De sterren voorbij de Zijkant

"Echte liefde is in zijn jeugd de hemel bestormen en in de wolken huizen, en eenmaal de jeugd voorbij, met de aarde genoegen nemen."
Julien Roufie

 

Als kind hoorde ik een sprookje over wolken. Het was een verhaal over een tijd toen de hemel nog gevuld was met wolken. Ze bestonden uit waterdamp in kwantiteiten die mijn voorstellingsvermogen te boven ging. Nu nog steeds, ondanks dat ik nu een stuk ouder ben.
De hemel was in dat sprookje blauw en wijd uitgestrekt; een gebied waarin de wind vrij spel had en de wolken waterdamp tot vreemde en bizarre vormen kneedde. Er kwam in dat verhaal ook een hemellichaam voor dat zo fel was, dat er niet rechtstreeks in gekeken kon worden. Het zette de wolken soms in vuur en vlam, wat de meest uiteenlopende warme kleuren teweeg bracht.
Maar soms condenseerde de waterdamp zodat de wolken een donker en dreigend geheel werden, en viel het water ten slotte ter aarde als een koude douche.
De enige wolken die ik ken is de waterdamp boven een kom kokend water.
Zo nu en dan word ik overvallen door een bui van melancholie waarop ik me dan naar de Hemelscheerder begeef en naar de eeuwige leegte boven me staar. Dan vraag ik me af hoe het lang geleden moet zijn geweest. Ik denk dan aan die wolken waterdamp en probeer de vormen voor te stellen waarin ze gekneed waren. Langzaam maar zeker nemen in mijn gedachten die wolken de vorm aan van haar gezicht, en overvalt me de leegte en eenzaamheid in volle kracht. Ik mis haar.
Ik zal haar altijd missen.

"Je kunt maar op één manier de grenzen van het mogelijke ontdekken: door je er een stukje overheen te wagen in het onmogelijke."
Arthur C. Clarke 

Act I - Bewustwording

1

Ik leerde Iris kennen toen ik in het vierde jaar van de Vooropleiding voor Algemene Technici, het VAT, geplaatst werd. Ze was een onopvallend meisje achter in de klas, dat altijd gevangen leek te zijn in haar eigen gedachten. Ze was nooit bij de les, zo leek het, maar als de leraar haar een vraag stelde, of een probleem voorlegde, gaf ze zonder enig spoor van onzekerheid het juiste antwoord.
Iris was het buitenbeentje van de klas. Niemand wist waar ze vandaan kwam of waar ze woonde. Ze hoorde nergens bij, en tijdens de pauzes was ze in geen velden of wegen te bekennen, wat een stroom van geruchten en aannames teweeg bracht welke niet allemaal even eervol waren. Als ze al van die geruchten op de hoogte was, wat mij hoogst waarschijnlijk leek aangezien er niet echt een geheim van gemaakt werd, deerde het haar niet of ze wist haar gevoelens goed te verbergen.
Tijdens de klaswisselingen werd ze wel eens omver gestoten waarop een verwaaid excuus volgde dat vol minachting klonk. Gegiechel en geproest was dan het resultaat, maar altijd voorzichtig en binnensmonds alsof iedereen bang was betrapt te worden.
Op een dag kon ik het niet langer aanzien en hielp ik haar de gevallen boeken en papieren op te rapen. De voorzichtige, enigszins achterdochtige glimlach die ik kreeg won mijn hart en vanaf dat moment merkte ik dat ik steeds vaker naar haar aanwezigheid verlangde.
Mijn vrienden bekeken mijn interesse in Iris met afkeuring aan. Twee weken na het incident met de boeken waarbij ik geholpen had klampte Rakt me aan. ‘Uther, weet je wel wat er over die Iris beweerd wordt? Ze is lid van een Clan en is hier om ons te bespioneren. Pas op, man. Voor je het weet wordt je afgevoerd naar de Zijkant wegens onbetamelijkheden.’
‘Overdrijf je niet een beetje?’ antwoordde ik. De verhalen waren me bekend: geruchten over een gewelddadige overname van Hemelstad door het Syndicaat kon altijd rekenen op een gretig publiek. ‘Het is een onschuldig meisje dat alleen maar door iedereen gepest wordt.’
‘Niks onschuldig,’ siste Rakt. ‘Hoe denk je dat het komt dat ze altijd alles schijnt te weten? Waarom sluit ze zich af van alles en iedereen.’
‘Niet van mij.’
‘Van iedereen! En dan het feit dat niemand weet waar ze vandaan komt, of waar ze woont. Wie weet brengt ze in de pauzes verslag uit aan haar meerderen over wie afgevoerd moet worden, of over wie bij de overval gespaard gaat worden.’
Ik grinnikte. ‘Nou, dan denk ik dat ik tot die laatste groep gerekend wordt. Weet je, Rakt, ik geloof niet in die verhalen. Het is onzin.’
‘Je bent altijd al een betweter geweest.’
‘Nee, Rakt. Het Syndicaat heeft de macht al millennia in handen. Ze hoeven alleen de aandrijving maar uit te schakelen en ik garandeer je dat we allemaal maar wat graag bereid zijn aan hun eisen te voldoen.’
‘Je klinkt als mijn vader.’
‘Dan heeft hij meer verstand dan jij hebt. Weet je waar ik in geloof?’
‘Nee.’
‘Dat Iris gewoon een onschuldig meisje is dat verlangt naar iets meer aandacht. Ik wil haar dat graag geven.’
‘Je bent verliefd.’
‘Dat ben ik niet,’ bromde ik. ‘Ik vind haar gewoon aardig.’
‘Ja ja. Mij maak je meer wijs. Zo begint het altijd. En toch wil ik benadrukken dat er iets met dat wicht niet in de haak is. Misschien dat het Syndicaat inderdaad de macht niet wil grijpen, maar er zit meer waarheid achter die geruchten, zo brom ik je.’

De woorden gingen bijna allemaal langs me heen. Samen liepen we naar het dichtstbijzijnde roltrottoir waar we met enkele behendige sprongen naar de snelle binnenste baan bewogen. Ik voerde de manoeuvres uit zonder erbij na te denken. De hemeltorens gleden langs ons heen terwijl Rakt vertelde van zijn laatste opdrachten. De jongen ratelde aan een stuk door zoals alleen Rakt dat kon. Zo nu en dan liet ik een geluid van verwondering horen, wat voor hem voldoende was om door te blijven gaan. Onderwijl dacht ik aan de bewering dat ik verliefd op Iris was. Ik groef diep en ontdekte dat mijn gevoelens inderdaad een vogelvlucht namen als ik aan haar dacht. Het was als op wolken lopen, zoals het verhaal ging. Onbewust keek ik naar boven waar de sterren spaarzaam over het spant verdeeld waren. Maar wolken zag ik niet – natuurlijk.
Eén kilometer verder stapten we op de wissel over en gleden de centrumring op. Links rees de Bibliotheek op; het bolwerk van kennis. Rolbruggen verbonden het gebouw met de acht universatorens waar de scholen gevestigd waren. Vanaf de Hemelscheerder kon men bijna loodrecht op het hele centrumcomplex kijken en kwam de ware pracht van het complex tot recht. De zestien lanen die vanuit de universatorens, waarvan het VAT er één van was, naar de Zijkant uitwaaierden, verdeelden de Hemelstad in de zestien districten. Het was een zestienkantige ster die terug te vinden was op alle officiële documenten. De map die ik bij had droeg deze zestienkantige ster ook, met in het midden een blauwe cirkel met het districtsnummer erop; een witte zes in mijn geval.
Mijn gedachten namen een sprong naar het moment dat ik Iris geholpen had. Hoe ik ook mijn best deed, ik kon me geen districtsnummer op haar mappen herinneren.
Ik schudde mijn hoofd en zette de gedachte van me af. Toen we het VAT binnengleden bleef die gedachte buiten achter.

2

Zoals altijd zag ik Iris achter in de klas zitten. Ze keek niet op of om en liet de drukte die heerste volledig aan haar voorbij gaan. Ik glimlachte voorzichtig maar ging zoals gewoonlijk trouw naast Rakt zitten. Aan mijn andere kant zat Faustino, een bullebak die altijd het hoogste woord had en zijn best deed grappig te zijn, wat hij vaker niet dan wel was. Toch lachte iedereen om zijn grapjes waardoor hij zichzelf alleen maar interessanter begon te voelen. Het was een in zichzelf standhoudend geheel waaruit geen ontsnapping mogelijk was. Alleen Iris lachte niet om zijn grappen. Maar ja, die lachte nooit ergens om. ‘Het is een koude kikker,’ zei Faustino dan. ‘Ze denkt dat ze een ijskoningin is, koud als de leegte van het Daarbuiten. Volgens mij is ze meer een ijslolly dan een ijskoningin, met de smaak van een zure bom.’ Iedereen lachte om die opmerking, Faustino nog het luidst van allemaal.
Ik keek naar haar en zag haar onbewogen in haar boek kijken, alsof de hele episode aan haar voorbij was gegaan. Ik kon het niet nalaten medelijden met haar te voelen.
‘Wat is er, Uther,’ riep Faustino. Hij stootte zijn elleboog in mijn zij, harder dan nodig was. ‘Heb je medelijden met je vriendinnetje? Of heb je haar alleen als vriendin om je drankje koud te houden?’
Een nieuw salvo gelach steeg op. Ik wreef over mijn pijnlijke plek en zag tot mijn voldoening hoe Iris opkeek en me een begrijpende blik toewierp.
Drie uur later bleef ik zitten toen de klas de roep van de pauzebel beantwoordde en naar de ontspanningsruimte snelde.

Het leek alsof Iris me in eerste instantie niet eens opmerkte. Ze bleef daar zitten, kijkend in het boek waar ze gedurende de les langzaam door gebladerd had. Ik had haar in de gaten gehouden, zo goed en kwaad als het ging. De woorden van Rakt spookten door mijn hoofd en ik probeerde me voor te stellen hoe dit schone schepsel het werktuig van het machtige Syndicaat kon zijn. Het was een beeld dat ik me niet kon voorstellen waarop ik het maar verwierp. ‘Wie ben je,’ zei ik ten slotte waarmee ik een stilte doorbrak die even teer als porselein was.
Iris keek op en er verscheen een glimlach op haar lippen. ‘Mijn naam is Iris,’ zei ze met zachte stem. Ik ben wie ik ben. Wie ik ben doet er niet toe.’
Zwierig kwam ik overeind en liep naar het tafeltje tegenover haar waar ik achterstevoren op een stoel ging zitten met mijn armen op de rugleuning. ‘Iris,’ zei ik alsof ik de naam wilde proeven. Mijn hart ging tekeer maar ik negeerde de verlegenheid die het met zich mee bracht. Snel keek ik op de map die op haar bureau lag en zag geen districtnummer vermeld.
Iris zag waar mijn blik naar dwaalde en legde er snel haar boek bovenop. ‘Wat wil je van me?,’ vroeg ze achterdochtig.
‘Niets,’ antwoordde ik. ‘Ik bedoel, vriendschap.’
‘Hielp je me daarom met mijn boeken? Vind je me aardig?’
Ik grinnikte zenuwachtig en slikte krampachtig. ‘Je intrigeert me. Zo geheimzinnig.’
‘Het is het onbekende dat aantrekkelijk lijkt. Als het onbekende bekend is, is de aantrekkelijkheid verdwenen. Dan ben ik als iedereen.’
‘Dat betwijfel ik. Je komt niet uit een van de districten, wel?’
‘Is dat belangrijk?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Niet echt. Er gaan wel geruchten.’
‘Ik ken de geruchten. Ze zijn niet van belang.’
‘Misschien,’ antwoordde ik. ‘Ze geven wel een negatief beeld.’
Iris glimlachte. ‘Ik merk dat de verhalen me met een zweem van gevaar omhullen. Zodoende word ik beschermd tegen erger kwaad dan het omver lopen in de gang.’
‘Heb je de verhalen zelf in de wereld geroepen?’
Iris schudde haar hoofd en keek door het raam naar de Bibliotheek en de hoge universatorens die daarachter zichtbaar waren. ‘Waarom probeer je zo aardig tegen me te zijn. Ben je niet bang dat je vrienden je beschimpen, zoals vanmorgen?’
‘Je bedoelt Faustino? Die weet niet beter. Ik trek me er niets van aan. Jij wel?’
‘Niet echt, nee.’
Ik zuchtte. ‘Zit je elke pauze hier in het lokaal?’
‘Ik lees.’
‘Waarin?’
‘Geschiedkunde.’
Mijn interesse werd direct gewekt. ‘Gaat het over de Duistere Jaren? Voor de Hemelvlucht?’
Iris keek me met ondoorgrondelijke ogen aan. ‘Er is veel kennis verloren,’ zei ze. ‘Kennis die niet uit de geschiedkundige boeken gehaald kan worden. Kennis die niet verloren had mogen gaan. Ik lees deze boeken omdat ze de waarheid bevatten. Maar de waarheid is niet compleet.’
‘Wat er mist is de kennis die de Hemelvlucht noodzakelijk heeft gemaakt, die ons naar hier heeft gevoerd. We vluchten voor die kennis omdat het totale vernietiging met zich meebrengt.’
‘Misschien.’
Ik kneep mijn ogen tot spleetjes. ‘Hoezo misschien?’
‘Er zijn millennia voorbij. Wie weet nog wat de waarheid is? Ik niet. Jij?’
Hoofdschuddend leunde ik achterover. ‘Ben je werkelijk een lid van de Clans?’
Iris glimlachte. ‘Is dat belangrijk? Maakt me dat iemand anders?’
‘Ik weet het niet,’ zei ik grinnikend. ‘Ik ben vandaag door een vriend gewaarschuwd om je met rust te laten. Anders zou ik naar de Zijkant weggevoerd kunnen worden.’
‘Wat belachelijk,’ riep Iris met een verrassende felheid die meteen weer werd ingedamd, alsof ze geschrokken was van haar eigen uitbarsting. Ze keek me schattend aan. ‘En wat vind jij? Moet ik nu met rust gelaten worden? Vind je me gevaarlijk?’
‘Nee hoor. Althans, niet gevaarlijk genoeg. Misschien dat we samen een paar uurtjes naar de Hemelscheerder kunnen gaan. Samen kijken naar onze toekomst, filosoferen over het verleden.’
‘Alleen maar filosoferen? Hm, ik moet daar even goed over nadenken.’
Op dat moment arriveerden de overigen klasgenoten, druk pratend en discussiërend over van alles en nog wat. De stilte die in het lokaal had gehangen sloeg op de vlucht en met een laatste glimlach naar Iris ging ik op mijn plaats zitten. Vreemd genoeg kreeg ik geen commentaar of grapjes te verduren. Zowel Faustino als Rakt meden mijn blik. Ook de rest van de klas gaf me het gevoel opzij gezet te zijn, alsof mijn afwezigheid tijdens de pauze een keerpunt was.
Op het eind van de dag zocht ik tevergeefs naar enig teken van Iris. Het was alsof ze in lucht was opgelost, vervlogen als de wolken uit mijn dromen. Ik toog alleen op weg naar huis.

3

De opvolgende dagen bleek Iris spoorloos. Ze verscheen ook niet tijdens de lessen. Bedrukt dacht ik aan het gesprek tussen ons. Misschien dat ze afgeschrikt was door het voorstel naar de Hemelscheerder te gaan. Ze wist natuurlijk net zo goed als ik dat het dé plaats voor jonge geliefden was en hoewel ik helemaal niet aan bijbedoelingen had gedacht – mijn voorstel behield niets anders dan de woorden die ik gesproken had – was het meer dan waarschijnlijk dat ze het verkeerd had begrepen.
De afstandelijkheid die ik in de klas ervaren had was gelukkig van voorbijgaande aard gebleken. Faustino grapte zijn domme grappen en Rakt sprak zoals gewoonlijk onvermoeibaar over zijn theorieën en ideeën. Hij opperde zelfs de oprichting van een selecte groep die zich klaar moest maken voor de op stapel zijnde staatsgreep. ‘De Zestien Afgevaardigden zijn een stel ouwe knarren die een regering overeind proberen te houden met de wandelstokken die ze nodig hebben om zelf te lopen,’ zei hij, meegesleept door zijn eigen enthousiasme. ‘Zeg nou zelf, we sukkelen voort als een dinosaurus in galop. Langzaam maar onstuitbaar. Maar de dinosaurussen zijn uitgestorven omdat ze niet levensvatbaar waren in de nieuwe wereld. Ook deze dinosaurus is niet voor het leven vatbaar. Zijn tijd is gekomen. Wij, jonge mensen moeten het roer overnemen.’
‘Wat wil je daarmee zeggen?’ bromde Hector, een magere jongen met blauwe ogen en zwart kroeshaar. ‘Dat wij die staatsgreep moeten plegen in plaats van het Syndicaat? Dat is verraad.’
‘Nee,’ riep Rakt verschrikt. ‘Geen staatsgreep. We moeten ons zelf kandidaat stellen, een groot referendum opstellen en voldoende fondsen vergaren om een vreedzame machtswisseling mogelijk te maken. Onze plannen moeten stevig zijn, er mag geen speld tussen te krijgen zijn.’
‘En wat zijn die plannen van jou dan?’ vroeg Hector.
Maar daar had Rakt nog niet over nagedacht. Hij wimpelde de vraag weg. ‘Dat is nu nog niet belangrijk. Wat wel belangrijk is dat we een stevige fundering hebben. Zonder fundering kunnen we niets opbouwen.’
‘En het Syndicaat dan?’ vroeg ik glimlachend. ‘Vooropgesteld dat je de Zestien Afgevaardigden zover kunt krijgen dat ze aftreden, moet je zeker zorgen voor steun van ten minste een meerderheid van de Clans. Zonder die steun blijf je nergens.’
‘Jammer dat die Iris weg is,’ zei Rakt somber. ‘Die had me wel in contact kunnen brengen met enkele vooraanstaande leden van het Syndicaat.’
Hector grinnikte sarcastisch. ‘Vooropgesteld dat ze een Clanlid is. En daar heb ik zo mijn twijfels over.’
Rakt keek op. ‘Uther, jij hebt vorige week met haar gesproken. Heeft ze soms iets losgelaten? Weet jij meer?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik weet niets, Rakt. Maar ik zou wel willen weten waar ze nu uithangt.’
‘Ze is vast verslag aan het uitbrengen over jouw oneerbare voorstellen. Nou, wanneer jij van het toneel verdwijnt, weet ik wel wat er gaande is.’
Hoewel mijn verstand beter wist, wakkerden de woorden van Rakt enige onrust in me op. Ik betrapte me erop de roltrottoirs af te kijken naar mensen die er verdacht uitzagen. Alsof het zo moest zijn leek iederéén vanaf dat moment verdacht. Maar zo ontdekte ik anderhalve week later Iris op een roltrottoir.

Er wonen ruim achttien miljoen mensen in Hemelstad. Dit is het absolute maximum en dit getal is al ruim een millennium stabiel door een kritische vorm van geboortebepalingen. ‘Het nut van geboortebeperking heeft zich de afgelopen eeuwen bewezen,’ onderwees Leermeester Yipton, de economisch socioloog van het VAT. ‘Uit het recente verleden is gebleken dat de ongeremde groei van een populatie leidt tot zowel sociale, economische, ethische, als criminologische problemen. Een bevolking die ongeremd groeit, groeit exponentioneel. De gevolgen zijn niet mis te verstaan; lage levensverwachting, werkeloosheid, armoede, hongersnood en door een verzwakking van het afweergestel een grote verscheidenheid aan ziekten, zowel oude als nieuwe vormen. De levensstandaard wordt vanzelfsprekend laag wat onhygiëne tot gevolg heeft, dat weer een invloed op het economische deel heeft. Onvrede en afgunst steken de kop op, wat tot oorlog en vernietiging kan leiden. Er wordt aangenomen dat deze oorzaken geleid hebben tot de ramp die de vernietiging over het Daarbuiten bracht, en de noodzaak van de Hemelvlucht.’
‘Is men dan niet zeker over de oorzaak van de ramp,’ vroeg iemand in de klas.
Leermeester Yipton schudde zijn hoofd. ‘Er zijn inmiddels veel boeken geschreven over een mogelijke oorzaak. Het enige dat vast staat is, dat het gebeurd is. Als we naar boven kijken zien we het bewijs.’
‘We kunnen alleen zien waarnaar we naar op weg zijn,’ riep Faustino luid. ‘Maar als ik kijk zie ik alleen maar een wazige vlek en een handvol sterren.’
‘Juist,’ riep Yipton met wijzende vinger. ‘Dat is het sterreneiland Andromeda, waar onze verlossing moet liggen; de Hemelpoort. Nu vraag je jezelf natuurlijk af waarom er zo weinig sterren zijn? Dat komt omdat we de Orion-Arm van de Melkweg inmiddels verlaten hebben. Als je op de Zijkant zou staan, en als je in de gelegenheid was om naar beneden te kijken, zou je alleen maar het lege niets zien. Dat is het resultaat van de vernietigingsgolf die ons achtervolgt, die alle materie desintegreert tot niets.’
‘Ik heb het nog nooit gezien,’ bromde Faustino waarmee hij ons aller twijfel verwoordde. Leermeester Yipton snoof en draaide naar het raam. ‘We hebben millennia lang gezocht naar wegen om de vernietiging te stoppen. We hebben al het mogelijke uitgeprobeerd en overal in gefaald. Nu rest ons de reis naar Andromeda en ons voornemen – althans, dat van deze huidige samenleving – is het afleggen van de reis in een zo groot mogelijke geriefelijkheid. Om terug te komen op ons onderwerp van populatiedichtheid, achttien miljoen is een optimum dat ons verzekert van deze geriefelijkheid, dat door een ingenieuze manier van geboortebeperking in stand gehouden wordt en moet worden.’
Iedereen onderschreef uiteraard de noodzaak voor het houden van een stabiele en gezonde populatie. De Agrarische Velden konden in de vraag ruimschoots voorzien en hadden een veilige marge. Honger was een onbekend gegeven en armoede kende men niet. Maar of de noodzaak tot vluchten waarheidsgetrouw was, daar bestond twijfel over.
Als men op een willekeurige dag door Hemelstad voer over de roltrottoirs of de glijbanen, kon men genieten van een gestage stroom mensen die onafgebroken van her naar der bewogen. Achttien miljoen mensen schoten onder elkaar, boven elkaar of door elkaar heen. Er werd gezegd dat de kans om iemand per toeval te treffen kleiner was dan de kans dat Hemelstad morgen met een zon in botsing kwam. Daarom betwijfelde ik of het toeval was dat ik Iris tegen het lijf liep, hoezeer ze ook verbaasd op de ontmoeting reageerde. Het feit dat ze in de gelegenheid was een verfrissing in één van de eetgelegenheden te nemen sterkte die overtuiging.

