook. Dat was ook de reden waarom ze terug was gekomen. Ze wilde meer dan alleen dit gemeenschap en besloot dat ze dat ook zou krijgen ook.
Tevreden met haar voornemen kroop ze op hem en liet zich voor de tweede keer tussen de nevelen door in zijn droom glijden.

Mijn geluk kon niet op. Ik deelde haar bed en bedreef de liefde met haar, omringd door massa’s jaloerse mensen, in een etalage, waar we op een bed van ongekende afmetingen lagen. Ik was trots, gelukkig. Tevreden hield ik haar vast tot het gekraai van een haan...
... veranderde in het gerinkel van de telefoon. Ditmaal vervaagde de droom niet helemaal. Ik negeerde het gerinkel en bleef liggen, met één voet in het bed van mijn dromen, de andere in de koude werkelijkheid. Vaag was ik me bewust van het zonlicht en haar gezicht, tot voor kort nog duidelijk, vervaagde al, zoals de vorige dag ook was gebeurd. Ze ontglipte wederom aan mijn gedachten waardoor ik ten slotte met een aanval van haastige paniek uit bed sprong. Gekleed in een ochtendjas rende ik naar de studeerkamer en nam plaats achter de computer. Ik wreef door mijn ogen en voelde opnieuw de slaap in mijn ooghoeken, wat me enigszins verbaasde aangezien ik daar normaal weinig of geen last van had. Het was alsof ik voor de tweede keer op een rij bezocht was door het zandmannetje.
Ik grinnikte om de ingeving en met de herinnering aan haar nog vers in het geheugen startte ik de tekstverwerker om mijn droomervaring op het digitale papier te zetten. Het viel niet mee, maar ik wist een aardige beschrijving van mijn droomvrouw te maken die me ‘s nachts, nadat Klaas Vaak wat zand in mijn ogen had gestrooid, bezocht.
Ik spendeerde de hele verdere dag aan het verhaal. Pas rond halfacht in de avond sloot ik het verhaal af. Met Klaas Vaak in gedachte schreef ik de titel op die de hele dag door mijn hoofd gespookt had: ‘Een korreltje zand.’
Mijn inmiddels knorrende maag – ik had de hele dag niets gegeten – wist ik tot bedaren te brengen met wat brood en een gebakken ei, terwijl ik van afstand naar de printer keek waar mijn verhaal nu uit rolde. Ik was tevreden en had het gevoel dat ik met de voltooiing van dit verhaal wat geestelijke rust had kunnen vinden. Maar toen ik ’s avonds weer in bed ging liggen werd ik opnieuw overvallen met het verlangen naar de vrouw van mijn dromen.

De slaapkamer waarin ik op haar lag te wachten was fel verlicht. Ongeduldig keek ik naar de klok aan de wand waarvan de wijzers niet meer aan verstrijken van de tijd deel namen. Geleidelijk werd de kamer donkerder en in de ontstane schemer zag ik haar naast me staan. Op de achtergrond brandde een groot vuur, als een spiegel die het verlangen naar haar uitbeeldde. Ze glimlachte vriendelijk en liet de kleding van haar adembenemende lichaam glijden. ‘Ik heb op je gewacht,’ zei ik en stak mijn armen uitnodigend uit.
‘Vanaf nu wordt alles anders,’ antwoordde ze. ‘Ik heb besloten geen zand meer in jouw ogen te strooien. Vanaf vandaag zal ik niet meer van jouw zijde wijken. Het is tijd dat je mijn werkelijke vorm leert kennen.’
Ze boog voorover en kuste me vluchtig. Het vuur wakkerde aan en in een vloeiende metamorfose veranderde ze van de droomvrouw die ik had leren kennen in een groteske gestalte. Ik probeerde te gillen van afschuw terwijl ik angstig terugdeinsde maar er kwam geen geluid uit mijn mond. Met alle macht probeerde ik wakker te worden, om te ontsnappen uit deze schemerwereld, deze nachtmerrie, maar de gang waar ik door rende bood geen enkele uitweg.
‘Doe geen moeite, mijn lief,’ zei de demon en ze grijnsde haar puntige tanden bloot. ‘Jouw droom wordt de mijne en de mijne wordt de jouwe. Voor altijd.’

Copyright © 12 november 2004
Alle rechten voorbehouden