‘Waar heb je toch al die tijd uitgehangen?’ vroeg ik nadat de waard twee glazen bier voor ons had neergezet.
Iris nipte van haar drankje en glimlachte. Het leek wel alsof het ijs gesmolten was en ik hier voor het eerst een glimp van de ware Iris zag. ‘Heb je me gemist?’
‘Een beetje,’ loog ik.
‘Een beetje veel, zo te zien.’ Ze boog voorover en wreef me broederlijk over mijn hoofd. ‘Geeft niets. Ik moet zeggen dat ik ook wel naar een nieuwe ontmoeting heb uitgekeken. Na die middag in het VAT heb je mijn achting weten te krijgen. Je bent anders dan al die anderen van een lage…’ Ze zweeg en trok een grimas. ‘Dan al die anderen,’ vervolgde ze zachtjes.
‘Jij komt niet uit de stad, wel?’
Iris zuchtte. ‘Kunnen we het ergens anders over hebben?’
Enigszins teleurgesteld knikte ik ‘Natuurlijk, waar ben je al die tijd geweest? Je kunt niet lessen missen zonder consequenties. Op die manier is het onmogelijk om ooit een volleerde techneut worden.’
‘Wie zegt dat ik een techneut wil worden?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Je zat nu eenmaal in het VAT. Oké, je bent nu weer weg, maar toch. Of ben je van plan weer terug te komen?’
‘Dat betwijfel ik.’
‘Waar ga je dan heen?’
Iris zuchtte. ‘Ik wil er niet over praten. Niet nu, niet hier.’
‘Op een of andere manier kom ik toch elke keer weer op dat onderwerp terecht,’ antwoordde ik eerlijk. ‘Ik blijf me afvragen waar je vandaan komt, hoe het daar is en wat je daar ziet. Vertel me, is het waar dat we alleen maar duisternis onder ons laten? Kun je dat zien als je over de rand kijkt?’
‘Vraag me dat een andere keer. Ik moet gaan.’ Ze sprong op en voor ik iets kon zeggen was ze op een roltrottoir gesprongen en in de menigte verdwenen. De kans dat ik haar een tweede keer zou ontmoeten was vrijwel nihil.

4

Een paar weken later kreeg de hele klas in het kader van een nieuw project een excursie naar een van de oogstfabrieken buiten stadsdistrict 6. We stonden allemaal te wachten op het vervoer bij het glijbaanstation toen ik Iris opmerkte. Ik was niet de enige. Een aantal vrouwelijke klasgenoten hadden haar ook gezien en konden het niet laten om opvallend terloops kleinerende opmerkingen te maken, nét luid genoeg voor Iris om het te kunnen horen. Ik zag dat ze het probeerde te negeren. Ze ving mijn blik en glimlachte, maar maakte geen aanstalten om naar me toe te komen.
Ik keek bedenkelijk naar Rakt die over de glijbaan wees en naar de groepkubus die aan kwam glijden. ‘Zou dat niet een grap zijn, als we er niet allemaal in zouden passen,’ riep hij grijnzend. ‘Ik vraag me af of Leermeester Yipton rekening heeft gehouden met één extra persoon.’
‘Er is meer dan voldoende plaats in de glijbaan,’ antwoordde ik.
‘Dat weet ik wel,’ beet Rakt me toe. ‘Maar dat mens komt af en aan wanneer het haar blieft. Weken lang laat ze haar snoet niet zien. Dan gaan we een dagje weg en meteen verschijnt ze, alsof het de normaalste zaak van de stad is.’
‘Niemand verplicht jou om de opleiding te volgen. Dat is hetzelfde.’
‘Vertel mij maar eens wat voor consequenties dat heeft.’
‘Werken op de Agrarische Velden. Er is niets mis mee.’
Rakt snoof. ‘Waarom ga jij dat dan niet doen. Je weet wat het niet opgeleide volk moet doen; de hele dag in de modder wroeten.’
Ik schudde glimlachend mijn hoofd. ‘Ik heb andere ambities. Daarom zit ik op het VAT, net als jij.’
Rakt bromde en kroop achter me de groepskubus in die sissend tot stilstand was gekomen. Er werd gewrongen en geduwd, gevloekt en getierd, over wie naast wie mocht zitten. Ten slotte daalde de rust gedeeltelijk neer en bleek ik tussen Rakt en Iris te zitten. Leek het maar zo, of zat ze opvallend dicht tegen me aan? Het leek wel alsof ik haar huid door twee lagen stof heen kon voelen. Ze benam plotseling mijn hele universum, zo bewust was ik van haar aanwezigheid, haar onbedoelde aanrakingen, en al het andere ging langs me heen. Ik bleef zo stil mogelijk zitten omdat ik bang was dat elke beweging dit delicate moment zou breken. Maar op het moment dat de kubus langzaam in beweging kwam sprong iedereen op waardoor de kubus een fractie van een seconde ontregeld raakte, wat een vrij algemeen voorkomende baldadigheid bij het reizen per groep was en waar de uitbaters van het glijbaannetwerk de rillingen over de rug kregen. Ik deed er natuurlijk niet aan mee maar kon niet voorkomen dat ik daardoor in botsing met Rakt kwam, waardoor het moment verbroken werd. Iris schoof met een verontschuldiging wat opzij.
Zwijgend luisterde ik naar de gesprekken in de kubus die over uitgaan gingen. Rakt had het hoogste woord en sprak lovend over een danssalon die de ‘Flamingo’ heette. Ik vroeg me af wat hij eraan vond om hele avonden op die manier door te brengen en nam me voor het een keer te vragen. Schichtig keek ik naar Iris die naar buiten staarde en probeerde me voor te stellen of zij ook in het uitgaansleven actief was. Ik raapte mijn moed bijeen om een gesprek te beginnen en het eventueel te vragen als de gelegenheid zich voor deed. ‘Ik dacht werkelijk dat je voorgoed van het VAT weg was,’ zei ik.
‘Een excursie naar de Agrarische Velden is altijd interessant,’ antwoordde ze. ‘Vanuit de stad is de Zijkant niet goed te zien, wat een groot gemis is. Alleen vanuit de velden kan men pas de grootsheid van Hemelstad ervaren, wanneer de hemeltorens zich achter je naar grote hoogtes reiken en voor je de gloed van de motoren de Zijkant omkranst.’
‘Ik ben nog nooit op de velden geweest, maar vanaf de Hemelscheerder heb je ook een goed uitzicht, helemaal rondom. Daar vandaan kun je de Zijkant ook zien.’
‘Dat is anders. Je zult het wel zien.’
‘Wist je,’ zei ik bijna terloops, ‘dat ik vorig jaar gezien heb hoe één van de motoren uitviel? Ik zag een lichtflits en toen verdween de gloed achter de Zijkant. Drie motoren werden toen uitgeschakeld, maar ik geloof dat die eerste écht defect was.’
Er ging een rilling door Iris heen. Ze produceerde een krampachtige glimlach en keek door het raam naar de voorbij glijdende stad. We bevonden ons in de tweede cirkel waar de hoogste hemeltorens stonden. Het was een wirwar van glijbanen en roltrottoirs, op acht verschillende niveaus. De grote lichten die vanaf de hemeltorens de stad verlichtten waren hier niet afdoende. De schaduwen waren diep en lang, maar werden door hulplichten enigszins verdrongen of vervormd waardoor er vreemde patronen van licht en duisternis over de gevels vielen. Ver beneden ons, waar op niveau nul het uitgaansleven gevestigd was, ontsprongen kleurrijke lichten die de verschillende bars en danssalons aantrekkelijker moesten maken. De tweede cirkel was het levende hart van de stad.
Aan de andere kant van de kubus stond Rakt bij het raam, met het grootste deel van de klas rondom hem, en wees naar de ene, dan weer naar de andere plek terwijl hij als een volleerde gids wist te vertellen waar wat te halen was.
Ik negeerde hem en keek zwijgend langs Iris naar buiten, ieder van ons opgaand in de eigen gedachten. De tweede cirkel gleed onder ons door en maakte plaats voor de cirkel met woningcomplexen, die dicht opeengepakt stonden. Hier was iedereen gehuisvest, achttien miljoen mensen.
De glijbaan daalde tot op niveau drie en de snelheid nam af tot de maximaal toegestane. Ramen gleden voorbij, elk getooid met een persoonlijk accentje. Een bloemetje, een gordijntje of gematteerde ramen met patronen en figuren. Hier en daar stonden ramen open en kon men een glimp van het persoonlijke domein van de eigenaar opvangen. ‘Ik ken iemand die al zijn meubels verbouwd heeft,’ riep Faustino. ‘Weet je dat hij daarvoor werkstraf gekregen heeft? Het is belachelijk dat je niet eens met je spullen mag doen wat je wilt.’
‘Je hebt het mis,’ antwoordde Leermeester Yipton, die hierin duidelijk een lesonderwerp zag. ‘Ik heb verteld over de maximale populatiedichtheid van Hemelstad. Aan dit aantal valt niet te tornen. We leven in een kunstmatig milieu waar grondstoffen niet onbeperkt voorradig zijn. Met andere woorden, we moeten doen met wat we hebben. Meer zullen we ook niet krijgen en wat belangrijker is, als we onvoorzichtig zijn verliezen we veel. Elk bewerkingsproces heeft materiaalverlies, hoe gering ook. Wanneer functionele objecten onnodig veranderd worden, gaat dat gepaard met verlies. Dit moet tot een minimum beperkt worden. Ook dit verlies is gerelateerd aan het aantal inwoners van Hemelstad.’
‘Dus wanneer we allemaal dingen onnodig kapot gaan maken, of veranderen, betekent dat er minder mensen kunnen leven?’
‘Heel goed, Balwin. Het is belangrijk dat we dat allemaal beseffen. Dat is in het verleden van Hemelstad wel eens anders geweest.’
‘Als dat ooit anders is geweest,’ zei ik, ‘is er toen niet heel veel verloren gegaan?’
Yipton knikte. ‘Inderdaad. Misschien begrijp je het als ik zeg dat het oorspronkelijke aantal inwoners van Hemelstad twee maal zo groot is geweest.’
‘Dat is niets meer dan een gerucht,’ mompelde Iris plotseling. Iedereen keek haar verbaasd aan en sommigen maakten opmerkingen. Maar Iris had haar aandacht alweer afgewend.
‘Een gerucht?’ Leermeester Yipton grinnikte. ‘Misschien. Maar met het huidige verlies van grondstoffen is het mogelijk om met een constant inwonersaantal van achttien miljoen Andromeda – ons uiteindelijke doel – te bereiken. Tenzij iemand moedwillig spullen gaat veranderen en aanpassen.’

De glijbaan verliet de laatste bebouwde cirkel en daalde tot op niveau nul. Terwijl de snelheid weer toenam keek iedereen naar het wijdse uitzicht dat zich voor ons openbaarde. Dit was de voedselschuur van Hemelstad, verlicht door kunstmatige zonnen. Overal waar je keek zag je mensen in de velden werken. Rakt stootte me aan en knikte veelbetekenend naar de mensen die opkeken toen we voorbij kwamen. Ik negeerde hem.
Hier en daar zagen we veestapels, als eilanden in een zee van groen. Op andere plaatsen bewogen de grote oogstmachines aan omgekeerde glijbanen. Daar ver achter, aan de horizon, doemden de duistere wanden van de Zijkant op en zagen we de gloed van de motoren, die Hemelstad met angstaanjagende snelheid voortbewogen erbovenuit komen. Vanuit mijn ooghoek keek ik naar Iris. Ze staarde met nietszeggende ogen naar de horizon en even meende ik tranen in haar ogen te zien.
Tien minuten laten stopte de glijbaan naast een van de oogstfabrieken.

5

We waren met dertien leerlingen en één Leermeester. De man die uit de oogstfabriek kwam gelopen keek afkeurend naar de groep. ‘Dit zijn téveel mensen,’ riep hij. ‘De groep moet in tweeën gesplitst worden. Ik kan niet meer dan zes personen tegelijkertijd begeleiden.’
Ik zorgde er wel voor dat ik bij Iris ingedeeld werd, wat een afkeurende blik van Rakt opleverde die in de andere groep terecht kwam. Ook Faustino kwam in de groep van Rakt terecht, wat mij wel zo goed uitkwam. Tijdens de rit naar de Agrarische Velden was me opgevallen hoe hij haar onopvallend in de gaten had gehouden. Het had me een onbehaaglijk gevoel opgeleverd om redenen die ik niet direct kon plaatsen. Ik voelde me door hem bedreigd, wat natuurlijk onzin was. Het luchtte me dan ook op hem in het gebouw te zien verdwijnen.
Halsreikend keek ik rond tot ik Iris zag en wandelde met mijn handen in de zakken naar haar toe. Ze zat op een bankje naar de verre Zijkant te staren. Zonder iets te zeggen nam ik naast haar plaats en bestudeerde het uitzicht. Ik besloot dat ze wel iets zou zeggen als ze er behoefte aan had.
De Agrarische Velden lagen in een wijde cirkel rond de stad. Ik kende de afmetingen uit de lesboeken; een band van drie kilometer breedte, met een totale oppervlakte van meer dan honderdveertig vierkante kilometer. Die getallen zeiden op zich niet veel, maar als je dan op een bankje zat, midden in dat gebied, kreeg je pas het besef hoe immens het werkelijk was. Links en rechts strekten de velden zich uit, tot het punt waar de Zijkant en de Stad elkaar ontmoette. De lampen, die op elke tweehonderd meter hingen, zetten alles in een helder en fris licht waardoor de stad in mijn gedachten duister en somber aandeed. Achter me doemden de hemeltorens op, rij na rij, steeds hoger tot aan de Hemelscheerder waar het hoogste punt van de stad lag. Een paar keer had ik boven op dat gebouw gestaan, vijftig meter onder de koepel. Het uitzicht was adembenemend geweest, maar op één of andere manier viel het in het niet bij de uitgestrektheid die ik hier ervaarde. ‘Het is ongelofelijk dat de mens dit heeft kunnen bouwen,’ zei ik meer tegen mezelf dan tegen Iris. Ze draaide zich om maar zei niets. Met een gebaar dat alles omvatte vervolgde ik: ‘De techniek moet vroeger wel op een héél hoog peil gestaan hebben om een compleet zelfonderhoudende stad te creëren.’
‘Ze noemden dit vroeger de Ark.’
‘Hoe weet je dat?’
Iris haalde haar schouders op. ‘Ik weet nog veel meer, dingen die in de stad al lang vergeten zijn. Heb je ooit gehoord van relativiteit?’
‘Nee.’
‘De waarheid is een leugen,’ zei ze zachtjes, alsof ze plotseling door twijfel verscheurd werd. ‘De leugen is een dwangmiddel. Het dwangmiddel is de sleutel tot de werkelijke macht. De macht bestaat uit de waarheid: voorbij de Zijkant stralen de sterren.’
‘Ik begrijp het niet,’ zei ik. ‘Wat bedoel je daarmee.’
‘Ik heb niet veel tijd. Toen ik van de excursie hoorde besloot ik mee te gaan omdat jij er bij zou zijn.’ Iris draaide zich om zodat ze me recht aan kon kijken. ‘In de stad heb ik je niet kunnen opzoeken zonder dat ze het te weten kwamen. Deze ontmoeting is terloops, onbedoeld.’
Een koud gevoel bekroop me. Ik dacht aan de samenzweringstheorieën van Rakt en vroeg me af of hij het dan toch bij het rechte eind had? Ik keek naar de oogstfabriek. Ver daarachter doemde de Zijkant op als een donkere schaduw, het domein van de Clans. Iris volgde mijn blik. ‘Ze komen me halen,’ zei ze. ‘Ik zal vandaag niet met de glijbaan terug naar de stad gaan.’
‘Wie komt je halen?’ fluisterde ik. ‘Je kunt je verstoppen. Ik neem je wel mee naar…’ Ik zweeg toen ik besefte hoe dwaas mijn woorden waren. Met afgezakte schouders ging ik tegen de rugleuning aanzitten. ‘Het is het Syndicaat, niet?’ vroeg ik.
Iris knikte. ‘Ze waren er op tegen, maar ik stond erop. Er was niets meer voor mij. De Clans zijn als raven, gretig en niets ontziend, maar ook wat naïef. Nu beseffen ze het gevaar pas.’ Ze glimlachte. ‘Het was mooi zolang het duurde. Ik mag je graag, Uther. Het is jammer dat ik niet in de gelegenheid kan komen je beter te leren kennen.’
Ik voelde me helemaal warm worden. Haar woorden verdreven de kilte die bezit van me genomen had. Maar de gedachte dat ik haar waarschijnlijk niet meer zou zien liet een diepe steek achter. ‘Zie ik je nog ooit een keer?’
Iris schudde haar hoofd. ‘Dat lijkt me onwaarschijnlijk. Maar vergeet nooit dat voorbij de Zijkant de sterren stralen.’

Op dat moment daalde een luchtschip op vier meter afstand neer. We hadden het ding niet horen of zien aankomen. Iris stond op en wreef met haar hand over mijn wang. ‘Vaarwel, Uther. Ik wilde dat we elkaar onder andere omstandigheden hadden leren kennen.’ Ze draaide zich om en liep naar de machine waar een deur open was gegaan. Er stond een lange man met de handen over elkaar. Zijn blik was streng, zijn houding straalde gezag uit. Iris liep met een trots opgeheven hoofd langs hem heen, keurde hem niet één blik waardig.
Ik was opgestaan en keek met gemengde gevoelens naar de man. Hij keek me met toegeknepen ogen aan, draaide zich toen om en de deur sloot met een definitief geluid. Langzaam steeg de vliegmachine op en zette koers naar de Zijkant. Ik keek machteloos toe hoe de machine kleiner en kleiner werd tot het uit het zicht verdween.
Opeens was ik me bewust van starende ogen. De andere leden van de groep keken me met open mond aan, alsof ze nog niet helemaal beseften wat er was voorgevallen. Toen kregen ze in de gaten dat Iris vertrokken was en er ontstond een uitbarsting van stemmen. Ik draaide me om en staarde met een leeg gevoel naar de plaats waar het luchtschip verdwenen was. Mijn gezicht tintelde nog op de plaats waar ze me had aangeraakt en ik vroeg me af of ik haar nog ooit zou wederzien.

"Wanneer de vrouwen van ons houden, vergeven zij ons alles, zelfs onze misdrijven maar wanneer zij niet van ons houden vergeven zij ons niets, zelfs niet onze deugden."
Honoré de Balzac

Act II – Waarheid en leugen

1

De jaren gleden voorbij. Ik raakte mijn vrienden uit het oog en hoorde later dat Faustino werk in een van de uitgaanscentra had gekregen. Het was een nederige baan die in schril contrast met zijn houding tijdens de schooljaren stond. Van Rakt hoorde ik dat hij zich in dubieuze kringen bewoog waar complotten en samenzweringen de praat van de dag waren. Ik heb nooit begrepen wat hij eigenlijk voor werk is gaan doen.
De anderen van de klas waarin ik zat verdwenen spoorloos tussen de miljoenen mensen van Hemelstad. Ik had ook niet de minste interesse in het doen en laten van al die vroegere klasgenoten.
En Iris? Zij raakte in de vergetelheid, een herinnering aan een meisje dat langzaam mooier en knapper werd, en daarna vervaagde tot een schim in een verleden dat met de jaren verder en verder op de achtergrond verdween. Regelmatig ging ik naar de Hemelscheerder en staarde vanaf het hoogste punt van Hemelstad naar de Agrarische Velden. Dan keek ik naar boven, naar de plaats waar ergens ons doel moest liggen. De wolken van mijn fantasieën, waarin haar beeltenis te zien was geweest, losten op in het niets en naarmate de tijd vorderde ging ik minder en minder naar de Hemelscheerder. De woorden die Iris in haar laatste momenten met mij gedeeld had, bleven echter langer hangen: ‘Voorbij de Zijkant stralen de sterren.’

Langzaam en bijna onopgemerkt verschoof mijn interesse van de wetenschap naar het sociale leven. Tijdens één van mijn Halfuurtjes ontmoette ik een aantrekkelijke jonge dame. Ze wist mijn aandacht te trekken en op een of andere manier was dat wederzijds. We spraken af om een keer samen een lunch te delen. Twee maanden later deelde ik haar woonvertrekken in district 9.
Ze heette Annibel. Blauwe ogen, een fijn gebouwd gezicht en lange blonde haren die ze meestal in vier kunstig verweven vlechten droeg. Tijdens de werkdagen werkte ze als kantoorklerk in één van de universatorens, een baan waar ze geen genoegen in wist te scheppen. Daarom stond ze erop dat we minimaal twee avonden per week tot laat in de nacht in het uitgaansleven van de tweede cirkel doken. Het liefst nog vaker. Gedurende het eerste half jaar groeide onze relatie naar een hoogtepunt en waren we vier nachten per week in een danssalon te vinden die de naam ‘Flamingo’ droeg. Mijn werk als assistent van Leermeester Rudolza begon er onder te lijden. Er waren dagen dat ik zelfs niet op kwam dagen, tot Leermeester Rudolza in eigen persoon me een reprimande gaf: ‘Meester Uther, ik heb veel door de vingers gezien omdat je ondanks de laksheid goed werk aflevert. Maar de afgelopen weken ben je tot vier keer toe niet op tijd gekomen waardoor ik mijn lessen gedeeltelijk heb moeten uitstellen. Dit is onacceptabel.’
Mijn hoofd stond er niet naar omdat het die nacht weer laat was geworden en ik probeerde een uitvlucht te vinden. Maar Leermeester Rudolza liet me niet eens uitspreken. ‘De jongedame Annibel is misschien een bijzonder persoon maar ik ben bang dat ze je geen toekomstperspectief biedt. Ik kan je niet vertellen wat je moet doen, maar ik ben bang als dit zo langer door blijft gaan, ik je met spijt in mijn hart moet laten gaan. Ik kan je een keuze bieden. Of je maakt hier een carrière, of je belandt op de Agrarische Velden.’
Ik werd kwaad en vertelde hem dat ik mijn eigen leven leidde. ‘Jij kunt mij niet vertellen wat ik moet doen,’ riep ik. ‘Het is mijn leven, niet het jouwe.’
‘Dat is waar,’ antwoordde Leermeester Rudolza nuchter. ‘Ik laat alleen de twee wegen zien die nu voor je liggen. Je staat op een tweesprong, meester Uther. Een tussenweg is er niet.’
‘En jij verwacht dat ik nu, hier, een keuze maak?’
Rudolza schudde zijn hoofd. ‘Ik wil dat je erover nadenkt. Ga nu naar huis en denk er een paar dagen over,’ zei hij. ‘Deze beslissing bepaalt de rest van jouw leven.’
Verslagen droop ik af. Moedeloos stapte ik op het roltrottoir en dwaalde doelloos door de stad. Zo belandde ik onbedoeld weer in district 6 waar ik mijn jeugd had doorgebracht en waar Annibel me weg had gehaald. Bij de Hemelscheerder stapte ik van het roltrottoir en keek langs de gevel naar boven, waar anderhalve kilometer hoger het terras was dat ik in geen jaar meer had gezien. In een opwelling betrad ik het gebouw en nam de snellift naar de honderdvijftigste verdieping waar een brede trap, naast de ceremoniële vergaderzaal van de Zestien Afgevaardigden, naar de plaats leidde die me inmiddels vreemd voor kwam. Ik dacht aan het verleden, aan de tijd dat ik mijn opleiding genoot, aan de gedachten die ik hier had gevangen… Aan de wolken in de beeltenis van Iris.
Iris. Ik was haar vergeten en het zat me plotseling dwars dat ik me niet meer kon herinneren hoe ze eruit zag. Het was dat moment dat ik besefte iets verloren te hebben.
Ik keek naar boven en zag de sterren stralen. Mijn blik werd naar de Zijkant getrokken, die achter de gebouwen van de stad en de Agrarische Velden te zien was, omkroond door het vage schijnsel van de motoren. En daar voorbij, over de rand… Schenen daar ook sterren?
De rest van de dag dwaalde ik door de stad. Ik doorkruiste elk district en belandde op ten slotte aan de grens van de stad waar de Agrarische Velden begonnen. Verscheurd door twijfels keek ik rond, zag het punt waar de Zijkant Hemelstad raakte en dacht terug aan de laatste keer dat ik dit beeld gezien had. Het was de dag geweest dat Iris door haar mensen opgehaald was. Het was allemaal zo lang geleden…

Die avond kwam ik later thuis dan normaal. Annibel bekeek mijn binnenkomst met een vreemde blik in haar ogen. ‘Waar was je Uther? Ik heb naar het werk gebeld maar je was er niet. Die ouwe knar van een Rudolza vertelde me dat hij je naar huis gestuurd had.’
‘Dat klopt,’ antwoordde ik zonder veel enthousiasme. Ik voelde er weinig voor om de hele geschiedenis te vertellen maar ik wist dat ik er niet onderuit kon. Bovendien wist ik niet wat Leermeester Rudolza verteld had. ‘Ik moet kiezen tussen een carrière in de universatorens, of werk op de Agrarische Velden.’
‘Wat een brutaal nest,’ riep Annibel verontwaardigd. ‘Waar slaat dat op? Doe je het werk daar soms niet goed?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik ben te veel afwezig, bovendien vaak te laat.’
‘Je laat je leven toch niet door zo een omhoog gevallen persoon beïnvloeden, mag ik hopen? Wat is nu belangrijker? Een leven dat je leidt, of een leven dat lijdt.’
Ik keek in de blauwe ogen van Annibel. ‘Misschien is er een tussenweg? We kunnen minder vaak uitgaan. Misschien alleen met de rustdagen?’
‘Ha, dan moet ik mijn leven over de kop gooien omdat die Rudolza daar een probleem mee heeft? Dat nooit. Misschien dat je dan toch maar als arbeider op de Agrarische Velden moet gaan werken. Het mag dan misschien wel zwaar en vies werk zijn, maar mijn sociale leven leidt er ten minste niet onder.’
Ik knikte. ‘Jouw sociaal leven,’ herhaalde ik haar woorden met afkeur, maar onhoorbaar om niet in een oeverloze discussie te geraken. Voorzichtig zei ik: ‘Misschien kun jij door de week zonder mij uitgaan, en dat ik dan in de weekenden met je mee ga?’
Annibel keek me fronsend aan. ‘En wat moet ik dan tegen mijn vrienden zeggen?’
‘Ik dacht dat het onze vrienden waren?’
Annibel haalde haar schouders op. ‘Dat doet er niet toe. Onze vrienden dan. Wat moeten die wel niet van jou denken, of van mij?’
‘Ik neem aan dat ze ons wel in onze waarde laten. Het is toch mijn keuze?’
‘Dat is waar,’ snoof Annibel. ‘Goed. We zien wel.’
En daar bleef het bij. Elke keer als ik het nog een keer ter sprake wilde brengen, werd ik weerhouden door een vreemde tegenzin, alsof ik aanvoelde dat ze er niet voor open stond. Diezelfde avond bleef ik thuis terwijl Annibel zich klaar maakte voor het wilde nachtleven in de tweede cirkel. Ik geloof zelfs dat ze me niet mee wilde hebben. Rond middernacht kroop ik in bed en merkte niet meer dat ze thuis kwam.

De wekdienst stond nog op zeven uur ingesteld, hoewel Leermeester Rudolza me verteld had een paar dagen thuis te blijven. Ik bleef liggen, met de handen onder mijn hoofd, starend naar het plafond. Naast me klonk de regelmatige ademhaling van Annibel. Ze lag zoals gewoonlijk van me af gewend en ik kon haar naakte rug zien waar het dekbed van haar af gegleden was. Haar blonde haren, die nog gevlochten waren, lagen als een kluwen touw op het kussen. Ik wist dat Annibel pas over twee uur op hoefde staan voor haar werk. Ze zou dan snel onder de douche springen, haar kleren aanschieten en een bord ochtendvla eten. Dan zou ze vertrokken zijn en bleef ik alleen thuis achter. Die gedachte trok me helemaal niet en in een opwelling stond ik op en maakte me klaar voor werk. Leermeester Rudolza had me een paar dagen de tijd gegeven. Ik had er aan één genoeg om mijn keuze te maken.

Vanaf die dag raakten we in een snel tempo van elkaar vervreemd. Dat duurde één week. We hadden geen seksuele gemeenschap meer en haar houding werd afstandelijk en in vlagen zelfs vijandig. Ik begon te vermoeden dat er iemand anders in het spel was gekomen, zeker nadat ze haar best had gedaan, en erin geslaagd was, om me tijdens de rustdagen ook thuis te houden terwijl ze tot diep in de nacht weg bleef. Na die week kwam de vraag die ik onbewust al verwacht had; of ik haar woonappartement wilde verlaten.

Ik vertrok met een vreemd soort opgelatenheid, alsof er een last van mijn schouders was gevallen. Annibel was voorgoed verleden tijd.
Nu ik weer alleen was en niet afgeleidt door het vrouwelijke schoon – en natuurlijk de bijkomende lichamelijke bekoringen – pikte ik zo goed en kwaad de draad weer op waar ik dacht deze gelaten te hebben. Ik was nu vierentwintig jaar oud en besloot dat ik niet tot aan mijn dood de assistent van een Leermeester wilde blijven. Ik zou de stap ondernemen en de opleiding volgen tot het doctoraat in het Leermeesterschap astronomie en sterrenkunde.
Hoewel er vreemd opgekeken werd bij mijn aanmelding, kon er geen enkele geldige reden gevonden worden om het te weigeren. Mijn motivatie was recht toe en eenvoudig; vergaren van wellicht essentiële kennis over de Hemelvlucht en het uiteindelijke reisdoel dat voor ons lag.
Twee weken later kreeg ik goedkeuring.

2

Mijn werk was het eerste jaar puur theoretisch. Ik las alles dat ik kon vinden, snuffelde in afgesloten delen van de Bibliotheek, waar ik met enige moeite en overredingskracht van de bibliothecaris toegang tot kreeg, maakte aantekeningen en voerde berekeningen en simulaties uit. Zo werd ik ten slotte geconfronteerd met het verschijnsel dopplereffect en roodverschuiving, iets waar zelfs mijn Leermeester nog nooit van had gehoord. Ik zag een unieke kans liggen en greep die met beide handen. Pas nadat ik de resultaten van de eerste metingen ging analyseren merkte ik dat er iets niet klopte.
Vanaf jongs af aan was me geleerd dat Hemelstad met een constante snelheid van 0,999 cee in de richting van Andromeda vloog. Dit lag dicht bij de absolute lichtsnelheid constante; de snelheid die nodig was om het schokfront van de vernietigingsgolf voor te blijven. Maar het strookte niet met mijn metingen en ik ontdekte dat Hemelstad nooit harder kon gaan dan een half cee.
Ik deelde deze kennis met Leermeester Valentia, maar die trok mijn bevindingen in twijfel. ‘Mijn beste meester Uther. Er zijn een aantal feiten die vast staan. Eén daarvan is de snelheid die Hemelstad heeft. De vernietigingsgolf die ons achtervolgt heeft een snelheid die slechts een paar procent lager ligt. Als we met de helft van de huidige snelheid zouden reizen, was jij er nu niet geweest om deze rekenfouten te maken.’ Leermeester Valentia sloeg me bemoedigend op de schouder. ‘Ik vermoed dat je het helemaal mis hebt met die faseverschuiving van het licht. De snelheid van het licht is een constante die niet onderhevig is aan enige verandering.’
‘Frequentieverschuiving,’ verbeterde ik hem. ‘Geen faseverschuiving.’
Valentia glimlachte. ‘De lichtsnelheid is een constante. Punt. Je moet je niet té veel bezig houden met die antieke kennis. Uit welk jaar stamt die theorie? Achttien tweeënveertig? Meester Uther, dat is uit een tijd die nog ver voor de Hemelvlucht ligt. Dat kun je toch niet serieus nemen?’
Ik stond erop dat hij mijn bevindingen bekeek maar Valentia schudde zijn hoofd. ‘Het is niet voor niets dat die antieke boekwerken zo ver weg verborgen zijn, en eigenlijk niet toegankelijk moeten zijn voor mensen zoals jij. Ze zouden in mijn ogen vernietigd moeten worden. Vergeet het, meester Uther. Kies iets dat meer waarheidsgetrouw is.’
Eén ding leerde ik van dat gesprek; ik hoefde in wetenschappelijke kringen niet op enige steun te rekenen. Alsof het toeval het toeliet, ontmoette ik een week later Rakt tijdens het Halfuurtje en knoopte een gesprek met hem aan.

Ik had Rakt al meer dan drie jaar niet gezien en zag enigszins tot mijn verbazing dat de mollige jongen een magere man geworden was, met pezige armen en benen en een modieus ringbaardje rond zijn mond. Zijn ogen stonden echter nog even wild als vroeger en hij had de neiging te vervallen in een samenzwerend gefluister waarbij hij de hele omgeving tegelijkertijd in het oog probeerde te houden. Naarmate het gesprek vorderde begreep ik ook waarom. ‘Jazeker,’ zei hij. ‘Het is nu eenmaal zo dat de Clans iets geheim houden. Ik ben er niet zeker van wat het is, maar het gaat ons allemaal aan.’
‘Bedoel je die staatsgreep waarover je vroeger sprak?’
Rakt grinnikte en boog zich naar me toe. ‘Ik was jong en zag overal het romantische van in. Ik dacht dat het wel interessant zou zijn als dat gebeurde en zag mezelf als degene die het aanvallende Syndicaat tot staan zou brengen. Ik als held, staande op de puinhopen van de strijd, gespierd en onoverwinnelijk. Geen vrouw die me zou kunnen weerstaan.’
‘En nu?’ vroeg ik glimlachend.
Rakt leunde achterover met een zelfingenomen glimlach. ‘Nu is alles anders,’ antwoordde hij en ik kreeg het kippenvel toen ik zijn volgende woorden hoorde. ‘Ik ben gaan inzien dat de waarheid niet de waarheid is die we kennen. Uit een bijzonder betrouwbare bron heb ik vernomen dat de Clans onderling niet op goede voet staan.’
‘Dat lijkt me sterk.’
‘Nee nee. Het is echt zo. Dat feit kwam pas echt naar voren na de explosie van één van de motoren, acht jaar geleden.’
‘Dat herinner ik me nog wel,’ zei ik. ‘Hoewel er nooit een bevestiging is gekomen dat het om een explosie ging. Drie motoren raakten beschadigd, niet?’
Rakt schudde zijn hoofd. ‘Nee, één explodeerde, de naastliggende werden tijdelijk uitgeschakeld vanwege veiligheidsoverwegingen. Maar er was méér; de mensen van de Clan die de geëxplodeerde motor in beheer had, waren op één persoon na allemaal in het ongeval gestorven. De naastliggende Clans vochten om het restant.’
‘Weet je wel zeker dat het een betrouwbare bron is,’ vroeg ik met enig sarcasme in mijn stem.
‘Herinner je dat vreemde meisje nog, dat een half jaar later bij ons in de klas kwam?’
De herinnering kwam plotseling weer boven drijven. ‘Bedoel je Iris?’ vroeg ik verbaasd.
Rakt knikte. ‘Iris, ja. Ik was haar naam vergeten. Wist je dat zij de enige overlevende van die Clan was? Omdat ze nog minderjarig was kon ze geen zeggenschap krijgen over die motor, of wat ervan over was. In het strijdgewoel tussen de twee concurrerende Clans vertrok ze naar Hemelstad.’
Er trok een rilling door me heen. De lang begraven herinneringen lagen plotseling weer bovenop. Is wist weer hoe ze opgehaald was door haar mensen en herinnerde me het raadsel dat ze me gegeven had als bij toverslag. ‘De waarheid is een leugen,’ zei ik zachtjes en vervolgde met de woorden die ik zo lang geleden gehoord had: ‘De leugen is een dwangmiddel. Het dwangmiddel is de sleutel tot de werkelijke macht. De macht bestaat uit de waarheid; voorbij de Zijkant stralen de sterren.’
‘Wat zeg je?’ vroeg Rakt.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Niets, een herinnering die ik verloren had. Dat is alles. Zeg, vertel me eens Rakt, weet jij iets af van onze reis naar Andromeda en de vernietigingsgolf waarvoor we vluchten?’
Rakt haalde zijn schouders op. ‘Niets meer dan jij, misschien zelfs minder. We moeten nog een twintigtal generaties reizen voordat we op de plek van de Hemelpoort zijn, de plaats waar onze verlossing ligt.’
‘En voorbij de Zijkant? Weet jij wat daar te vinden is?’
‘Duisternis,’ antwoordde Rakt ongeïnteresseerd. ‘Dat weet iedereen. Hoezo? Twijfel je daaraan?’
Ik probeerde van onderwerp af te stappen. ‘Ach, ik heb ooit iets gehoord over sterren die zichtbaar zouden zijn als je over de Zijkant zou kijken.’
‘Vlak voordat ze opgeslokt worden door die vernietigingsgolf zeker,’ grinnikte Rakt. ‘Nee, Uther. Ik zie misschien overal spoken maar zo dom ben ik ook weer niet.’

Na het Halfuurtje met Rakt vertrok ik met het gevoel dat er iets gaande was waar niemand iets van wist, of wilde weten. De woorden van Iris echoden weer in mijn hoofd, waar ze al die jaren hadden liggen sluimeren. Er was iets veranderd; de manier waarop ik de stad bekeek, de mensen die naast me op het roltrottoir stonden of die me vanuit tegengestelde richting voorbij schoten. Ik bekeek de gezichten met een vernieuwde blik en zag onwetendheid, oninteresse en de berusting in de situatie waarin ze verkeerden. Het leven bestond uit een opeenvolging van dagelijkse bezigheden met ergens in de toekomst de verlossing uit het huidige bestaan. Nergens waar ik keek zag ik de angst voor hetgeen waarvoor we op de vlucht waren; alsof het gevaar niet eens bestond en alleen in naam ons achtervolgde. Het was niets meer dan een feit, een gegeven dat ons vanaf de geboorte ingelepeld was en wat even onwrikbaar was als de opeenvolging van de dagen. We accepteerden de reden van onze vlucht, generatie na generatie, zonder ook maar ergens vraagtekens bij te zetten. Mijn ontdekking in de bibliotheek en de onthutsende reactie van Leermeester Valentia bewees dat.
Plotseling begon ik te begrijpen dat juist die ontdekking, die in eerste instantie zo onwaarschijnlijk en onwerkelijk had geleken, wel eens de waarheid kon zijn. Was dit waar Iris me jaren geleden voor waarschuwde? Was dit het geheim waarop Rakt al die tijd broedde? Was dit de kennis die de Clans voor zich hielden en waar het allemaal om ging? Maar als dat zo was, met welk doel?
Zonder erbij na te denken stapte ik over op een sneller roltrottoir dat afboog naar de buitenste cirkels. Het ging volledig onbewust en ik realiseerde me pas waar ik naar op weg was toen de wooncomplexen van de derde cirkel aan me voorbij gleden. Achter me gonsde de stad met de geluiden waar ik me eerder niet van bewust was geweest. Het waren de geluiden van onwetendheid die ons allemaal gevangen hield. Ik kreeg een koude rilling toen het tot me doordrong dat ik ergens een grens doorbroken had en ik aan de zijde stond waarvoor Iris me ooit gewaarschuwd had. ‘De waarheid is een leugen,’ herhaalde ik de woorden zachtjes in mezelf. ‘Dat begrijp ik Iris, maar waarvoor is de leugen een dwangmiddel? Wat moet in bedwang gehouden worden?’
Aan de rand van de stad stapte ik van het roltrottoir af en keek over de Agrarische Velden naar de horizon, waar de Zijkant als een dreigende schaduw zichtbaar was, omlijst werd door de gloed van de eeuwig brandende motoren. Die gloed benadrukte de geheimzinnigheid die er overheen lag. Daar ergens bevond Iris zich. Daar was de echte waarheid te vinden. De enige manier om achter die waarheid te komen was om er naartoe te gaan en zelf met eigen ogen te zien of er sterren voorbij de Zijkant te zien waren.

Niemand ging naar de Zijkant. Dat was een feit. Niemand wist wat er te vinden was. Het was het domein van de Clans die de motoren onderhielden. Zestien Clans – nu vijftien als ik Rakt mocht geloven, waarvan de afgevaardigden het Syndicaat vormden.
Het leven in Hemelstad was vrijwel zelfregulerend. De Zestien Afgevaardigden van de districten vormden samen een regering die er meer voor de vorm was dan uit functionaliteit. Ze belegden vier keer per kalenderjaar een vergadering welke niets meer dan een presentatie van cijfers was; oogstgetallen, geboortes en sterfgevallen, aantal zieken of een enkele keer het defect raken van apparatuur. Actie hoefde er niet genomen te worden omdat dergelijke problemen zichzelf oplosten. Het was het gevolg van een goed geoliede machine die millennia de tijd gehad had om tot een hoge graad van perfectie te komen. Eens per jaar was er een openbare zitting in de bovenste verdieping van de Hemelscheerder, waar de leden van het Syndicaat ook aan deelnamen – een gebeurtenis die ondanks het gewicht weinig geïnteresseerden trok.
Wat ik ervan wist was dat het een bijeenkomst van groot vertoon moest zijn, waarbij traditie en saaie protocollen hoogtij vierden. De zestien leden van het Syndicaat en haar zestien tegenhangers van de stad hadden elkaar weinig te vertellen. Officiële woorden werden gewisseld en vormelijke antwoorden gegeven.
Inmiddels waren er meer dan tien maanden verstreken sinds de laatste bijeenkomst en ik overwoog of het zinvol was om dit maal te gaan kijken. Een stem in de vergadering had ik niet, hoewel ik wel de gelegenheid had een agendapunt in te dienen. Dat punt zou dan in mijn bijzijn behandeld worden en ik zou een aantal dagen later een officieel en vormelijk antwoord krijgen.
Ik overwoog alle andere mogelijkheden die ik nog had. Het waren er minder dan waarop ik gehoopt had. De ontnuchterende reactie van Leermeester Valentia stond me nog goed bij. Ik had geen enkele reden te verwachten dat één van de Zestien Afgevaardigden er anders op zou reageren, laat staan dat het onderwerp serieus tijdens de jaarvergadering behandeld zou worden. Aankloppen bij het Syndicaat was al helemaal onmogelijk. Bovendien, indien mijn donkere voorgevoelens waar bleken te zijn, was het Syndicaat juist de partij die als tegenstander aangemerkt diende te worden.
Hoe ik er ook tegenop zag, er leek maar één enkele weg open te zijn: zelf naar de Zijkant te reizen.

3

Ik had alles tot in de puntjes geregeld. Veel hield dat niet in, afgezien van een vergunning om naar een oogstfabriek te reizen. Het was normaal gesproken voor de stedelingen niet toegestaan deze fabrieken te bezoeken. Ik had lang geleden vanuit het VAT een excursie gehad, dankzij de connecties van Leermeester Yipton, en moest terugvallen op de privileges die ik had met mijn status als Leerling Leermeester, én mijn affiniteit met het VAT. De naam Leermeester Yipton bleek ten slotte de sleutel te zijn.
‘Meester, u wilt naar Station Zes? Dan wil ik u in voren zeggen dat de kans daartoe bijzonder klein is. Wellicht ziet u af van de vereiste acht formulieren?’
‘Geenszins. ‘Moeten ze allemaal ingevuld worden?’
De beambte knikte. ‘Ja. Allemaal. Ik wil u alleen erop wijzen dat gemiddeld slechts vier mensen per jaar toegang krijgen, en dan alleen bij hoge uitzondering.’
Ik glimlachte. ‘Een aantal jaren geleden ben ik al een keer bij de oogstfabriek geweest. Ik zie geen enkel probleem dat goedkeuring van mijn verzoek in de weg zal liggen.’
‘Een aantal jaren zegt u?’ De beambte keek op zijn scherm. ‘Uw naam komt niet voor in de lijst met geautoriseerde personen. U heeft dan eerder veel geluk gehad en ik ben bang dat het dit keer niet zal lukken.’
‘Misschien moet u bij Vooropleiding Algemene Techniek kijken,’ opperde ik enigszins geërgerd.
De beambte keek met toegeknepen ogen en wendde zich weer tot het scherm. ‘Het VAT zegt u? Welke Leermeester heeft u gehad?’
Leermeester Yipton, antwoordde ik.
De beambte voerde enkele gegevens in, kuchtte zakelijk en haalde een formulier uit zijn lade. Met een zwierig gebaar plaatste hij een stempel en overhandigde het vel papier. ‘Dit moet u invullen.’
Ik keek naar het vel papier. ‘Ik dacht dat ik acht formulieren moest invullen?’
De beambte maakte een onvriendelijke grimas. ‘U heeft een verkorte procedure. U vult dit formulier in en ik zet er mijn handtekening onder.’
Zonder iets te zeggen vulde ik alle open velden in en vroeg me af hoe gemakkelijk het zou zijn om me te traceren. Van de andere kant, deze vorm van bureaucratie had natuurlijk haar eigen logge gewicht tegen zich. De verkorte procedure liet al doorschemeren dat het niet optimaal werkte en open stond voor mazen in de wet. Enigszins gerustgesteld overhandigde ik het formulier en keek aandachtig toe hoe de functionaris het doornam. ‘Het laatst wat we hier willen is een toeristische attractie maken van de Agrarische Velden,’ zei hij toen hij mijn blik zag.
‘Natuurlijk,’ antwoordde ik.
De functionaris knikte. ‘Ik zie dat u het begrijpt. Ik ben van mening dat het belangrijk is dat een oprechte persoon als u in de gelegenheid moet zijn om de nieuwsgierigheid te bevredigen door de herkomst van ons voedsel te controleren. We zijn tenslotte blindelings aangewezen van wat er ons voorgeschoteld wordt. Niet?’
Ik beaamde dat. ‘U hebt gelijk meneer. Het is een vorm van controle.’
‘Gaat u met dat doel?’
Even werd ik door twijfel overvallen. ‘Leermeester Yipton heeft de excursie naar een oogststation gegeven,’ zei ik voorzichtig. ‘Dit had als doel het kweken van begrip en bewustzijn van het delicate evenwicht dat in stand wordt gehouden. Er zijn sindsdien enkele vragen gerezen die mijn huidige opleiding enigszins belemmeren. Ik wens die vragen te beantwoorden.’
De functionaris keek me met toegeknepen ogen aan. ‘Wellicht kunt u in het vervolg een aanvraag via de universatoren waar u werkzaam bent indienen. Niet dat je op die officiële manier gemakkelijker toestemming krijgt, maar toch.’
‘Ik zal er de volgende keer aan denken,’ antwoordde ik met een vriendelijke glimlach en was blij dat ik het kantoortje eindelijk kon verlaten, mét een vergunning voor één dag. Het was alles wat ik hoopte nodig te hebben.

De glijbaan bracht me met grote snelheid naar de oogstfabriek wat tevens het eindstation van de glijbaan was.
Drie kilometer mat de afstand tussen de stad en de Zijkant. De oogstfabriek was op een derde van die afstand van de stad gebouwd. Van daar uit zou ik twee kilometer moeten lopen aangezien ik geen beschikking had over een vliegmachine. Voor de gelegenheid was ik gekleed in de kleding die door de meeste werkers op de Agrarische Velden gedragen werd; een donkergroene broek die wijd in de taille was en strak rond de enkels, korte laarzen van soepel leer en een strak truitje met korte mouwen in een kleur die bijna zwart was, en die glansde met een donkergroene tint. Op deze manier kon ik me waarschijnlijk op de meest onopvallende manier verplaatsten. Ik schatte dat ik er minstens een uur over zou doen om de Zijkant te bereiken. Wat ik dan moest doen kon ik met geen mogelijkheid raden. Ik moest me laten leiden door de situatie die zich voor zou doen. In het gunstigste geval zou ik ongezien binnen kunnen komen. In het ongunstigste geval zou ik opgepakt worden voordat ik ook maar in de buurt zou komen.

Tot mijn grote ergernis werd ik bij de oogstfabriek opgewacht door de bedrijfsleider die eerst met een diepe frons mijn kleding bezag, en toen een overdreven enthousiasme tentoon spreidde. ‘Meester Uther, wat een eer dat u onze fabriek met een bezoek vereert,’ riep hij terwijl hij met uitgestoken armen naar me toe kwam en me beide handen schudde. ‘Het is niet elke dag dat een zo vooraanstaande persoon interesse in onze nederige werkzaamheden toont, ook al is het een Leerling Leermeester. Ik ben veldmeester Gewyn, de bedrijfsleider van deze oogstfabriek.’
Ik negeerde zijn vreemde opmerking en keek verlangend naar de donkere muur die zich aan de horizon uitstrekte. Veldmeester Gewyn zag mijn blik en grijnsde zijn tanden bloot. ‘De Zijkant is hier dichtbij, dat is waar. Maar laat u niet afleiden door die duistere geheimen waar al die Clans op zitten te broeden. Zo lang ze de motoren draaiende houden en de vernietigingsgolf onder ons, mogen ze zo geheimzinnig doen als ze willen.’
‘Eén motor is ooit uitgevallen,’ zei ik in een poging het uiterste van zijn kennis te toetsen.
‘Eén? Wel drie. Het waren die drie daar.’ En hij wees met een trillende vinger. ‘Iedereen zegt dat ik gek ben, maar ik weet zeker dat ik het voelde. Het leek wel een schok die door Hemelstad voer.’
‘Ze zeggen dat een motor explodeerde, maar ik weet niet of het waar is,’ opperde ik.
Veldmeester Gewyn haalde zijn schouders op. ‘Wie zal het zeggen. Ik ken die verhalen ook. Maar nu werkt de motor weer. Wist u dat acht motoren van de zestien uit kunnen vallen zonder dat we gevaar lopen snelheid te verliezen?’
‘Dat wist ik niet.’
‘Het is echt zo,’ knikte de veldmeester. ‘Maar dat is zorg voor de leden van de Clans. Ik zou niet willen ruilen, voor geen geld. De verantwoordelijkheid die ze aan de Zestien Afgevaardigden moeten afleggen is immens. Die vergadering is over anderhalve maand, niet?’
‘Twee meende ik,’ zei ik. ‘Maar ik kan het mis hebben. Het is niet iets waar ik dagelijks mee bezig ben.’
‘Ik ook niet,’ beaamde Gewyn.
Zwijgend bleven we even naar de Zijkant kijken. Veldmeester Gewyn vertoonde wat ongeduld waardoor ik met opzet langer bleef staan. Ten slotte zei ik op ongeïnteresseerde toon: ‘Je kunt van hieruit gemakkelijk naar de Zijkant lopen, lijkt mij. Zeker als je aan de einder van de Velden werkt. Wordt dat ooit gedaan?’
Gewyn schudde zijn hoofd. ‘Nooit. Niemand gaat naar de Zijkant. Het is een ongeschreven wet. Maar ook niemand heeft de neiging daar naar toe te gaan. Bovendien zou die persoon door de patrouilles van de Clans opgemerkt worden, en afgevoerd.’
‘Afgevoerd? Waarheen?’
‘De stad. U zult het strakjes wel op de plattegrond zien, halverwege tijdens de rondleiding, dat we niet tot aan de muur van de Zijkant mogen verbouwen, als dat al zou kunnen. Het is een soort niemandsgebied, beplant met hoge bomen. Ze noemen het een bos.’
‘Een vreemde situatie,’ zei ik oprecht. ‘Je zou verwachten dat de stadsbewoners toch de gelegenheid zouden krijgen om hun nieuwsgierigheid te bevredigen.’
‘Net als hier op de oogstfabriek,’ riep veldmeester Gewyn opgewekt. ‘Volgt u mij, meester Uther, dan kunnen we met de rondleiding beginnen.’
‘Eén laatste vraag nog,’ riep ik snel. ‘Hoe zou men het beste bij de Zijkant kunnen komen?’
‘Lopend,’ was het antwoord van verbaasde veldmeester en hij bekeek mijn kleding kritisch. Hij vervolgde enigszins behoedzaam: ‘Een andere weg is er niet. Alleen de Clans beschikken over vliegmachines. Volgt u mij, de rondleiding duurt iets meer dan een uur en dan eindigd mijn werkploeg. Ik moet voor die tijd klaar zijn, hoe graag ik u ook ten dienst wil zijn.’
Zwijgend volgde ik de man terwijl ik mijn hersens pijnigde over hoe ik ongemerkt weg kon glippen. Ik zag geen andere gelegenheid dat het moment dat ik terug zou gaan naar de stad.
Gedurende de rondleiding zag ik hem geregeld op zijn polschronograaf kijken en ik kreeg het idee dat hij er erg op gebrand was de rondleiding te voltooien voor zijn ploeg eindigde. De kans bestond dat hij gehaast afscheid zou nemen en mijn vertrek niet gade zou slaan. ‘Hoe worden de oogsten binnen gehaald,’ vroeg ik, nadat ik een uitleg van vijf minuten bij een maquette had gekregen. Kleine modellen van de oogstmachines aan omgekeerde glijbanen hingen tussen de stad en de Zijkant die, tot mijn grote teleurstelling, verstoken was van enig detail. Maar het bos was aanwezig, hoewel ik betwijfelde dat het net zo waarheidsgetrouw zou zijn als de overige delen van de maquette.
‘We maken gebruik van volautomatische oogstmachines,’ antwoordde veldmeester Gewyn. ‘Omgekeerde glijbanen voorkomen dat we kostbare grond moeten opofferen aan paden of wegen. U zult ze strakjes op de monitoren in bedrijf zien. Komt u?’
Ik negeerde zijn aanmaning tot verdergaan. ‘Jaja, maar moeten die oogstmachines niet voorzien zijn van een bestuurder?’
Gewyn keek verbaasd. ‘Waarom zouden ze? Ze zijn volautomatisch. Bovendien worden ze door de glijbaan geleid. In goede banen, zo u wilt.’ Hij grinnikte om zijn grapje.
‘Maar hoe kunnen de oogstmachines herkennen wat er geoogst moet worden,’ hield ik vol. ‘Immers, ze kunnen niet zien of het product al rijp is.’
‘We programmeren alles zorgvuldig,’ zei Gewyn haastig terwijl hij de tijd in de gaten hield. Aan zijn houding kon ik zien dat hij begreep dat mijn rondleiding niet binnen de gestelde tijd voltooid zou zijn. Toch was hij verplicht zijn ronde af te maken en aan al mijn wensen te voldoen. ‘De rijpingstijd van de producten wordt nauwgezet in de gaten gehouden,’ vervolgde hij grimmig. ‘Er zijn schema’s die de tijd van zaailing tot oogst van de verschillende producten nauwgezet weergeven. We hebben hier een constant klimaat, een nauwkeurig gereguleerde lichtopbrengst en grondstofvoorziening. Daarnaast hebben we monitors in dienst die in kubussen de omgekeerde glijbanen berijden en een nauwkeurig oogje in het zeil houden.’
‘Ik begrijp het,’ zei ik nadenkend. ‘Met oogstmachines die al het werk verrichten is er geen noodzaak voor menselijke arbeid.’
‘Ik weet waar u naar toe wilt,’ onderbrak de bedrijfsleider. ‘Niet alle oogstvelden kunnen door machines geoogst worden. Er zijn producten die beter met de hand geoogst kunnen worden. Gelukkig heb ik die producten niet onder mijn hoede.’ De man boog naar me toe en zei heimelijk: ‘Het wil nogal eens problemen opleveren, die werkers uit de stad. U weet wel, lui en met geen stok vooruit te branden. Het zijn de ongeschoolden.’
Ik knikte ten teken dat ik het begreep.
Zo stelde ik nog meer vragen die zijn tijdschema danig in de war schopten. Ik kreeg er zelfs voldoening in maar wist me ten slotte in te houden. Ik moest niet het risico lopen dat de rondleiding door de volgende ploeg over genomen zou worden.
Meer dan een uur later was de rondleiding voltooid. Veldmeester Gewyn, die nu duidelijk veel haast had, bracht me bij het glijbaanstation dat me naar de stad moest brengen. ‘Vergeef me als ik haastig over kom,’ zei hij met een korte buiging. ‘Maar ik ben over mijn ploegtijd gegaan.’
Ik wuifde de verontschuldiging weg. ‘Ach, ik begrijp het. Ik red me vanaf hier wel. Als het u zoveel haast hebt kunt u maar beter snel gaan.’
Veldmeester Gewyn knikte. ‘Dank u voor het begrip, meester Uther. ‘Ik hoop u nog eens hier te kunnen ontmoeten. Wellicht dat ik dan meer tijd ter beschikking heb.’
En weg was hij. Meteen dook ik achter de glijbaankubus en verschool me tussen de tweeëneenhalve meter hoge maïs dat, zo had bedrijfsleider me verteld, bijna oogstrijp was.
Tevreden gestemd, maar met een hart dat flink tekeer ging, wachtte ik ongeduldig tot de glijbaankubus waarin ik zou moeten zitten verdwenen was, en luisterde naar het geluid van een volgende kubus die naar alle waarschijnlijkheid Gewyn zou bevatten. Toen richtte ik mijn blik op de horizon en begon aan mijn tocht tussen de maïsstengels door, op weg naar de Zijkant.

4

Het was niet gemakkelijk om een goede richting aan te houden. Ik probeerde mijn positie continu te bepalen aan de hand van de hemeltorens die nog net boven het gewas uitstaken. De stengels waren weerbarstig waardoor ik het gevoel had steeds verder tegen de draairichting af te buigen. Zo nu en dan corrigeerde ik, maar na een half uur had ik het gevoel dat ik niet meer wist waar ik was.
Vier meter boven de gewassen hingen de glijbanen van de oogstmachines. Voor zover ik kon herinneren liepen die in een gelijkmatig patroon maar ook aan de hand van die glijbanen wist ik niet of de richting ik nam de juiste was.
Twee keer hoorde ik een vaag fluitend geluid. De eerste keer bleef ik afwachtend staan luisteren met een mengeling van angst en nieuwsgierigheid. Toen zag ik plotseling een kleine kubus verschijnen waar een man door de transparante wanden naar beneden tuurde. Ik dook in elkaar en maakte me zo klein als ik kon. Even dacht ik gezocht werd. Mijn naam stond tenslotte in de formulieren van de glijbaan beambte. De kubus die me weer naar de stad had moeten brengen zou inmiddels wel aangekomen zijn. Toen herinnerde ik me dat Veldmeester Gewyn het over monitoren gesproken had, die de groei van de gewassen nauwlettend in de gaten hielden.
Mijn angst op ontdekking nam af toen de kubus voorbij gegleden was. Maar ik bleef ongerust over het duidelijke spoor dat ik achter gelaten had. Een weg terug had ik echter niet meer, ik moest vooruit.

Na een uur werd ik getrakteerd op een nieuw geluid. Dit was niet het fluitende geluid van de voortbewegende kubussen op de glijbaan, maar een luid gesnipper. Opnieuw dook ik in elkaar en wachtte op wat er komen ging. Het geluid trok op een tiental meter afstand aan me voorbij en ik sloop in die richting, verborgen tussen de hoge maïsstengels. Plotseling brak ik door de zijkant van het maïsveld en stond in een kaal pokdadig landschap waardoor ik in één oogopslag zag dat ik inderdaad afgedwaald was. Links van me hing een grote brede machine die een tien meter brede baan gewas als een gulzig dier op slokte. Een brede mond sneed het gewas vlak boven de aarde af waarna het een trechtervormige buis ingezogen werd. Een tweede machine, meer een plat laadplatform hing aan de naastliggende glijbaan. Een transportkoker spuwde elke tien seconden een stevig pakket uit dat door een achttal armen opgevangen werd en netjes gestapeld. Ik herkende het ding van de rondleiding.
Ik kroop weer tussen de planten en bedacht me dat ik van geluk sprak dat de maïs van het veld waarin ik me bevond nog niet geheel rijp was. Het zou mijn tocht naar de Zijkant aanzienlijk gevaarlijker gemaakt hebben, iets wat ik als stedeling nooit had kunnen voorzien. De werkers op de oogstfabriek zouden vreemd opkijken als ze er mijn fijngehakte lichaam tussen de groenten zouden vinden. Misschien dat er dan wel iets te vertellen zou zijn tijdens de jaarlijkse vergadering tussen het Syndicaat en de Zestien Afgevaardigden.

Het uitzicht over het geoogste veld hielp me mijn positie enigszins te bepalen, alsmede de richting die ik moest nemen. De Zijkant torende al aardig hoog op en ik verbaasde me erover dat ik dat niet had kunnen zien tussen de maïs. Ik schatte dat ik nog een half uur te gaan had. Ik hield de zijkant van het maïsveld aan om niet opnieuw af te dwalen, maar nu kon ik de aanzet van de koepel zien als ik omhoog keek. Ik moest opletten dat ik niet gebukt ging lopen, zo overweldigend was het massieve bouwwerk dat boven me uittorende. Toch schatte ik dat de hoogte hier vlak bij de Zijkant nog altijd honderden meters was. Misschien voelde ik me juist daarom uiterst klein en onbeduidend.
Tien minuten later brak ik uit de maïs en stond ik voor een bosrand die zich links en rechts uitstrekte.

Zoals elke jongen had ik gefantaseerd over hoe het zou zijn als je het domein van de Clans zou betreden. De Zijkant sprak ieder kind tot de verbeelding; het was ver weg, schijnbaar onbereikbaar en dus verschrikkelijk geheimzinnig. De aanblik van het bos en de donkere wand daarachter, die nu hoog over mijn hoofd over boog, wekte de herinnering aan de paar keer dat ik met een groepje leeftijdsgenoten naar de rand van de stad was gegaan. Daar hadden we op één van de recreatieplateaus naar de verte gestaard, verlangend naar avontuur. We hadden plannen gemaakt die aan het belachelijke grensden. Ik deed mee, omdat het half en half van je verwacht werd maar in werkelijk was ik er bang voor. Van alle jongens die toen op dat recreatieplateau stonden, was ik de laatste die daadwerkelijk een poging had durven ondernemen. En toch, ik, als de stille kleine Uther van toen, was juist degene die het ten slotte ook daadwerkelijk zou proberen. Wie had dat ooit kunnen denken.
Ik was er nog niet. Er restte me nog de weg door het bos waar het licht van Hemelstad nauwelijks in doordrong. Twijfelend draaide ik me om en keek over de Agrarische Velden heen naar de stad die in de verte zichtbaar was. Vanuit mijn positie had ik een uniek zicht op Hemelstad. Ik herkende de Hemelscheerder die tot ver boven de andere gebouwen uittorende. De koepel, die nu recht boven me begon, liep tot daarboven om vervolgens weer te dalen, negen kilometer verder. Vanuit mijn oogpunt was de koepel duidelijk te zien, tot de hoek zo groot werd dat het materiaal transparant werd. Dit was dus het uitzicht dat de Clans van de Zijkant af hadden en ik vond het adembenemend.
Plotseling voelde ik me alleen. De bedrijvigheid van de stad was hier niet zichtbaar. Zo nu en dan zag ik een oogstmachine boven de Agrarische Velden, maar de geluiden droegen niet zo ver. Het was stiller dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Hierdoor werd ik een lage bromtoon gewaar, op de grens van het gehoor, en ik verwachtte half en half dat er iemand aan kwam. Ik keek verwilderd rond, met een gevoel van opkomende haast, tot ik me besefte dat het geluid er de hele tijd was geweest. Wat ik hoorde moesten de enorme machines zijn die voor de luchtverzorging dienden. Ik was op de plaats beland die in feite het hart van Hemelstad was. Hier werden de processen in stand gehouden die ervoor zorgden dat alles functioneerde; de luchtbehandelingsystemen, watersystemen zuurstofgeneratoren. Ik wist niet eens wat er allemaal bij kwam kijken om een kunstmatig kringloopsysteem in stand te houden, maar het zou hier allemaal te vinden zijn. Althans, een deel daarvan want zoals we in de lessen van het VAT geleerd hadden, bevonden de primaire systemen diep onder onze voeten. Wat ik hier aantrof was slechts een deel daarvan en de Clans beheersten dit allemaal. In feite beheersten ze op die manier over het voortbestaan van Hemelstad, wat een macht vertegenwoordigde die groter was dan de Zestien Afgevaardigden samen.
Plotseling leek er een puzzelstukje op de plaats te vallen. ‘Het dwangmiddel is de sleutel tot de werkelijke macht,’ mompelde ik. En hoewel ik betwijfelde of dit het dwangmiddel was waarover Iris in haar raadseltje gesproken had, kon het wel als dusdanig begrepen worden.
Eén ding was me vanaf dat moment helemaal duidelijk. Ik wist nu zeker dat de macht in Hemelstad volledig en onbetwist bij het Syndicaat lag.

Ik betrad het bos met een onheilspellend voorgevoel. Het was er donker na de helder verlichte Agrarische Velden en ik moest mijn ogen even aan het lichtniveau laten wennen. Stap voor stap drong ik domein van de Clans binnen en het voelde aan alsof ik een maagdelijke wereld betrad, alsof ik hier de eerste mens was sinds het vertrek van Hemelstad. Dat was natuurlijk onzin, maar ik kon het gevoel niet van me afleggen. Ik was gespitst op elke geluid, maar de stilte hing zwaar tussen de stammen.
Het bos was niet een bos dat ik uit de boeken kende. De stammen van de bomen waren vrijwel kaarsrecht en de eerste takken ontsproten op ongeveer tweeëneenhalve meter hoogte. Een dik bladerdek hing boven mijn hoofd en nergens was een gat of opening te ontdekken. Dat het hier om een gecultiveerd bos ging was duidelijk. Het was gemakkelijk begaanbaar en de bodem was bedekt met een zachte donkere laag rottend materiaal dat niets anders dan humus kon zijn. Ik bukte en voelde de vreemde substantie die op geen enkele andere plaats binnen Hemelstad te vinden was. Het voelde warm en vochtig aan en ik vermoedde dat er op een dieper niveau water onder door stroomde.
De bomen stonden in willekeur, maar nooit dichter dan een meter of drie van elkaar. De schors was dik en bedekt met een groene laag die op de kleren en handen achterbleef. Ik probeerde het van mijn kleding af te wrijven maar ik wreef het er alleen maar dieper in. Na deze ontdekking waakte ik ervoor de schors niet aan te raken.
Het gevoel van onheil leek uit me te stromen en er kwam rust voor in de plaats. Ja, het was zelfs prettig om tussen deze levende stammen door te lopen. De lucht leek ook gezonder, geurig maar niet kunstmatig.
Plotseling stond ik aan de andere zijde van het bos en keek ik op een donker metallic wand die misschien wel honderd meter hoog was. Ademloos keek ik omhoog en volgde de lijnen tot ver boven me, en over me heen. Hoger en hoger tot de wand ver boven het bos overging in het transparante materiaal van de koepel. Nog nooit had ik zoiets indrukwekkends gezien. Er voer een rilling over mijn rug. Tegen de mensen die hierover de scepter waaiden kon niemand iets uitrichten. Zelfs als de volledige achttien miljoen mensen van Hemelstad zich tegen de Clans zouden richten, was het slechts een kwestie van het uitschakelen van de processen. Het zou een ramp betekenen, een terugval die onvoorstelbaar was. Maar het kon opnieuw opgebouwd worden.
Ik wist het zeker. Het Syndicaat had de macht volledig in handen.
Het was direct duidelijk dat ik de wand die boven me uittorende op geen enkele manier zou kunnen beklimmen. En als ik het al kon, hoe hoog moest ik dan klimmen? Ik kon nergens iets ontdekken dat mij toegang zou kunnen verschaffen. Met de moed tot in de schoenen gezonken keek ik naar links en naar rechts. Welke kant ik op ging maakte in feite niets uit. Ik koos de linkerkant.

Het liep al tegen het eind van de dag toen ik een verzonken trap in de wand vond. Ik had misschien een uur gelopen, langs een onveranderlijke wand die nergens enig detail vertoonde. Ik begon me af te vragen of deze wand niet iets anders was dan wat iedereen beweerde. De Clans woonden in de Zijkant, waar de motoren zich bevonden die Hemelstad door het Daarbuiten voortbewogen. Er moest een manier zijn om het domein te betreden, ook van hier af. De trap die ik ten slotte vond bevestigde dat, hoewel ik iets met meer grandeur verwacht had.
De trap leidde me naar een klein plateau op ongeveer dertig meter hoogte. Vanaf dit plateau kon ik over de boomtoppen heen kijken en zag nu dat de grond geleidelijk naar boven was gelopen. De Agrarische Velden bevonden zich misschien een vijftig meter lager. In de verte zag ik de stad liggen. Ze leek onbereikbaar en onwerkelijk zoals ze afgetekend stond tegen de donkere koepel. Ik vervolgde mijn blik naar boven en zag enkele sterren stralen. Ze leken even onbereikbaar als de stad zelf.
Met een zucht die de spanning in mijn lijf enigszins verzachtte wendde ik mijn blik af en zocht naar een deur of andere manier van toegang. Het plateau was half verzonken in de wand, nagenoeg rond met een diameter van vijf meter. Er was een toegangsdeur maar geen enkele manier om die te openen. Ik liet me tegen de wand neerzakken en keek naar de stad in de verte. Ik had deze dag al meerdere malen het gevoel gehad dat ik op een dood spoor zat, dat mijn queeste naar de rand van Hemelstad keer op keer in een fiasco zou eindigen. En nu zat ik hier, op de Zijkant, op steenworp afstand van hetgeen waarnaar ik zocht. Het leek erop dat het hier dan eindigde.
Minuten kropen voorbij in stilte. Ik genoot van het uitzicht, de rust. De spanning van het moment was verdwenen, weggeëbd in de diepten van mijn innerlijke en terwijl ik daar zat, met mijn armen om mijn benen geslagen en mijn kin op mijn knieën, zag ik rond de Hemelscheerder een lichtgrijze waas hangen. Even dacht ik dat het gezichtsbedrog was, maar toen drong het tot me door wat ik werkelijk zag: gecondenseerd vocht in de bovenste luchtlagen. Wolken.
Ik voelde de tranen opwellen bij het zien van dit unieke uitzicht. Nooit had ik kunnen denken, of alleen maar vermoeden dat ik ooit wolken zou zien zoals ik vroeger in het sprookje gehoord had.
Ik voelde me warm worden bij het zien van die ijle damp en begreep dat niemand in de stad dit ooit zou kunnen zien. Alleen hier, naar schatting honderd meter hoger dan het normale niveau, op een plateau tegen de Zijkant, was het mogelijk om dat zeldzame natuurwonder te bekijken.
Zo staarde ik tot ik stijf en koud was geworden, maar verwarmd door de herinnering aan de uren die ik op de hoge hemelscheerder had doorgebracht. Hoe had ik ooit kunnen vermoeden dat ik op dat moment letterlijk boven de wolken stond? Ik kon de beeltenis van Iris er niet in ontdekken, noch enkele andere vorm. Maar het waren wolken.
‘Het uitzicht is mooi, niet?’ zei een stem naast mijn oor.
Ik schrok op en sprong weg van de wand waar ik zat. Net iets té ver. Ik balanceerde op de rand van het plateau. Eén seconde, twee seconden, net lang genoeg om een lange man te zien die met een verschrikt gezicht zijn arm uitstak om me tegen te houden… en mistte. Ik voelde de grond onder mijn voeten wegschieten en ervaarde in een vlaag van verstandsverbijstering een moment van gewichtsloosheid, voordat ik met een doffe klap op de grond terecht kwam. Ik zag vlekken voor mijn ogen dansen terwijl ik probeerde te beseffen wat me was overkomen. Toen werd het donker en herinnerde ik me niets meer.

"Je hebt uitsluitend macht over mensen zolang je niet alles van ze afneemt. Maar wanneer je iemand van alles hebt beroofd, is hij niet langer in je macht, hij is weer vrij."
Alexander Solsjenitsin

Act III – De queeste voor waarheid

1

Ik had een droom. In die droom was ik op weg naar de Zijkant. Daarin nam ik de glijbaan naar een oogstfabriek vanwaar ik te voet verder ging. Ik wilde de sterren voorbij de Zijkant zien, die volgens een raadsel dat me ter ore was gekomen moesten bestaan. Dit stond loodrecht op wat we geleerd hadden, dat alle sterren die we onder ons lieten opgeslokt werden door een golf van vernietiging. Maar ik had voldoende reden om daaraan te twijfelen.
In mijn droom lukte het me de Zijkant te bereiken, dwars door de Agrarische Velden heen en door het bos dat de laatste hindernis was. Ik beklom de wand die zich boven me uittorende en zag voor het eerst in mijn leven wolken. Toen viel ik terwijl iemand me met verschrikte ogen aankeek.
Ik staarde naar het plafond. Deze herinneringen leken zo onwaarschijnlijk dat ik me afvroeg of het wel allemaal gebeurd kon zijn. Als ik me herinnerde hoe ik hier in bed beland was kon ik er misschien nog een voorstelling van maken, maar vanaf het moment dat ik viel kon ik me niets meer herinneren. Tot ik hier in bed wakker werd.
Verward stond ik op en nam een verfrissende douche. Het gezicht dat me vanuit de spiegel aankeek droeg een baard van een week oud. Een week waarvan ik me niets herinnerde.
Ik schoor mijn gezicht en kleedde me aan. Ik voelde me ontheemd, verloren. Alsof ik een week lang uit het leven was verdwenen terwijl Hemelstad verder ging. Het voelde aan als een groot verlies dat ik niet meer zou kunnen inhalen.
Geplaagd door dat verlies liep ik naar het raam en keek naar de koepel die vanuit mijn woonappartement vrijwel onzichtbaar was. Als je goed keek zag je er de vage spiegeling van de Stad in. De koepel verdween achter de wooncomplexen die het zicht op de Zijkant in de weg stonden. Daar lagen antwoorden, nu meer dan ooit, en ik voelde de drang om erheen te gaan sterker dan ooit. De vraag was hoe?
Ik at een simpel ontbijt en maakte me klaar om naar het werk te gaan. Het leek me het beste als ik de draad voorlopig weer op zou pakken. Als ik inderdaad een week afwezig was geweest zou het werk inmiddels flink opgestapeld liggen. Ik had heel wat uit te leggen aan Leermeester Valentia.

De dag vorderde zoals alle dagen, in een opeenstapeling van seconden, minuten en uren. Tot mijn verwondering kwamen er niet veel vragen van Leermeester Valentia en ik waakte ervoor het onderwerp ter sprake te brengen. Ik schaamde me een beetje voor wat nu een bijzonder onverstandige actie leek. Omringd door de normale gang van zaken die zich rondom mij ontwikkelden, voelde het dwaas aan dit in twijfel te trekken. Er was niets mis met dit leven, er was geen reden om iets te willen veranderen. Hoogstens uit principe. De consequentie van verandering in de orde van grootte die ik voor ogen had, was een compleet ontregeld leven van achttien miljoen mensen. Ik wist niet of ik dat wel op mijn geweten wilde.
Gedurende de dag raakte ik er meer en meer van overtuigd dat ik me niet moest bemoeien met dingen die me niet aangingen. Het zou wel eens een wespennest kunnen zijn. Die overtuiging kreeg al vaste grond onder de voeten toen ik tijdens de middagpauze tot mijn grote verbazing een berichtje van Rakt kreeg, met het verzoek hem in de ‘Flamingo’ te ontmoeten.

2

Met gemengde gevoelens betrad ik de danssalon waar ik een jaar lang met Annibel was gekomen. Het was vroeg op de avond dus de kans dat ik haar zou ontmoeten was bijzonder klein. Dat kwam me wel zo goed uit want dat was het laatste waar ik naar uit keek.
Rakt zat in een kleine nis op de tweede verdieping met uitzicht op de vide. Ik wrong me langs de dansende mensen die hier zelfs op dit vroege uur te vinden waren en nam de kleine wenteltrap achter in de zaak om op de eerste verdieping te komen. De muziek klonk boven minder storend door een subtiel dempingsveld waardoor het een geschikte plaats was om gesprekken te voeren. De ‘Flamingo’ stond hierom bekend. Zwijgend schoof ik aan het tafeltje van Rakt en bestelde een biertje van het keuzescherm. Een knap serveerstertje, dat ik uit mijn tijd met Annibel kende, leverde het drankje af. Ze herkende me niet, of wilde me niet herkennen.
‘Waarom wilde je juist hier afspreken,’ vroeg ik Rakt.
De man haalde zijn schouders op. ‘Je kunt hier goed spreken zonder gevaar dat iemand meeluistert. Ik weet dat je hier altijd met Annibel kwam, maar het is de enige plaats met een dempingsveld dat afdoende werkt.’
‘Hoe weet je van Annibel?’
‘Ik ken haar.’
Ik keek hem met toegeknepen ogen aan. ‘Al lang?’
Rakt glimlachte. ‘Lang genoeg. Het gaat redelijk goed met haar, gezien de omstandigheden, voor het geval het je interesseert.’
‘Niet echt,’ loog ik en vroeg me af of Rakt een rol in de beëindiging van onze relatie had gespeeld. Ik zette het onderwerp van me af. ‘Waarom wilde je spreken?’
‘Je bent naar de Zijkant geweest. Dat was dom.’ Rakt grinnikte toen hij mijn opperste verbazing zag. ‘Je mond hangt open. Dat ziet er niet erg charmant uit. Je vraagt je natuurlijk af hoe ik dat weet.’
‘Je beweegt je in vreemde kringen rond,’ zei ik toen ik mijn mond gesloten had en mijn stem gevonden. ‘Dat heb je altijd al gedaan.’
‘Ik geef toe dat het niet de meest gangbare kringen zijn maar ze zijn nuttig en verschaffen me de informatie die ik verlang.’
‘En dat is?’
‘Informatie die ik niet met jou ga delen,’ bromde Rakt en hij nam een slok van zijn drankje. ‘In ieder geval, nog niet. Vertel me eens, Uther, wat deed je daar ginds?’
Ik grinnikte toen ik zag welke richting het in ging. ‘Jij houd je informatie voor je en verwacht dat ik de mijne zomaar op tafel gooi? Nee Rakt, laten we het spelletje volgens de regels spelen. Vergeet niet dat jij erop stond mij te spreken dus jij geeft mij meer informatie en dan zal ik vertellen wat ik weet.’
Rakt knikte en leunde met een glimlach achteruit. Hij keek even naar de dansvloer en ik liet mijn blik mee gaan. Een aantal mensen dansten op de wilde muziek die de laatste tijd in zwang was; een dol gejank van verschillende synthetische instrumenten dat als golven op en neer bewoog. Klagende tonen dansten op die zee van geluid dat zelfs door het dempingsveld heen wist te dringen. Het was niet mijn smaak van muziek. Ik betrapte mezelf erop dat ik naar Annibel zocht en ik was blij dat ik haar niet zag.
‘Ik kan je helpen,’ zei Rakt eindelijk, zo zachtjes dat zijn stem nauwelijks boven het geluid uit kwam. Hij bekeek me met getuite lippen alsof hij me bestudeerde. ‘Ik weet hoe je op de Zijkant kan komen, hoewel ik geen enkele reden kan verzinnen waarom je dat in hemelsnaam zou willen.’
‘Hoe dan?’ vroeg ik afwachtend.
Rakt schudde zijn hoofd. ‘Hoe is niet belangrijk. De reden wel. Vertel me die reden Uther. Wat is daar zo belangrijk dat je je leven op het spel gezet hebt om er te komen? Dan beloof ik dat ik je erheen zal brengen.’
Ik zuchtte. ‘Goed, ik zal het je vertellen. Herinner je nog hoe je altijd riep dat er een complot gaande was met betrekking tot het Syndicaat?’
‘Dat is oude koek. Een hoop onzin.’
Ik negeerde hem. ‘Ik heb het je nooit laten merken, maar het intrigeerde me. Toen kwam Iris.’
‘Ha,’ riep Rakt. ‘Ik wist het wel. Jij was verliefd op dat kind.’
Glimlachend knikte ik. ‘Ja, ik geloof van wel, hoewel ik het toen niet goed besefte. Op de dag dat ze werd weggehaald vertelde ze me een raadseltje.’
‘Ik herinner het me. Dat was tijdens een uitstapje naar een oogstfabriek, niet?’
‘Inderdaad.’
‘Wat vertelde ze je?’
‘Ze zei: “De waarheid is een leugen. De leugen is een dwangmiddel. Het dwangmiddel is de sleutel tot de werkelijke macht. De macht bestaat uit de waarheid; voorbij de Zijkant stralen de sterren.” Toen kwam die vliegmachine en stapte ze in. Ik heb haar nooit meer gezien.’
Rakt keek me met toegeknepen ogen aan. ‘Ik geloof dat je die woorden de laatste keer dat we elkaar zagen ook ter sprake bracht. Wat betekenen ze?’
Met één slok dronk ik mijn bier op om de keel te smeren. ‘Dat vroeg ik me ook af,’ zei ik terwijl Rakt een nieuw rondje bestelde. ‘Maar de woorden raakten vergeten. Ik leerde Annibel kennen en raakte verwikkeld in het uitgaansleven.’
‘Een verloren jaar.’
‘Zoiets,’ beaamde ik. ‘Hoe dan ook, zoals je schijnbaar weet – ook al zou ik bij hemel niet kunnen verzinnen hoe je dat zou weten – raakte de relatie op een dood spoor en dook ik in de opleiding om Leermeester te worden. En wel in astronomie en sterrenkunde.’
‘Oei,’ riep Rakt en hij leunde achterover om het serveerstertje plaats te geven de drankjes neer te zetten. Net voordat ze wilde omdraaien keek ze me met een verbaasde blik aan. ‘Hé, jou ken ik,’ riep ze met een hoge piepstem. ‘Ik meende het net al te zien, maar ja, je ziet ook zoveel mensen dat je niet alle gezichten kunt herinneren. Jij was die saaie vent die met Annibel ging?’
Ik knikte iets wat verlegen maar zei niets.
‘Zeg Rakt,’ piepte ze, ‘dit was wel de laatste figuur die ik in jouw gezelschap had verwacht, zeker na die affaire.’
Rakt stak zijn hand sussend op en sommeerde haar weg te gaan. ‘Hop Susan,’ zei hij. ‘Heb jij niet wat werk te doen?’
‘Zeikerd,’ mompelde ze en verdween.
‘Over welke affaire heeft ze het?’ vroeg ik nieuwsgierig.
‘Een kleinigheidje. Let er maar niet op. Dus jij waagde jezelf in het wetenschappelijk gebied dat niemand meer praktiseert.’
Ik grinnikte. ‘Dat is wel op zijn minst gezegd.’
‘Hoe heb je dat voor elkaar gekregen. De toestemming, bedoel ik.’
‘Een goed omschreven motivatie was voldoende,’ zei ik trots. ‘Als je het zo inkleed dat de onderzoekrichting ten goede van ons reisdoel komt is bijna alles toegestaan. In ieder geval, zo kwam ik op het spoor van enkele belangrijke natuurkundige wetten en formules. Om een lang verhaal kort te maken, ik ontdekte dat mijn bevindingen niet met de werkelijkheid overeen kwamen. Ten minste, wat we denken dat de werkelijkheid is.’
‘Interessant,’ mompelde Rakt. Hij had aandachtig zitten luisteren terwijl hij met zijn glas speelde. ‘Wat zou de werkelijkheid volgens jou dan moeten zijn?’
Even twijfelde ik maar zag niet in waarom ik het niet zou vertellen. Dit was een vuurtje dat direct zou doven, òf alles in vuur en vlam zou zetten. Ik besloot de gok te wagen. ‘Volgens de schoolboekjes reizen we met de snelheid van het licht in de richting van Andromeda,’ antwoordde ik. ‘We zijn onze Melkweg uit gevlucht, met de dood op onze hielen. Twintig generaties moet het nu nog duren voordat we er zijn en we de Hemelpoort betreden. Onder ons is het donker aangezien de vernietigingsgolf alles op haar pad desintegreert.’
‘Ik ken de theorie,’ bromde Rakt afwachtend. ‘Maar wat denk jij?’
‘Dat we maar met de helft van de lichtsnelheid reizen. Om precies te zijn 153.322,4321 kilometer per seconde.’
Rakt floot van verbazing. ‘En dat weet jij zo uit je blote hoofd?’
‘Dat getal zal me tot het einde van mijn leven bij me blijven. Maar dat is niet alles. Met hetzelfde natuurkundig principe wist ik de afstand tot Andromeda te meten en nu mag jij me vertellen wat die afstand is. Nee? Meer dan twee miljoen lichtjaar. Dat betekent dat we er met de huidige snelheid niet twintig generaties over zullen doen, maar nog bijna honderdvijftig duizend generaties.’

Het bleef even stil aan de tafel. De muziek golfde om ons heen, luid genoeg om de naastliggende tafelgesprekken niet te horen, zacht genoeg om een gesprek gaande te houden zonder te hoeven schreeuwen. Maar nu was er geen dempingsveld om de tafel nodig. Rakt staarde nadenkend naar zijn wijn. Ik had mijn zegje gedaan, meer zelfs dan ik van plan was geweest. Het had me opgelucht, alsof dit gesprek een gewicht van mijn schouders genomen had. En nu was het zijn beurt.
Eindelijk, na een eeuwigheid, liet Rakt een lange zucht. ‘Jij denkt dat dit een geheim is dat het Syndicaat verbergd?’ vroeg hij zachtjes. ‘Met wat voor doel? Ik zie het nut er niet van in, Uther. Je weet dat ik dol ben op dergelijke verhalen en theorieën, maar waarom juist zoiets? Wat zou de winst daaruit zijn?’
‘Dat vraag ik me ook af,’ antwoordde ik. ‘Toen kwam het raadsel van Iris om de hoek kijken: De waarheid is een leugen.’
‘Aannemelijk,’ mompelde Rakt.
‘De leugen is een dwangmiddel.’
‘Onderdrukking,’ antwoordde Rakt.
‘Het dwangmiddel is de sleutel tot de werkelijke macht.’
‘Duidelijk. Wie de waarheid kent heeft de macht. Dat zou jou dan nu heel machtig en gevaarlijk maken.’
Ik knikte slechts, hoewel die gedachte me angst aanjoeg. ‘De macht bestaat uit de waarheid.’
‘Dat is precies wat ik zei. Is er meer?’
‘Ja, de laatste: Voorbij de Zijkant stralen de sterren.’
Rakt wreef zich eens over zijn hoofd. ‘Mij lijkt het dat als je weet dat er sterren voorbij de Zijkant stralen, je de macht in handen hebt omdat het de waarheid is. Alleen snap ik dat niet.’
Nu was het mij beurt. ‘Wat zie je onder ons?’
‘Duisternis. De sterren zijn opgeslokte door het…’ Rakt zweeg met een frons op zijn gezicht. Ik zag het besef bij hem groeien en toen keek hij me verbaasd aan.’
Het was de eerste keer in mijn leven dat ik Rakt op deze manier tot zwijgen had kunnen brengen en het voelde heerlijk. Het was een overwinning. ‘Leermeester Valentia wist het zo mooi te zeggen,’ zei ik glimlachend. ‘Hij vertelde me dat ik het moest vergeten. Als we met die snelheid zouden vliegen was ik er niet meer om deze foutieve berekeningen te maken, zei hij. Maar stel dat ik gelijk heb, dan betekent het dat er geen vernietigingsgolf is. Anders zouden we tenslotte niet meer bestaan, dan had die ons al lang ingehaald. Daarom wilde ik naar de Zijkant, Rakt. Daarom wilde ik voorbij de Zijkant kijken, om te zien of er sterren zijn.’
Rakt zei maar drie woorden. ‘Ik help je.’

Ons gesprek zette zich voort waarin ik mijn tocht naar de Zijkant beschreef. Rakt hoorde het geamuseerd aan en liet zo nu en dan een compliment horen. Hij had geen verklaring over wat er na mijn val gebeurd was, alleen dat het onwaarschijnlijk was dat ik van dat plateau geduwd was. ‘Ik kan je dit vertellen,’ zei hij. ‘Ze hebben je verwondingen verzorgd en pas teruggestuurd nadat je genezen bent. Daarom ben je die week kwijt geraakt. De Clans zijn alles behalve gewelddadig, het enige wat ze niet willen is contact met de stedelingen. Ik geloof dat daar ook het probleem lag met Iris. Het is duidelijk dat ze hier nooit had mogen komen.’
‘Misschien,’ antwoordde ik maar ging er verder niet op in. Ik probeerde het gesprek in de richting van zijn voornemen te sturen. Rakt wilde echter niets meer los laten en zei dat hij binnenkort contact met me zou opnemen. Ik moest elk moment van de dag klaar zijn om te vertrekken. Het zou onverwacht komen. ‘Ik moet enkele dingen regelen en die kosten tijd,’ zei hij geheimzinnig en ik geloofde hem.
Het was al druk geworden toen ik de ‘Flamingo’ verliet. Rakt bleef langer en zei er bijna terloops bij dat het beter was als ik vertrok. Vlak bij de deur bleef ik echter staan en keek naar de plaats waar hij zat, verborgen in een hoek, hoog boven de dansvloer. De serveerster was weer bij zijn tafel en Rakt gebaarde wild. Het leek wel alsof hij ruzie maakte. Toen zag ik Annibel. Ze liep naar het tafeltje, duwde duidelijk zichtbaar het serveerstertje opzij, leunde voorover en kuste Rakt lang en intens.
Ik draaide me om en vluchtte de ‘Flamingo’ uit.

3

Door het gesprek met Rakt was er een gespannen stemming ontstaan. In de dagen die volgden keek ik halsreikend uit naar het moment dat hij zou verschijnen om me naar de Zijkant mee te nemen. Maar de dagen kwamen en vertrokken, zonder dat er iets noemenswaardig gebeurde. Het was een anticlimax waardoor ik in een sombere stemming raakte. Leermeester Valentia merkte het ook en zag mijn gebrek aan enthousiasme bezorgd aan. ‘Met die houding kom je er niet,’ zei hij goedbedoeld, en ik besefte dat maar al te goed. Desondanks snauwde ik hem af waarop hij zijn schouders ophaalde en me de rug toe keerde. Ik begreep dat wat er allemaal gebeurd was een zwaardere stempel op me had achtergelaten dan ik had willen beseffen.
Na één week speelde ik met het idee om naar de ‘Flamingo’ te gaan om Rakt op te zoeken. Maar het beeld van Annibel die hem kuste vulde me met weerzin waarop ik het idee al snel liet varen. Langzaam raakte ik geobsedeerd door Annibel en Rakt tot ik me begon af te vragen hoe lang ze al samen waren. Ik was op een punt aangeland dat ik overal iets achter begon te zoeken.
Vlak voordat we uit elkaar waren gegaan was het vermoeden gerezen dat ze iemand anders aan de haak had geslagen. De serveerster die me herkend had, had gesproken over een affaire. Op zich losstaande dingen, maar wel dingen die in één adem gesproken waren.
Langzaam groeide een afkeer tegen Rakt, zozeer zelfs dat ik me afvroeg of ik hem wel wilde vertrouwen. Hij had beloofd dat hij me naar de Zijkant zou brengen. Maar nu, drie weken later, had ik nog steeds niets van hem gehoord. En misschien was dat maar goed ook. Misschien kon ik de hele affaire maar beter uit mijn hoofd zetten. Leermeester Valentia had het bij het rechte eind gehad door me te waarschuwen voor die antieke literatuur en wetenschap. Er kwam niets goeds van.
Ik sprak met niemand over mijn twijfels en probeerde het ten slotte uit mijn gedachten te zetten. In de ochtend stond ik op, ging naar de universatoren waar ik mijn lessen kreeg, maakte mijn opdrachten naar behoren en leerde wat ik moest kennen, nam mijn Halfuurtje en ging tegen de avond weer naar huis. Het gaf me geen bevredigend gevoel, maar het hield mijn gedachten af van andere dingen. Ik waakte ervoor om ook maar één keer naar de Zijkant te kijken.

Het was in de vijfde week na mijn terugkeer toen Leermeester Valentia me apart nam. ‘Ik maak me bezorgd om je,’ zei hij, en zijn stem klonk werkelijk bezorgd.
‘Doe ik mijn werk niet goed?’ vroeg ik hem.
Valentia schudde zijn hoofd en vouwde zijn handen onder zijn kin. ‘Je werk is naar behoren. Je kwijt je goed van je taken en neemt de leerstof goed in je op. Maar je doet het zonder enige overtuiging. Meester Uther, er drukt iets op je hart dat een sombere en levenloze uitstraling teweeg brengt. Het doet me bijna geloven dat je geen plezier in het leven vindt.’
Ik produceerde een krampachtig glimlachje en probeerde me te ontspannen. ‘Ik ben tevreden met mijn leven,’ zei ik zonder veel overtuiging.
‘Je liegt,’ fluisterde Leermeester Valentia. ‘Er is meer aan de hand.’
‘Dat klopt,’ zei ik. ‘Maar ik probeer het te vergeten.’
Leermeester Valentia liet zich in zijn stoel zakken en schudde zijn hoofd onder het slaken van een overdreven luidruchtige zucht. ‘Als er iets dwars zit moet je juist je hart luchten. Dan raak je het kwijt, dan kun je het achter je laten. Vergeten. Dus, vertel op. Wat zit er je dwars?’
Maar ik zweeg. Ik liet niets los en beantwoordde zijn vragen ontwijkend, met een koppigheid die Leermeester Valentia bijna een vijand van me maakte. Tenslotte wierp hij zijn handen in de lucht en joeg me zijn kantoor uit. ‘Je moet het zelf weten,’ riep hij achter me aan, ‘maar als je de status van Leermeester wil bereiken zul je toch toegefelijker moeten zijn. Denk eraan, het zal je bloed, zweet en tranen kosten om met een dergelijke koppigheid gecertificeerd te worden.’
Hij had gelijk. Hij had altijd gelijk, maar ik wilde het niet accepteren. Toch had het gesprek twijfel in me gezaaid en ik stond op het punt alles tegen hem te vertellen toen Rakt naast me op het roltrottoir sprong, twee blokken van de centrumringbaan verwijderd.

4

‘Rakt,’ riep ik ‘Waar ben je al die tijd …’
‘Nu niet,’ blafte Rakt me toe en hij trok me op een zijstrook die naar een glijbaanstation leidde. ‘Geen vragen. Doe wat ik zeg zonder dralen, anders lukt het niet. Ben je klaar?’
Ik knikte, te perplex om iets te zeggen.
‘Mooi. Neem de glijbaan en stap uit op de plaats waar de kubus stopt. Ga niet verder. Duidelijk?’
‘Duidelijk,’ zei ik opgewonden. ‘Is het zover, gaan we…’
‘Geen vragen zeg ik.’ Rakt pakte mijn arm en trok me op een volgende zijstrook. Het glijbaanstation schoot links van ons voorbij. ‘Het glijbaanstation waar wij heen gaan is al een tijd buiten gebruik. Het gaat helemaal tot aan de Zijkant, onder de grond. Denk eraan, uitstappen wanneer de kubus gestopt is en daar wachten.’ Hij sprong met me van het roltrottoir en rende naar een ijzeren trap die naar beneden wentelde en in een leegstaande ruimte op niveau één van een hemeltoren verdween. Daar werd ik een aantal gangen en trappenhuizen door geleid tot we een aardig eind onder niveau nul moesten bevinden. De verlichting was minimaal en het stonk er verschrikkelijk. Ik vroeg me af waar ik was en hoe Hemelstad een dergelijke, smerige kant kon hebben. Veel tijd om erbij na te denken kreeg ik niet. Rakt schoot rennend door een dubbele deur en wees naar een gereedstaande kubus van een vreemde makelarij. Ongeduldig wachtte hij tot ik ingestapt was en sloeg met een klap de deur dicht. Ik kreeg niet eens de kans nog iets te vragen. Meteen zette de kubus zich in beweging en stoof met maximale snelheid vooruit. Dit was zeker meer dan de maximaal toegestane snelheid, dat wist ik zeker.
Waar ik me bevond kon ik met geen mogelijkheid zeggen maar ik kreeg het idee dat dit een onbekende, vergeten en vooral duistere kant van Hemelstad moest zijn. Ik zag slecht verlichte ruimten voorbij schieten. Ze zagen er allemaal vervallen en verlaten uit.
Ik zat met mijn neus tegen de ruit om zoveel mogelijk te kunnen zien. De glijbaan daalde plots scherp waardoor ik me tegen de ruit stootte. Recht voor me doemde een zwart gat op en voordat ik kon reageren dook de kubus erin.
Ik liet mijn adem beverig ontsnappen. Buiten de kubus was nu alles donker. Niet één lamp onthulde de tunnel waar ik doorheen schoot. De binnenverlichting was niet voldoende om meer dan het interieur te verlichten. Een oude, niet meer in gebruik zijnde glijbaan, had Rakt verteld. Dat was me nu inmiddels wel duidelijk geworden; de stinkende gangen en trappen, de verlaten ruimten en de kubus van vreemde makelarij. Dit was een deel van Hemelstad waarvan maar weinig mensen iets vanaf wisten. Ik hoopte maar dat de rit niet zou eindigen een onderbroken stuk.
Tien minuten duurde de duistere vlucht, toen schoot de kubus een klein verlicht glijbaanstation op waar het sissend tot stilstand kwam.

Ik bleef enkele minuten zitten om te bekomen van de rit en stapte toen uit.
Het stationnetje was helemaal leeg. Mijn voetstappen echoden tegen de kale, sombere wanden aan. De tunnel waaruit ik tevoorschijn was gekomen was een donker geheimzinnig gat. Aan de andere zijde gaapte een soortgelijke opening. Ik kon me vergissen maar er leek een lichte tocht uit te komen.
Besluiteloos liep ik naar een bankje en nam plaats. Ik probeerde mijn hart tot bedaren te brengen door een paar keer diep te zuchten terwijl ik dacht aan de chaotische rit. Er was geen enkele reden te bedenken waarom ik op deze manier hierheen gebracht was. Het was nog steeds niet helemaal te bevatten, maar dat waren de voorafgaande weken ook niet.
Hoe meer ik erover nadacht, hoe lachwekkender de situatie werd. Ik wilde naar de Zijkant om naar de sterren te kijken, als er al sterren waren. En dan? Wat ik moest daarna doen? Stel dat er inderdaad sterren te zien waren?
Met een zucht gooide ik mijn hoofd in de nek en staarde naar het egaal grijze plafond waar een wirwar aan leidingen en kanalen zichtbaar waren. Ik wist het niet meer. De hele situatie leek zo zinloos geworden. Bovendien, wie zou mij geloven? Wanneer ik het bekend zou maken zette ik me daarbij waarschijnlijk voor gek. Er lag daar geen eer in te behalen. Misschien had Leermeester Valentia gelijk en kon ik me maar beter bij de veilige leerstof houden in plaats van me inlaten met tegenstrijdige wetenschap.
Overvallen door vermoeidheid wreef ik door mijn gezicht en keek naar de donkere tunnel die volgens Rakt naar de Zijkant leidde. Ik had het tot hier gebracht en zag geen kans om nu terug te krabbelen. Een terugweg zat er niet meer in, al niet vanaf het moment dat ik de bossen aan de Zijkant betreden had.
Het besluit lag vast, ik moest voorbij de Zijkant kijken en dan zou ik teruggaan om mijn normale leven weer op te pikken. Misschien zou ik het tot een achtenswaardige Leermeester schoppen, zoals Leermeester Yipton voor wie ik altijd een grote achting had gehad.

Er waren bijna dertig minuten voorbij gegaan voordat ik de stem van Rakt hoorde. Hij bleek niet alleen te zijn. Zijn stem kwam van een smalle trap die precies in het midden van het station gelegen was, haaks op de glijbaan. Ik stond op en wachtte af. Toen ik de andere stem hoorde spreken kwam het kippenvel op mijn rug te staan.
‘Annibel,’ riep ik toen ze naast Rakt de hal binnen stapte. Verwonderd keek ik hoe ze me met een schaapachtige glimlach aankeek.
‘Hallo Uther. Dat is lang geleden.’
‘Wat doe jij hier…’ Ik zweeg en keek Rakt aan. Nu begreep ik het. ‘Jij… en Rakt.?’
Rakt knikte. ‘Ik wilde het je eigenlijk niet vertellen maar het kan nu niet anders.’
‘Sinds wanneer…?’
Rakt trok een pijnlijk gezicht. ‘Vlak nadat ze je uit de deur gezet had.’
Fronsend keek ik Annibel aan en wilde wat zeggen maar besloot dat het geen zin had. ‘Wat gebeurd is, is gebeurd,’ mompelde ik moeizaam.
‘Inderdaad,’ riep Rakt duidelijk opgelucht en hij nam plaats op het bankje. Hij wachtte tot ik zat. Annibel bleef staan. ‘Je zult wel een hoop vragen hebben,’ zei hij vervolgens. ‘Laat ik eerst het volgende vertellen; de afgelopen weken hebben we je nauwlettend in de gaten gehouden. En wat bleek, precies zoals ik vermoedde werd jij in de gaten gehouden door mensen die we herkenden als leden van een Clan. Jouw ondoordacht tochtje naar de Zijkant heeft een jou bijzonder verdacht gemaakt. Hoewel ik eerlijk gezegd denk dat ze je al in de gaten hielden sinds het vertrek van Iris, jaren geleden.’
‘Waarom?’
‘Is dat niet duidelijk? Iris moet iets geweten hebben, iets waar ze daar ginds als de dood voor zijn. De reden waarom je terug bent gebracht geeft natuurlijk te denken en ik vermoed dat ze niet weten wat Iris toentertijd tegen je gezegd heeft.’
‘Het raadsel,’ zei ik knikkend.
‘Vermoedelijk,’ beaamde Rakt. ‘Dus, ik heb er nog lang over nagedacht en kan alleen maar concluderen dat er meer waarheid achter jouw redenering zit dan ik in eerste instantie verwacht zou hebben. We zijn tenslotte van kinds af aan grootgebracht met het verhaal van de vernietiging van het heelal. Dat was dé reden van de Hemelvlucht.’
‘Dus, als ik het goed begrijp werd ik gevolgd door leden van de Clans. Die chaotische rit hiernaartoe was dus bedoeld om ze af te schudden. En omdat je hier bent neem ik aan dat het gelukt is.’ Mijn blik gleed telkens weer naar Annibel. Ik schraapte mijn keel en dwong mezelf om Rakt weer aan te kijken. ‘Je hebt gezegd dat deze ondergrondse glijbaan helemaal tot aan de Zijkant loopt. Dan moeten de Clans er toch vanaf weten?’
‘Ze denken dat alle glijbanen van en naar de stad onbruikbaar zijn. Het zou me niet eens verbazen als de meeste niet eens van het bestaan op de hoogte zijn. Wij weten dat deze transporttunnels vroeger de gangbare manier vormden om van en naar de Zijkant te reizen. Dagelijks maakten honderden mensen er gebruik van. Toen de Clans zijn ontstaan en ze zich van ons stedelingen afsloten, raakten deze glijbanen in verval. Hoe lang zou dat al geleden zijn, Annibel?’
‘Zeker vijfhonderd jaar. Waarschijnlijk langer.’
‘En nu?’ vroeg ik zachtjes.
Rakt liet een grijns van oor tot oor zien. ‘Nu ga jij met de glijbaan verder naar de Zijkant. Annibel zal zorgen dat je daar komt. Zij weet de weg.’
‘Hoe moet ik dan terug?’ vroeg ik geschrokken, niet in de laatste plaats omdat Annibel me zou brengen.
‘Lopend,’ antwoordde Rakt schouderophalend. ‘Je hebt zelf bewezen dat het te doen is.’ Vervolgens legde hij me uit waar ik op moest letten als ik er eenmaal was. ‘De kans is groot dat je ontdekt wordt. Ik kan niet zeggen wat ze dan met je doen.’
‘Ik dacht dat je me verteld hebt dat ze niet gewelddadig zijn,’ bracht ik hem in herinnering.
‘Dat is ook zo. Maar jij dringt nu hun domein binnen, ongevraagd, als een dief. Zelfs bij de meest tolerante mensen is ergens een grens. Ik denk dat je die zult overschrijden, zeker als ze een geheim van het kaliber bewaken, dat jij nu ontdekt hebt. Of denkt te hebben.’
‘Ben je niet bang dat ik het betaan van deze glijbaan verraad?’
Rakt haalde zijn schouders op. ‘Ik ben me van die mogelijkheid bewust. Het is een ingecalculeerd risico. Je kunt eventueel altijd blijven beweren dat je te voet bent gekomen, net als de laatste keer, maar lang zul je dat bedrog niet vol kunnen houden.’
‘Je doet alsof ik al gevangen ben voordat ik kans krijg voorbij de Zijkant te kijken.’
‘Ik ben alleen maar realistisch,’ antwoordde Rakt met kille stem. ‘We moeten nu niet langer dralen, de tijd dringt.’
We liepen gezamenlijk naar de wachtende kubus en ik kroop achter Annibel door de deuropening. Ik voelde me ongemakkelijk en wist me eigenlijk geen houding aan te meten. Tijdens het gesprek had ik mijn gedachten van haar af kunnen houden, maar nu zou ik een hele tijd alleen met haar zijn. Wat moest ik tegen haar zeggen?
‘De rit duurt ongeveer tien minuten tot een kwartiertje,’ zei Rakt alsof hij mijn gedachten kon raden. ‘Er komen verschillende stationnetjes waar de baan zich splitst. Annibel weet de weg. Wees voorzichtig, Uther. Ik weet niet wat je zult tegenkomen. Probeer het te overleven en heelhuids terug te komen. Ik ben heel benieuwd naar wat je zult vinden.’
‘Ik doe mijn best,’ antwoordde ik minnetjes, niet bepaald gerust gesteld door zijn woorden.
Rakt knikte en sloeg de deur dicht. Annibel kroop achter de besturingsconsole en activeerde de magneetspoelen. Ik keek door het raam en zag het station, waar Rakt een laatste keer zijn hand opstak, achter ons verdwijnen. Ik was eindelijk op weg.

5

Buiten de kubus heerste duisternis. Niets verried de snelheid of richting, ik moest me volledig verlaten op de kennis en bereidwilligheid van Annibel. Ineengedoken op een stoel bekeek ik haar handelingen. Ze was weinig veranderd; haar ogen straalden nog steeds met dezelfde blauwe kleur die me ooit betoverd had, hoewel ik meende dat de glans wat verdwenen was. Haar lange blonde haren droeg ze nog steeds in vier vlechten. Annibel was nooit iemand geweest die van verandering hield.
Nadat we enkele minuten onderweg waren, waarbij het gesuis van de wind het enige geluid was, draaide Annibel zich om en keek me met over elkaar geslagen armen aan. ‘Wie had ooit kunnen denken dat de Uther die ik kende zich zou ontpoppen als een avonturier van weleer,’ zei ze toen de stilte tot een ongemakkelijke lengte was uitgerekt.
‘Als je dat geweten had, had je me dan nog verlaten?’ snauwde ik. Ik zag haar gelaatstrekken verstrakken en kreeg meteen spijt de toon die ik had aangeslagen. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien en dan was dit het eerste dat ik eruit gooide? Ik mompelde een verontschuldiging en zuchtte. ‘Vertel me eens, hoe heb je Rakt leren kennen?’
Annibel begreep welke richting het uitging. ‘Vlak nadat jij me ingeruild had voor het werk. Hij was charmant, galant en al die andere dingen die jij verloren had. Mijn vriendschap met Rakt groeide terwijl de onze een stille dood stierf.’
‘Dus je gooide mij eruit vanwege Rakt.’ Het was een conclusie. Annibel zei niets en ik vervolgde: ‘Hoe ben je hierin verzeild geraakt? Het lijkt me helemaal niets voor jou.’
Met een grijns kwam Annibel tegenover me zitten en maakte het zich gemakkelijk. ‘Hij vertelde me van zijn groepering en het leek me weer eens wat anders. Ik haat het om in een sleur te geraken, zoals je wel zult moeten weten. Dat geheime clubje van hem bood een uitdaging, onecht gevaar, want zelfs de avonden en nachten in de ‘Flamingo’ zijn niet meer echt uitdagend.’ Annibel grinnikte. ‘Ik moet zeggen dat ik me een beetje heb mee laten slepen omdat ik ervan overtuigd ben dat deze taxirit zeker wel wat echt gevaar met zich meebrengt.’
‘Over welke groepering heb je het eigenlijk?’
Annibel keek me met toegeknepen ogen aan. ‘Weet je dat dan niet? Hm, als Rakt het niet uit eigen beweging heeft verteld, denk ik dat ik het ook maar niet moet doen. Hij zal er wel een reden voor hebben.’
‘Waarschijnlijk wel,’ mompelde ik. ‘Dus Rakt kan je bieden wat ik niet te bieden had.’
Grinnikend knikte Annibel en spreidde haar handen uit. ‘Dit is toch heel wat beter dan een saaie kantoorbaan, dag in dag uit?’
‘Maar sta je ook achter zijn ideeën? Of zie je het alleen als een avontuurtje?’
‘Daar laat ik me niet over uit,’ zei Annibel en ze stond op om naar de besturing te kijken. Een minuutje later schoten we een verlichte hal binnen waar de glijbaan zich twee maal splitste. Annibel hield beide keren de linkerbaan aan en voordat ik eenmaal besefte wat er gebeurd was bevonden we ons alweer in de donkere tunnel. ‘Weet je,’ zei ze, ‘toen Rakt gewag van je maakte stond ik zowat met mijn oren te klapperen. Het verbaasde me oprecht dat juist jij die opwindende tocht naar de Zijkant gemaakt had. Dat had ik dus nooit verwacht.’
‘Heeft Rakt het vaak over me gehad?’
Annibel dacht even na. ‘Een paar keer, in het begin. Hij vroeg waarom het fout was gegaan tussen ons en nog een paar andere onbenullige dingen. Maar nu ik eraan denk, hij heeft nooit laten blijken dat jullie elkaar zo goed kennen.’
‘Wist je dat we samen op het VAT gezeten hebben? In dezelfde klas?’
Annibel slaakte een opgewonden gilletje. ‘Dat heeft hij me nooit verteld. Maar daar zal hij wel een goede reden voor hebben.’
‘Je vertrouwt hem onvoorwaardelijk?’
Er verscheen een geheimzinnig lachje op haar gezicht. ‘Doet hij dat mij nu ook niet? En jij, jij bent nu ook overgeleverd aan mij.’
‘Dat is zo,’ beaamde ik en opnieuw schoten we een glijbaanstation op. Ook hier splitste de glijbaan zich en Annibel nam wederom de linkerbaan.
‘Misschien had je moeten vertellen wat je dwars zat,’ zei Annibel zachtjes. ‘Dan had ik meer begrijp kunnen opbrengen.’
‘Denk je dat werkelijk,’ riep ik uit. ‘Annibel, zou je geloofd hebben als ik op een dag thuis was gekomen en had gemeld dat Hemelstad voor niets door het Daarbuiten vliegt? Dat de Clans en het Syndicaat, en wie weet ook wel de Zestien Afgevaardigden, weten dat we Andromeda nooit zullen bereiken. Nog niet in een miljoen jaar?’
Annibel zuchtte. ‘Ik weet het niet Uther. Na zo een lange tijd kan ik daar niet meer objectief over oordelen.’

We zwegen, elk in onze eigen gedachten verzonken. Het was ongelofelijk wat voor een transformatie Annibel had doorgemaakt. Ze zag er dan misschien bijna hetzelfde uit als een jaar geleden, ze was wel degelijk veranderd. Ik hield haar heimelijk in het oog, hoewel ik direct besefte dat ze het heel goed in de gaten had. De vraag kwam in me op of Annibel sowieso bij me gebleven was als ik ongestoord door was gegaan met het uitgaansleven, of dat het slechts een kwestie van tijd zou zijn geweest voordat ik ook tot een sleur zou worden gerekend. Annibel leek me niet iemand die eeuwige trouw zou beloven. Wat dat betreft was ze nu dan aan het juiste adres; ik kon Rakt ook niet in dat straatje van eeuwige trouw passen. En als dit avontuur een sleur dreigde te worden, zou ze wederom vertrekken.

‘We zijn er bijna,’ zei Annibel na een gespannen vijf minuten en ik voelde de kubus snelheid afnemen. ‘Als we er zijn stap jij uit. Ik ga terug.’
‘Wat was de werkelijke reden dat jij mee bent gegaan?’
‘Rakt wil niet dat de kubus hier blijft,’ antwoordde Annibel zonder een spoor van emotie. Haar handen speelden over de bediening en de kubus kwam sissend tot stilstand. Ze draaide zich om en keek me met een vreemde blik aan. ‘Ik heb je altijd gemogen,’ zei ze zachtjes. ‘Ik wil niet dat er iets gebeurd. Daarom sta ik erop dat je dit meeneemt.’
Tot mijn schrik zag ik een klein wapen in haar handen liggen. Klein genoeg om te verbergen, dodelijk genoeg om me te kunnen verdedigen. ‘Is dit een idee van Rakt?’ vroeg ik haar.
Annibel schudde haar hoofd. ‘Het is mijn idee. Hier, neem aan.’
Onzeker pakte ik het wapen van haar aan. Het was een klein handwapen dat prettig in de hand lag. De kolf was van een flexibel materiaal gemaakt dat zich naar de vorm van mijn hand zette. Maar de loop zag er dreigend uit, klaar om haar dodelijke lading in de richting van het slachtoffer te jagen. Het gewicht was precies goed. Dit ding moest door een vakman gemaakt zijn. ‘Ik dacht dat er geen wapens in Hemelstad waren,’ zei ik, hoewel ik goed wist dat er eenvoudige wapens in omloop waren.
Annibel glimlachte. ‘Faustino heeft dit vuistvuurwapen voor mij gemaakt. Het was een verjaardagscadeau.’
‘Faustino,’ riep ik verbaasd. ‘Die zat ook bij ons in de klas.’ Zijn er nog meer die van de groepering van Rakt lid zijn?’
‘Een groot aantal van de oude school, heeft Rakt me ooit verteld. Vooruit, steek dat ding op een plaats waar je er gemakkelijk bij kunt, maar waar het niet opvalt.’ Ze keek me nog even aan en boog zich toen in één vloeiende beweging naar voren en kuste me op de wang. Toen duwde ze me door de open deur. ‘Succes,’ riep ze. ‘Ik hoop dat je erin slaagt. Echt waar.’
Overrompeld en machteloos keek ik hoe ze de deur dicht trok en de kubus weer de donkere tunnel in stuurde. Het geluid van de voorsnellende kubus was bijna direct verdwenen waarop een drukkende stilte over het station neerdaalde. Somber gestemd keek ik om me heen en zag dat het uitgestorven was. Kale muren en doffe banken domineerden deze plaats. Het was de sfeer die hier hing die mijn gemoedsrust op de proef stelde. Ik voelde me onwerkelijk, als in een droom. Ik was op de Zijkant maar het voelde niet als werkelijkheid. Ik keek naar het wapen dat ik nog steeds wezenloos in de hand hield en stak het ten slotte achter de broekriem.

6

‘Je komt in het eindstation van deze glijbaan,’ had Rakt gezegd. ‘Als alles goed is, en dat zal waarschijnlijk wel, is het station verlaten. Je moet helemaal naar achteren lopen waar een deel van het plafond los ligt. Er ligt rommel voor de deur. Laat alles liggen en open die deur niet. Probeer het niet eens. Je moet de serviceruimte boven het plafond benutten om aan de andere kant van de deur te komen.’ Volgens Rakt zat er nog een alarm op die deur, hoewel hij er niet zeker van was dat het nog werkte. ‘Er zijn eeuwen voorbij gegaan en niemand kijkt er ooit naar. Maar je moet geen risico lopen.’
Wat Rakt me allemaal uitgelegd had strookte niet met het beeld dat ik van de Clans had; het waren dé technici die voor de motoren van Hemelstad zorg droegen. Ik had dus verwacht dan ze alles tot in de puntjes in orde zouden hebben, en dat ze geen enkele steek lieten vallen. De woorden van Rakt spraken echter boekdelen en wekte tegelijkertijd grote zorgen op. Als de Clans niet eens voor dergelijke kleine dingen zorg droegen, hoe kon je ze dan vertrouwen met betrekking tot het onderhoud van de motoren die Hemelstad voort stuwden? Van de andere kant, was het werkelijk noodzakelijk dat we nog steeds op de vlucht waren?
Ik zette mijn vooroordeel opzij en liep naar achteren waar ik me een weg naar buiten zou moeten banen. Het wapen in mijn broekriem voelde onwennig en zwaar. Ik betwijfelde of ik het zou durven gebruiken, zelfs als de nood aan de man kwam.

Het station was een schoolvoorbeeld van gebrekkig onderhoud. Overal lag rommel en verschillende wandpanelen waren verwijderd of gewoon verdwenen. Kabels en printplaten lagen open en bloot en op sommige plaatsen ontbraken die zelfs. Achterin waren grote delen van het plafond los gemaakt en verwijderd waardoor een serviceruimte zichtbaar werd. De losse panelen lagen her en der over de vloer verspreid en blokkeerden de deuren.
Ik keek rond en zag een kleine metalen krat staan. Met enige moeite sleepte ik het ding tot onder de plaats waar ik in de serviceruimte wilde kruipen. De kist woog meer dan ik voorzien had en het kostte me veel inspanning. Tot twee keer toe gleed het wapen uit mijn broekriem waarna ik het in mijn binnenzak stak. Maar ten slotte lukte het en ik kroop op de smalle loopbrug die aan dunne bevestigingstrippen was opgehangen. Rondom mij hingen dikke leidingen en kanalen waar, als ik mijn oor er tegenaan legde, de lucht hoorbaar doorheen stroomde. Deze leidingen liepen helemaal tot de stad, had Rakt me verteld. Maar waar ze precies voor dienden kon ik met geen mogelijkheid raden. Het leek me sterk dat deze leidingen voor de luchthuishouding van Hemelstad verantwoordelijk waren. Dit was het domein van de Clans die wél de kennis van dit soort zaken hadden en daarmee in feite Hemelstad regeerden.
Rakt had duidelijk gezegd deze technische ruimte niet verder te benutten dan noodzakelijk. ‘Je komt in de problemen als je daar boven blijft, ook al lijkt het dé manier om ongezien bij de hangar te komen.’ En inderdaad, het lokte me, het schreeuwde: hierheen, dit is de weg naar alle antwoorden.
Met de waarschuwing van Rakt in gedachten negeerde ik de verlokkelijke roep en liet me aan de andere kant van de deur neerzakken. Ook hier lag rommel, gedeeltelijk tegen de deur opgestapeld, dus het had ook geen zin gehad om de deuren te proberen.
‘Als je eenmaal binnen bent, volg je de gang en neem de een na laatste deur aan de rechterkant,’ echode de uitleg nog in mijn hoofd. ‘Je komt dan in een trappenhal waar je vier verdiepingen naar boven moet. Neem de lift niet, want dan hebben ze je zo te pakken.’
‘Je doet het voorkomen alsof er niemand zal zijn,’ had ik hoopvol gezegd, maar Rakt boorde die hoop direct de grond in. ‘Waarschijnlijk is het heel druk. Ik weet niet hoe je dat moet doen, maar ik denk dat inmenging het beste resultaat zal brengen. Vergeet niet, ze verwachten je niet dus zullen ze je niet snel verdenken. Doe zo normaal mogelijk, zeg ik altijd. Elke andere houding valt direct op vanwege de krampachtigheid daarvan. Een getraind oog ziet dat direct.’
De vooruitzichten waren dus niet zo bijster goed maar ik had geen andere keuze.
Ik volgde de aanwijzingen van Rakt op en liep door de deur waar een smalle wenteltrap naar boven leidde. Boven aangekomen belandde ik in een donkere gang die in een geleidelijke boog naar rechts maakte. De paar lampen die er brandden onthulden enkele gesloten deuren die ik zo snel mogelijk voorbij liep.
De gang werd geleidelijk meer verlicht. Ik kreeg het gevoel dat ik in de bewoonde wereld geraakte. Een korte trap leidde naar een hoger niveau waar ik in een ronde vestibule belandde van ongeveer zes meter doorsnede. Ik keek naar de verzonken sociale ruimten aan weerszijden die voorzien waren van een achtkantige tafel en gestoffeerde banken rondom. Een matte bol hing op ongeveer een halve meter boven die tafels, gehangen aan een dun koord. Er kwamen zeven gangen op de vestibule uit. Zorgvuldig telde ik drie gangen tegen de richting van de klok in. Dat was de gang die ik moest hebben.
Vijf minuten verstreken terwijl ik zo geruisloos mogelijk door de gang sloop. ‘Als je eenmaal daar bent, bevindt je je in de Zijkant,’ had Rakt gezegd. Hier had ik een grote kans iemand aan te treffen.
Het geluk zat me echter mee en ik kwam niemand tegen. Eén keer hoorde ik achter me een deur in het slot vallen, maar de stemmen die erop volgden leken eerder van me af te bewegen dan andersom. Ik voelde me gespannen, angstig, maar ik belandde zonder noemenswaardige tegenval op een T-splitsing waar zich een dubbele deur recht tegenover de gang bevond. Die moest ik hebben. Links en rechts strekte de gang zich uit tot ze uit het zicht verdween. Een koud wit licht kwam uit buislampen die over de volledige lengte van de gang aan het plafond bevestigd waren. Er was verder niets te zien; geen deur, geen paneel, niet één enkele versiering of aankleding. De hele omgeving deed koud en onpersoonlijk aan, wat me de rillingen op mijn rug gaf. Er hing hier een diep gerommel dat eerder voelbaar was dan hoorbaar. Het gonzende geluid vulde de gang zodat ik geen idee had waar het vandaan kwam. Ik voelde me ongemakkelijk en bedacht me dat het beter was geweest als ik iemand gezien had. Dan had ik ten minste het gevoel gehad dat ik me in een wereld met levende wezens had bevonden. Nu leek het een scène uit een nachtmerrie, een gang zonder eind.
Met moeite wist ik me te vermannen en zette een stap naar de deuren die recht voor me bevonden. Als het waar was wat Rakt me verteld had, zou daarachter een grote bedrijvigheid heersen. Ik moest me er doorheen bluffen, maar ik betwijfelde nu of het wel zou lukken.
Zonder waarschuwing schoven de deuren automatisch open, reagerend op mijn nabijheid. Ik werd direct overdonderd door het gonzende geluid dat meerdere malen in sterkte was toegenomen. Hier ergens lag dus de oorsprong.
Voor me opende zich een tafereel dat ik zelfs in mijn stoutste dromen niet had kunnen voorstellen. Er stonden twee enorme luchtschepen waarvan ik direct door had dat ze voor verplaatsing in het Daarbuiten dienden. Ze hadden een lompe vorm, bijna sigaarvormig maar met uitsteeksels op de meest vreemde plaatsen. Ze waren dofrood van kleur, verweerd, waardoor ze oud en versleten leken. Ik zag raampjes en luiken, waarvan er sommigen open stonden.
Ik sloot mijn mond en verborg mijn verbazing. Er waren zo op het eerste oog een tiental mensen aanwezig, en misschien meer buiten mijn gezichtsveld. Sommigen waren aan het werk, anderen stonden met elkaar te praten. Eén keek even om, maar negeerde me vervolgens volkomen. Dat sterkte mijn zelfvertrouwen, én het vertrouwen in de bewering van Rakt dat ik me er wel doorheen kon bluffen. Op ruim honderd meter afstand zag ik de enorme opening waar doorheen ik de sterren moest zien… of niet. Honderd meter, maar het voelde aan als honderd kilometer. Ik rechte mijn schouders en begon te lopen, eerst nog wat onzeker, maar allengs zekerder en met meer zelfvertrouwen.

Het was opvallend dat niemand de grote sigaarvormige schepen, waarvan ik de indruk kreeg dat ze wel duizend mensen zouden kunnen bevatten, ook maar één blik waardig achtten. Ik had verwacht dat er aan die schepen gewerkt zou moeten worden, gezien de staat waarin ze leken te verkeren. Wie liet op Hemelstad zo iets waardevols als dit verwaarlozen? De woorden van Leermeester Yipton schoten door mijn hoofd: “Tenzij iemand moedwillig dingen gaat veranderen of vernietigen kunnen we Andromeda bereiken.” Als je van iemand het juist niet zou verwachten dat ze dingen verwaarloosden, dan waren het wel de leden van de Clans. Ik bedacht me dat het in bedrijf houden van de motoren misschien zoveel werk kostte, dat deze schepen wel verwaarloosd moesten worden, maar de gedachte was niet erg overtuigend.
Ik slikte krampachtig en probeerde mijn gedachten bij mijn opgelegde taak te houden. Rakt had me op het hart gedrukt om direct, zonder dralen de oversteek van de hangar te maken, voordat iemand achterdochtig werd. Overal stonden machines waar ik de werking niet eens van kon raden. Daar tussenin stonden de meest onwaarschijnlijke dingen, gebruiksvoorwerpen uit het dagelijkse leven; een karretje, metalen kisten, een kast die open stond en waarin ik gereedschap zag hangen, een verplaatsbare computerterminal waarvan het blauwe scherm het bedieningsbord spookachtig verlichtte. Kabels lagen over de vloer, zonder enig patroon of regelmaat. Het deed slordig aan, rommelig en bovendien vuil. Het gaf me een onbehaaglijk gevoel.
Langzaam versnelde ik mijn pas terwijl ik toch zo nonchalant mogelijk probeerde te lopen. Vanuit mijn ooghoek zag ik dat mijn aanwezigheid enige verbazing had opgewekt. Sommigen keken me gefronst aan, alsof ze niet goed wisten wat ze ervan moesten denken. Bijna terloops keek ik opzij en recht in de ogen van een man die zijn lippen bedachtzaam tuitte. Voor me doemde de zwarte leegte op, nog vijftig meter. Het was de uitgang van de hangar, schijnbaar onbeschermd, open en bloot naar het daarbuiten.
Zenuwachtig keek ik naar links en naar rechts. Twee mannen, die ik nog niet gezien had, waren van een tafel opgestaan en een paar passen op me af gelopen. In hun ogen kon ik een zekere vijandigheid lezen. Toen knapte er iets in me en zette ik een spurt in. Tegelijk schoten de mannen naar voren, één recht achter me aan, de ander schuin naar voren om me de pas af te snijden. Ze riepen aanwijzingen naar de anderen die aan de geluiden te oordelen ook in achtervolging waren gegaan. Ik maakte een schijnbeweging en koerste in volle vaart naar links. Het verraste mijn belagers maar tegelijkertijd botste ik recht tegen een enorme man aan die om een hoek kwam gelopen. Ik verloor mijn evenwicht maar wist op de been te blijven. De ander had minder geluk en ik hoorde hem vloeken terwijl hij tegen een stapel kisten aan viel. Het kletterende geluid van de vallende kisten echode door de hal heen en vermengde zich met het geluid van de schreeuwende mannen.
Verwilderd zocht ik een uitweg. Ik zag vier anderen uit een deur komen, dreigend en bevelen roepend terwijl ze naar anderen gebaarden. Het was direct duidelijk dat ze me in zouden sluiten en ik begreep dat mijn poging hier zou eindigen, op niet meer dan een dertigtal meter van mijn doel. De rand, de enorme opening achter in de hangar, was niet langer binnen bereik en ik verwenste de dag dat ik voorgenomen had de sterren voorbij de rand te zien.
Glijdend kwam ik tot stilstand toen drie nieuwe belagers voor mij verschenen. Er stonden nu bijna twintig mannen rondom me. Hijgend bekeek ik hun gezichten waar deels vermaak, deels verwondering op te lezen was. Ze hadden me nu volledig ingesloten. Toen dacht ik aan het wapen dat in mijn binnenzak zat en ik haalde het met trillende handen te voorschijn. Onhandig richtte ik het op de mannen, van links naar rechts zwaaiend om zo iedereen onder schot te kunnen houden. Ik zag schrik in hun ogen verschijnen en sommigen deinsden achteruit. Eén man was minder onder de indruk en keek me met toegeknepen ogen aan alsof hij me uit wilde dagen. Anderen probeerden hem tot voorzichtigheid te manen: ‘Hij is het niet waard Kunios, hij kan toch niet meer weg.’
Ik richtte het wapen op deze Kunios. ‘Kom niet dichterbij,’ riep ik met overslaande stem. ‘Achteruit.’
‘Je hebt geen schijn van kans,’ riep Kunios terug. ‘Laat dat wapen zakken.’
Ik schudde wild mijn hoofd. ‘Nee! Achteruit. Ik schiet!’
Er verscheen een grijns op zijn gezicht. ‘Ik denk het niet,’ zei hij uitdagend en zette een stap dichterbij om zijn woorden kracht bij te zetten. ‘Volgens mij heb je niet het lef om de trekker over te halen.’
Het wapen lag zwaar in de hand. Het trilde alsof het een eigen leven had, of was het mijn hand die trilde? Kunios zette nog een stap. Hij lachte maar ik zag dat hij stijf stond van de zenuwen. Toen haalde ik de trekker over en merkte tot mijn schrik dat er niets gebeurde. Eén seconde kroop voorbij, traag als stroop, terwijl bij alle aanwezigen het besef groeide dat het wapen haar dodelijke lading niet zou lossen. Toen doken ze allemaal op me en ik belandde met een smak op de harde vloer met vier mannen bovenop me. Het wapen kletterde op de vloer en ik zag het met lede ogen wegschuiven tot het onder een kar verdween. Ik sloot mijn ogen en gaf me aan hun genade over. Het was afgelopen.

"De wijze heeft twee tongen, de één om de waarheid te zeggen, de ander om te zeggen wat gelegen komt."
Euripides

Act IV – De waarheid

1

Geen enkel moment had ik nagedacht over hoe het op de Zijkant zou zijn, wat ik er zou aantreffen of hoe de bewoners waren. De Zijkant was een plaats die buiten het voorstellingsvermogen lag, een term, een gegeven. De Zijkant bestond, maar was wat dat betreft net zo onwerkelijk als het verre verleden. Misschien dat het enige bewijs voor het bestaan van de Zijkant de jaarlijkse vergadering met het Syndicaat was, waarbij de zestien woordvoerders van de Clans tegenover de Zestien Afgevaardigden kwamen te zitten. Ik rekende snel en kwam tot de conclusie dat het nog maar een week of twee zou duren voordat het weer zover zou zijn. Zou ik dit jaar een puntje op de agenda worden? Was mijn aanwezigheid op de Zijkant voldoende om een klacht neer te leggen en strengere controle op de naleving van regels te eisen? Of zouden de Clans het hele voorval verzwijgen en doen alsof er nooit iets voorgevallen was? Hoe het ook zij, het zag er alles behalve rooskleurig voor me uit.
De kamer waarin ik me bevond was alles behalve spaarzaam gemeubileerd. Enkele luxueuze fauteuils stonden tegen de wand, elk met een glazen tafel ernaast waarop een plant stond. Er stond een lage buffetkast en aan de wanden hingen foto’s van het Daarbuiten waarop kleurrijke vlekken en vele sterren te zien waren, en één tekening van Hemelstad met op de achtergrond een blauwe bal met witte vlekken die een schijngestalte vertoonde. Vlak boven de rand van die blauwwitte bal was een kleinere zichtbaar, volledig grijs, in dezelfde schijngestalte.
De rest van de kamer bevatte een simpele rechthoekige tafel met aan elke zijde een stoel. Op één van die stoelen zat ik, zenuwachtig met mijn vingers op de tafel trommelend en bijtend op mijn lip. Ik bezag de kamer met vluchtige blikken die, op de ene tekening van Hemelstad met de bol na, nergens lang op bleven rusten. De kamer was voorzien van rustgevende kleuren die een tegengestelde invloed op me leken te hebben.
Hoe lang zat ik nu hier? Er was niets om het verloop van tijd aan af te lezen. Ze hadden al mijn persoonlijke spullen afgenomen en me gefouilleerd om ervan zeker te zijn dat ik niet iets verborgen hield. Waar het wapen was dat Annibel aan me gegeven had wist ik niet. Het kon net zo goed nog onder de kar liggen waar het onder terecht gekomen was, hoewel ik dat ten zeerste betwijfelde.
Ik was door de vier mannen, die me in de hangar overrompeld hadden, naar deze kamer gebracht, zonder dat er ook maar één woord gezegd werd. Voor mijn gevoel was dat al uren geleden en nu drong zich een nieuw gevoel op: honger!
Ik sloot mijn ogen en probeerde mijn gedachten te ordenen. Wanhopig probeerde ik het laatste restje hoop vast te grijpen dat me nu aan het verlaten was. Ik richtte mijn blik naar binnen en zag een kubus door een donkere gang schieten. Ik zat erin, en naast me Annibel. Daar, op dat moment had ik ervoor moeten kiezen om terug te gaan. Het was het allemaal niet waard, bleek nu. De sterren had ik niet gezien, als die er ten minste waren, en het leek erop dat ik gestraft ging worden voor mijn ongeoorloofde betreding van de Zijkant.

Een man kwam binnen door de enige deur in het vertrek. Zonder op of om te kijken liep hij naar de tafel en ging tegenover me zitten. De poten van de stoel piepten over de vloer toen hij deze achteruit schoof om plaats te nemen. Hij gooide een pakje papier op tafel dat hij vervolgens zorgvuldig ordende en met de rand op tafel klopte om ze netjes op een rij te krijgen. Even keek hij me vanonder zijn zware wenkbrauwen aan, en ik zag donkerbruine ogen die streng maar rechtvaardig in het licht glinsterden. Hij schraapte zijn keel, keek nog even in de stapel papieren en glimlachte toen vriendelijk. ‘Het heeft langer geduurd dan we verwacht hadden, maar daar ben je dan eindelijk weer, gelukkig zonder kleerscheuren hoewel dat niet veel gescheeld had. Nogmaals, welkom op de Zijkant, meester Uther.’
Gefronst keek ik hem in de ogen. ‘Je doet alsof het allemaal onderdeel van een plan is, dat mijn komst hier voorzien is.’
‘Maar meester Uther,’ riep de man lachend. ‘Denk je werkelijk dat we niet op de hoogte zijn van wat er in de stad gebeurd? Zoals je al geraden hebt voeren wij de werkelijke macht over Hemelstad en we maken er ook geen groot geheim van. We hangen het echter ook niet aan de grote klok. Om antwoord op je vraag te geven, we wisten niet zeker of je wel zou komen, we hoopten het.’
‘Waarom.’
‘Omdat we met jouw hulp in staat zijn geweest een potentieel gevaarlijke groep mensen op te sporen voordat ze té machtig werden. Het is een soort wildgroei die we in een vroeg stadium willen indammen om te voorkomen dat Hemelstad volledig ontregeld wordt en op den duur vernietigd. We leven in een delicaat evenwicht dat niet verstoord mag worden. We zijn er alleen nog niet achter hoe je zo snel hier bent verschenen, en op welke wijze. We waren er nog niet op bedacht, daar ben ik eerlijk in.’
Ik grinnikte. Het was duidelijk dat de Clans niets van het bestaan van de directe glijbaanverbinding afwisten. Ik twijfelde er echter niet aan dat het binnen een niet al te lange tijd bekend zijn. ‘Antwoord je ook eerlijk als ik vraag wat er met die gevaarlijke groep mensen gaat gebeuren?’ vroeg ik. ‘Of met mij?’
De man leunde achterover met de handen over elkaar geslagen. ‘Ik zal eerlijk antwoorden daar waar mogelijk. Wat we met jou gaan doen weten we nog niet. Wat we met de anderen gaan doen is iets dat beter niet ter sprake kan komen. Ik kan wel vertellen dat jouw oude schoolvriend Rakt, en zijn vrouw Annibel, tot op heden spoorloos zijn. Jullie wisten ons behendig af te schudden en sindsdien hebben we taal noch teken van hen vernomen.’
‘Ik weet ook niet waar ze zijn,’ zei ik zachtjes.
De man haalde ongeïnteresseerd zijn schouders op. ‘Het is niet belangrijk. Vroeg of laat vinden we ze. Er is de overweging om opnieuw gebruik te maken van jouw diensten, net zoals de eerste keer. Maar het is te betwijfelen of het wederom zal lukken.’
‘Dat betwijfel ik ook,’ antwoordde ik met een stem die naar ik hoopte geen tegenspraak duldde.
De man keek me vermaakt aan en stond toen op. Hij pakte het pak papier van de tafel en keek de kamer rond alsof hij deze voor het eerst zag. ‘Je bent in een aangename kamer ondergebracht. Wanneer je die schakelaar over haalt krijg je toegang tot een klein maar prettig slaapvertrek met aansluitend een sanitair. Voorlopig moet ik je verzoeken hier te blijven en geen poging tot ontsnapping te wagen. Het zal niet lukken.’
‘Je kunt me hier niet eeuwig houden,’ zei ik uitdagend.
‘Dat is ook niet de bedoeling,’ antwoordde hij met een hoofdknik en liep naar de deur. Daar draaide hij zich nog even om. ‘Voorlopig zul je niet terug naar de stad kunnen. Morgen kom ik terug om te weten te komen wat jij weet.’

Na zijn vertrek bleef ik somber gestemd zitten. De man had me het idee gegeven dat ik geen enkel eigen initiatief had, dat alles geënsceneerd was door anderen.
Ik keek rond en zag dat de kamer inderdaad aangenaam genoemd kon worden. Als de bewoner er tenminste vrijwillig was, en dat kon van mij niet gezegd worden. Intussen spookten de woorden van de man, wiens naam ik niet vernomen had, door mijn hoofd. Langzaam drong het besef door dat hij alleen maar gesproken had over een gevaarlijke groepering in de stad, onder leiding van Rakt. Het leek er dan op dat Rakt in zijn jeugdige voornemens geslaagd was. Ik grinnikte bij de gedachte dat niemand hem vroeger serieus had genomen.
Mijn blik dwaalde naar de foto’s van de nevels en sterren en vroeg me met achterdocht af of deze met een reden hier hingen. Ik was met een reden in deze kamer gevangen gezet en het leek erop dat ik niet eerder vrij zou komen als ze alle informatie uit me gehaald hadden. Hingen die afbeeldingen daar om mij tot een onbedoelde uitspraak te lokken? En zo ja, wat voor nut zou ik vanaf dat punt nog voor hen hebben?
Met een zucht wendde ik mijn blik af en sloot mijn ogen. Ik was moe van alle intriges die zich rondom mij hadden samengepakt en wenste dat ik terug in de stad was, weg van alle ellende die begonnen was met de woorden die Iris me ingefluisterd had.
Ik wilde dat ik haar nooit ontmoet had.

2

De volgende dag verscheen de man weer. Hij stelde zich nu voor als opzichter Tybalt en begon met een vragenvuur dat, zo verzekerde hij, door zou gaan tot hij alle informatie gekregen had die hij wenste te horen. De vragen gingen vooral over de tijd die ik op het VAT had doorgebracht en mijn omgang met Rakt en Faustino. Ik zag geen enkele reden om hem die informatie te onthouden. Hij scheen op de hoogte te zijn van de nevenactiviteiten van de laatst genoemde. ‘Op twintigjarige leeftijd ontwikkelde Faustino een ongezonde interesse in wapenkunde,’ zo vertelde Tybalt. ‘Twee jaar later fabriceerde hij zijn eerste potentiaalwapen maar het ding explodeerde in zijn hand. Faustino gaat nu door het leven met maar twee vingers aan zijn rechterhand. Het wapen dat jij bij je droeg bezat zijn persoonlijke kenmerken.’
‘Annibel heeft het me gegeven,’ zei ik en ik versprak me bijna door het noemen van de glijbaan.

Het was opvallende dat Iris in het gesprek niet één keer werd genoemd. Ik kreeg niet de indruk dat het met opzet was, maar ik probeerde op mijn hoede te blijven. Door die verhoogde waakzaamheid viel me op dat Tybalt een innemende persoonlijkheid had. Hij lachte vaak maar ingetogen en uitte geen enkele wrok of vijandigheid. Tegen het middaguur viel me op hoe ongedwongen het gesprek was geworden en dat ik meer vertelde dan ik me misschien voorgenomen had.
Tybalt gebruikte het middagmaal samen met mij. Ik zag daar de gelegenheid om te vragen wat de rol van de Clans in Hemelstad was. Een poosje bleef Tybalt voor zich uitstaren terwijl hij afwezig op een broodje kauwde. Toen legde het op zijn bord en keek me aan met de handen op de schoot gevouwen. ‘Gisteren vertelde ik je dat wij de volledige macht van Hemelstad in handen hebben. Dat is niet overdreven. De Clans zijn technici van oorsprong, met als taak het in bedrijf houden van Hemelstad. De water- en luchtcirculatie, zuiveringsinstallaties, grondstofverwerking en recycling, om maar een greep te doen. Een deel daarvan is in de stad gevestigd, maar het overgrote deel bevindt zich onder onze voeten. Daarnaast onderhouden we de stroomvoorzieningen en natuurlijk de zestien motoren die Hemelstad door het Daarbuiten bewegen met snelheden die het voorstellingsvermogen te boven gaan. Doordat we ook de mogelijkheid hebben die processen tot op zekere hoogte stil te leggen, hebben we de macht in handen.’
‘Tot zover had ik ook beredeneerd,’ zei ik.
Tybalt vervolgde. ‘We hebben echter geen ambities in de richting van onderdrukking door deze pressiemiddelen. We leven, zoals we noemen, volgens het Apollinische Gedachtegoed . We zien onszelf als de hoeders van de mensheid. Sommigen van ons noemen het gekscherend goden van de mensheid, omdat we de oude goden op Aarde hebben achtergelaten.’ Tybalt grinnikte zachtjes en schudde zijn hoofd. ‘Het is een leuke analogie, dat moet ik toegeven. Kort gezegd komt het erop neer dat we min of meer over leven en dood regeren, maar we prefereren het leven boven de dood. Het is een soort kunstwerk dat we in stand houden.’
‘Ik geloof er niet in,’ mompelde ik.
‘Waarom niet,’ riep Tybalt oprecht verbaasd. ‘We hebben met Hemelstad een nieuwe kans voor de mensheid geschapen. Het is een paradijs. Iets beters kan er niet zijn.’
‘Met het Syndicaat aan de macht. De onderdrukker die koste wat kost in stand wil houden wat het geschapen heeft. Tybalt, dat is geen apollinisme. Dat is een tirannie.’
Tybalt schudde zijn hoofd. ‘Je begrijpt het niet. Een hoger doel kun je niet nastreven. Iets dat perfect is kun je niet verbeteren.’
‘Natuurlijk geloof ik het niet. Je gebruikt mij om een mogelijke tegenstander uit te schakelen. Dat is het begin, Tybalt. Een wereld die jij beschrijft mag dan ideaal lijken, maar het ontbreken van elke vorm van vooruitgang is achteruitgang.’ Ik zweeg en keek de man schuin aan. Hij was in gepeins verzonken. Ik zag hier een kans liggen en besloot deze met beide handen aan te nemen. Het was een troef die ik achter de hand had gehouden en dit leek het juiste moment om deze te spelen. ‘Is het waar,’ vroeg ik zachtjes, ‘dat er voorbij de Zijkant sterren stralen?’
Tybalt keek verschrikt op. Hij opende zijn mond alsof hij wat wilde zeggen maar bedacht zich. Ongemakkelijk schraapte hij zijn keel. ‘Wie beweert dat?’
Ik haalde mijn schouders op, bijna terloops. ‘Ach, het is een gerucht dat ik ooit heb gehoord. Ik bedacht me dat wanneer jij Hemelstad als het ultieme ziet, er een kans bestaat dat je dergelijke dingen zou verzwijgen. Ik vraag me nu af of er meer waarheid achter dat gerucht zit dan je op het eerste oog zou verwachten.’
‘Dat is natuurlijk onzin,’ antwoordde Tybalt.
‘Weten de Zestien Afgevaardigden ervan?’
Tybalt stond op en gooide zijn servet op het bord. ‘Je wordt geplaagd door allerlei fantasieën die op geen enkel feit gebaseerd zijn. Het verhoor is voor vandaag afgelopen. We zullen bekijken hoe we verder moeten gaan.’ Met die woorden draaide hij zich om en verliet de kamer.
Ik bleef nog even zitten, gesierd door een glimlach. Het was duidelijk dat ik een soort overwinning op hem had behaald. Het was iets dat deze Tybalt absoluut niet verwacht had. Zijn reactie op mijn opmerking had hem direct volledig uit balans gebracht. Dat kon maar één ding betekenen; er zat op zijn minst een bron van waarheid achter.
Mijn blik dwaalde af naar de foto’s van sterren die aan de muur hingen. Die schijnbaar onschuldige afbeeldingen hadden na dit onthullende gesprek een nieuwe dimensie gekregen. Ik vroeg me af of het relikwieën van de Aarde waren, of van een recentere datum.

Die nacht kon ik maar moeilijk slapen. Mijn gedachten bleven doormalen en keer op keer zag ik Annibel in de kubus van de glijbaan zitten terwijl Rakt ons met een grimas uitzwaaide. Ik zag het gezicht van de man die me ondervraagd had, waarbij zijn woorden in cirkels rond mijn hoofd vlogen. Het drong tot me door dat ik eindelijk half in slaap gesukkeld was en dat de gedachte aan Tybalt me weer wakker had gemaakt. Maar toen hoorde ik het gesis van een deur en begreep dat er nog een ander geluid was geweest. Ik reikte naar de nachtlamp, knipte het licht aan, en keek verschrikt in de ogen van Iris.

3

Iris zat ongemakkelijk aan tafel. Ze was veranderd, ouder geworden, maar in de ogen zag ik nog steeds dezelfde persoon als jaren geleden. Er zaten rimpeltjes rond haar ogen en mondhoeken. Al met al gaf ze een ongelukkige indruk.
Ik slaagde er niet in een geeuw te onderdrukken en ik wreef over mijn gezicht om de slaap te verdrijven. Ik liep naar het keukentje voor een glas water. ‘Wil je wat drinken?’ vroeg ik haar.
‘Nee dank je,’ antwoordde ze en wachtte tot ik weer zat. Er verscheen een voorzichtige glimlach op haar gezicht. ‘ Ik had niet gedacht je nog ooit te zien. Zeker hier niet.’
‘Dan ben je niet de enige,’ zei ik met een spoor van cynisme. ‘Het lijkt erop dat ik een gevangene ben. En een speelbal in een spel waarvan ik de regels niet ken en waarbij het Syndicaat nu aan zet is.’
‘Ik begrijp de analogie niet.’
‘Laat maar,’ zuchtte ik. ‘Wat doe je hier, Iris? Ben je onderdeel van een lang doordacht plan om alle informatie uit me te melken?’
Iris grinnikte zachtjes. ‘Nee, Uther. Ik ben niet het werktuig van Tybalt. Ik ben niemands werktuig. Al vanaf het moment dat de Clans als aasgieren op mijn erfenis doken heb ik gezworen nooit meer deel te nemen aan die geïdealiseerde ideeën die hier heersen. Ik ben hier om te helpen, Uther.’
Ik nam weer een slok van mijn water en schudde mijn hoofd. ‘Kan ik je vertrouwen?’
Een seconde twijfelde ze maar zei toen volmondig ja.
‘Herinner je het raadsel nog,’ zei ik, ‘dat je me vertelde op de dag dat je opgehaald werd?’
Iris keek me vragend aan. ‘Er staat me iets van bij.’
‘Dat raadsel heeft me hierheen gebracht, Iris.’ Ik zuchtte en staarde naar mijn glas. Toen zei ik: ‘Voorbij de Zijkant stralen de sterren. Dat vertelde je tegen mij.’
Iris knikte en liet haar hoofd hangen. Ze stond op en liep naar de schilderijen aan de wand. Ik volgde haar en keek over haar schouder mee naar de foto’s. Er hing een aangename, bijna betoverende geur om haar heen. Ik moest moeite doen om haar niet in de armen te nemen; een slapend verlangen dat schijnbaar al die jaren aanwezig was geweest en nu in haar nabijheid ontwaakte. ‘Ik heb je gemist,’ fluisterde ik in haar oor.
‘Ooit vertelde je me dat je droomde van wolken,’ fluisterde ze, mijn openbaring volledig negerend. ‘Donzige witte structuren van waterdamp, vervormd tot vreemde figuren door de stromingen van lucht.’
‘Ik heb ze gezien,’ antwoordde ik terwijl mijn gedachten een sprong namen en terug keerden naar het moment dat ik vanaf de Zijkant naar de stad gekeken had. Het leek inmiddels eeuwen geleden. ‘Ze hingen rond de Hemelscheerder op de dag dat ik van een plateau boven het bos ben gegooid.’
‘Gevallen, Uther. Je verloor je evenwicht. Het was Tybalt die jou daar aantrof, én die je probeerde tegen te houden. Maar dat is niet belangrijk. Kijk hier.’ Ze wees naar de tekening van Hemelstad voor de blauwe bol. ‘Dit is een afbeelding van hoe de Aarde er uitzag, nog voor de Hemelvlucht. Het blauwe is water, hele vlaktes vol. Zeeën werden die genoemd. De zon verwarmde die enorme oppervlaktes met water en liet het verdampen. Hoger in de atmosfeer condenseerde die waterdamp en vormde zo de wolken waarvan jij droomt. Kijk Uther, die witte vlekken zijn die wolken.’
Met open mond keek ik naar de afbeelding. Plotseling leken de vage mistslierten rond de Hemelscheerder van geen belang meer. ‘Zijn dat …wolken? Ze zijn zo groot.’
Iris glimlachte. ‘Zo groot waren ze. Uther, dit is de plaats waar alles is begonnen. Het is de plaats die we achter gelaten hebben, voorgoed. Een terugweg is er niet meer, ook al zouden we willen.’
Ik liet teleurgesteld mijn hoofd hangen en liep terug naar mijn stoel waar ik me verslagen in liet vallen. ‘Dus de sterren zijn inderdaad verdwenen?’
Iris keek me even zwijgend aan en trok me overeind. ‘Wil je voorbij de Zijkant kijken? Kom, kleed je aan. Dan gaan we direct.’

Natuurlijk weet iedereen in Hemelstad hoe sterren eruit zien. Daarvoor hoeven we alleen maar naar boven te kijken, door de koepel heen. Maar niemand besteed er nog veel aandacht aan; ze zullen tenslotte allemaal verdwijnen in de vernietigingsgolf die Hemelstad op de hielen zit, dus waarom zouden we er veel aandacht aan besteden? Waar we naar uitkijken is die wazige vlek in het zenit; Andromeda.
Maar als je goed kijkt valt het op hoe er weinig losse sterren er zichtbaar zijn. De paar die we zien zijn gegroepeerd in bolvormige hopen, her en der verspreid. Vlak boven de Zijkant, nog in de gloed van de motoren, neemt de concentratie solitaire sterren toe. Ik heb ze gezien omdat ik ernaar zocht, gedreven door nieuwsgierigheid en de informatie die ik in de oude boeken in de Bibliotheek vond. Leermeester Yipton had ooit gewag gemaakt van de Orion-arm van het sterreneiland de Melkweg. Ik had ontdekt dat we dit eiland van sterren met de naam Melkweg inderdaad verlaten hadden, en dat Andromeda een vergelijkbaar eiland was, héél ver weg en één van de vele. Menig maal had ik gewenst dat Hemelstad een grote telescoop had, zoals erover in de boeken geschreven stond, waarmee je de lichtjaren kon overbruggen en structuren kon zien die met het blote oog verborgen bleven. Het gerucht ging dat er op de Zijkant dergelijke telescopen aanwezig waren, maar niemand interesseerde vrijwel niemand. Waarom zouden ze ook? Er was niets meer om naar te kijken of om te bestuderen; de vernietigingsgolf liet niets over.
Ook ik had dit geaccepteerd, ondanks de verborgen tekenen dat het wel eens heel anders kon zijn. Het beeld dat ik van het Daarbuiten had was een leeg niets met hier en daar een helder lichtpuntje dat een ster moest zijn, vlak voordat het door de vernietigingsgolf opgeslokt werd.

Iris leidde me van de kamer door een labyrint van gangen en trappen. Ik raakte mijn oriëntatie al snel kwijt maar ze wist klaarblijkelijk waar we heen moesten. We liepen in stilte voort, waarbij ze dicht tegen me aan kwam lopen wanneer we iemand zagen. Hoewel ik verwacht had dat we snel gegrepen zouden worden besteedde niemand veel aandacht aan ons. ‘Ze denken dat we een stel zijn,’ fluisterde Iris. ‘Het gebeurt wel vaker dat verliefde stelletjes op dit tijdstip door de gangen lopen wanneer ze van of naar hun geheime ontmoetingsplek gaan.’
De gedachte aan ons als verliefd stel verwarmde mijn hele lijf en ik genoot van het moment. De spanning die me op de tenen deed lopen versterkte het zaligmakende gevoel. ‘Ik meen dat de hangar waar ik gegrepen ben niet zo ver was,’ zei ik ten slotte. ‘Ik kan me niet herinneren dat ik zo ver gelopen had.’
‘We gaan ook niet naar de hangar,’ zei Iris met een glimlach. ‘Je hebt me ooit gevraagd of ik met je naar de Hemelscheerder ging. Waar wij naar toe gaan is het equivalent daarvan, de plaats waar onze verliefde stelletjes naar toe gaan.’
‘Het past dus helemaal in de rol die we spelen,’ mompelde ik, maar Iris reageerde niet op mijn opmerking en leidde me weer een hoek om waardoor we op een soort plein kwamen. Tien gangen kwamen op dit pleintje uit. De meeste waren van het formaat waar we het afgelopen kwartier door gekomen waren. Eén was groter, breder.
‘Op dit uur is er bijna nooit iemand.’ De stem van Iris stem was doortrokken van een soort melancholie en ze kroop dichter tegen me aan. ‘Ze noemen het de Sterrenboulevard. Ik kom hier regelmatig, helemaal alleen, en kijk ik naar wat we achter ons laten. De Sterrenboulevard stemt me droevig omdat ik hier het gevoel heb dat we de verkeerde weg ingeslagen zijn. Maar er is niets dat ik eraan kan doen. Misschien dat jij meer invloed kan uitoefenen op de toekomst die voor ons ligt.’
‘Is het daarom dat je me hierheen brengt?’
Iris keek me aan. Er dwaalde een glimlach over haar lippen. Ze keek weer snel voor zich en leidde me een hoek om. Welke gedachte er ook door mijn hoofd spookte, ze werd verjaagd door het schouwspel dat zich voor mij opende.
Een zachte verlichting onthulde een enorm terras dat misschien wel honderd meter lang was en vijftig meter diep. Grasmatten bedekten trapsgewijs aangelegde plateaus. Er stonden bankjes en tafeltjes over de verschillende plateaus verspreid, zonder enige herkenbare regelmaat. Hier en daar waren wat mensen, knus bij elkaar gezeten op een bankje of gewoon op het gras.
Iris trok me mee naar de rand van het terras waar het Daarbuiten leek te beginnen, zonder enige valbescherming voor een onoplettende bezoeker van deze Sterrenboulevard. Ik deinsde verschrikt achteruit toen ze voorbij de rand stapte. ‘Vertrouw me,’ zei ze zachtjes en toen zag ik dat ze op een glazen vloer stond.
Enigszins onwennig stapte ik in het schijnbare niets. Mijn knieën knikten en ik hield haar stevig vast. Maar mijn angst vervloog als een boze droom toen ik naar beneden keek… en de sterren zag.

Met open mond keek ik naar het uitzicht. Ontelbare sterren schitterden in allerlei kleuren. Van donker violet, via blauw, groen en geel naar oranje en dofrood, chaotisch geordend in een uitgestrekte spiraalvorm die onder mijn voeten door draaide tot in een helverlichte knot met sterren. Donkere stofwolken lagen als een deken over delen van die spiraal, terwijl groepen sterren andere wolken groen, geel en rood lieten oplichten. Het was een wonderbaarlijk ballet, dynamisch doch onveranderlijk gedurende de spanne van een mensenleven. Toen drong het tot me door wat ik werkelijk zag en ik keek Iris met grote ogen aan. ‘Er is geen vernietigingsgolf,’ stammelde ik.
Iris schudde haar hoofd. De blik in haar ogen was gevuld met droefenis. ‘Er is nooit een vernietigingsgolf geweest,’ antwoordde ze en ging in kleermakerszit op het verbazingwekkend heldere glas zitten waardoor het leek alsof ze in het niets zweefde.
Met nog enige schroomvalligheid ging ik naast haar zitten. Hemelstad leek een moment lang verdwenen terwijl we omringd werden door het Daarbuiten, vergezeld door de sterren om ons heen. Het was alsof ik in een droom rondwaarde, zo onwerkelijk kwam het over.
Iris vervolgde met zachte stem: ‘We doen alsof we zo vreedzaam en redelijk zijn met al die mooie woorden over hoeders van de mensheid. Het is een klucht.’ Ze keek me aan en pakte mijn handen vast. ‘Ik zal vertellen wat er is voorgevallen. Vanwege achterstallig onderhoud door mijn Clan explodeerde een reactorkamer. De hele sector raakte besmet met radioactiviteit. Ik was die dag toevallig hier op deze plek en ontsnapte zo aan een dodelijke dosis straling. Iedereen die me dierbaar waren, familie, vrienden en kennissen waren zo goed als dood.’
Iris slikte krampachtig. In het licht van miljoenen sterren zag ik tranen in haar ogen glinsteren. Ik voelde met haar mee en mijn hart kneep samen in mijn borst.
‘Weet je wat het Syndicaat besloot?’ vroeg ze met hese stem. ‘De hele sector werd ontsmet door blootstelling aan het vacuüm van het Daarbuiten. Het was een beslissing die zomaar genomen werd, zonder enig overleg. Ik zag de lichamen in het niets verdwijnen, hier, op deze plek. Ze hadden er helemaal niets tegenin te brengen. En weet je wat het ergste van alles was? Er werd tegelijkertijd ruzie gemaakt over wie zeggenschap over de sector kreeg, alsof ik niet bestond.’
‘Toen besloot je naar de stad te gaan,’ mompelde ik.
Iris grinnikte sarcastisch. ‘Ik dacht dat mijn kansen daar beter lagen. Ik had het mis. Ik geloofde in die apollinische flauwekul maar besefte daar pas wat er werkelijk gaande was, en dat de mensheid, of wat er hier nog van rest, overgeleverd was aan de grillen van een groep profiteurs. Ze bedrogen de stad en haar inwoners, en dat alles onder het mom van het Apollinische Gedachtegoed.’
‘Opzichter Tybalt had het daarover,’ herinnerde ik me.
‘Heeft hij je verteld dat Hemelstad het beste is wat je kunt overkomen?’
Ik knikte. ‘Zoiets. Ik vond het niet erg overtuigend overkomen.’
‘Ze willen de macht houden. Daar geilen ze op. Daarom houden ze de waarheid verborgen want ze weten dat, op het moment dat Hemelstad een planeet aandoet en de mensen de stad verlaten, ze geen enkele macht meer zullen hebben. Daar zijn ze bang voor. Het kan niet langer op deze manier doorgaan. Ik kreeg het vermoeden dat mijn gangen werden nagegaan en besloot even onder te duiken. Ik wilde voor geen geld terug naar de Zijkant. Toen ik besefte dat ik niet voor altijd kon blijven vluchten besloot ik om met de klas van het VAT mee op excursie te gaan. Goed, je weet wat er toen gebeurde.’
Ik zuchtte. ‘En nu zitten we hier, gevangen op de Zijkant. Wat nu?’
‘We moeten terug naar de stad. Wat anders? Over iets meer dan een week is de jaarlijkse vergadering van de Zestien Afgevaardigden en het Syndicaat. Wat is een beter moment dan die dag om de waarheid te vertellen?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Het heeft geen zin. Wie zal ons geloven?’
Er verscheen een geheimzinnige glimlach op Iris’ gezicht. ‘Dan zorgen we voor bewijs.’

4

Het plan was uiterst simpel, maar doeltreffend. Aangezien het Syndicaat de stad afzocht naar Rakt en Annibel zouden ze minder oplettend zijn voor wat er onder hun neus gebeurde. We zouden over de Agrarische Velden vluchten, min of meer de weg die ik enkele weken geleden in tegenovergestelde richting had afgelegd. De gewassen zouden ons verbergen waardoor we ongezien een oogstfabriek konden bereiken, om vervolgens per glijbaan in de stad te komen. ‘Ik weet een tweetal goede schuilplaatsen,’ verzekerde Iris me. ‘In ieder geval kunnen we ons daar verschuilen tot de jaarvergadering plaats vindt.’
‘Ik ben hier gekomen per glijbaan,’ opperde ik behulpzaam. ‘Er is een vergeten verbinding die rechtstreeks naar de stad loopt. Ik denk dat ik de weg naar het station wel kan vinden.’
‘Ik vermoed dat ze die weg al beveiligd hebben,’ wierp Iris tegen. ‘Er zijn inmiddels verscheidene leden van de groep van Rakt gevangen genomen en ondervraagd. Als die ook maar iets los gelaten hebben lopen we recht in een val. We moeten een route kiezen die ogenschijnlijk té voor de hand ligt en meteen vertrekken. We kunnen het ons niet veroorloven tijd te verliezen.’
‘En Tybalt dan? Die komt vandaag weer. Wat gebeurt er als hij me niet in mijn kamer aantreft?’
Iris dacht even na en trok toen een grimas. ‘Je hebt gelijk. Ik moet ervoor zorgen dat hij elders nodig is. Misschien dat ik een idee heb.’
De toon die ze aansloeg deed me de haren te bergen rijzen. ‘Wat ben je van plan?’ vroeg ik angstig.
‘Met gelijke munt terug betalen,’ antwoordde ze geheimzinnig.

De ochtend kwam met een positief vooruitzicht. Ik weet niet of Tybalt het zag maar hij keek me vanuit de deuropening schattend aan. Glimlachend sloot hij de deur en kwam aan tafel zitten. Hij keek de kamer rond en ik begon te twijfelen. Iris was enkele uren geleden al vertrokken waarna ik nog even een paar uurtjes had geslapen. Was er ergens een aanwijzing voor wat er vannacht gebeurd was, of voor wat er te gebeuren stond? Voelde hij de stemming die ik had of kon hij gedachte lezen? Iris had me verzekerd dat deze kamer geen afluisterapparatuur bevatte. Maar natuurlijk kon ze niet alles weten. De Clans rivaliseerden onderling, had Iris me verteld, dus was het onwaarschijnlijk dat er niet van afluisterpraktijken gebruik gemaakt werden.
‘Is er iets?’ vroeg ik zo onschuldig mogelijk.
Tybalt schudde zijn hoofd. ‘Nee, er is niets. Ik wil doorgaan waar we gisteren gestopt zijn. Wil je niet gaan zitten?’ Hij wachtte tot ik plaats had genomen. ‘Gisteren overviel je me met de vraag of er sterren voorbij de Zijkant zichtbaar zijn. Ik wil daar graag antwoord op geven.’
‘Er zijn dus sterren?’ vroeg ik met toegeknepen ogen. Ik was benieuwd wat de man zou gaan zeggen, zeker nu ik de waarheid kende.
‘Ja, er zijn sterren.’ Hij stak snel zijn vinger op toen hij merkte dat ik wilde reageren. ‘Maar… dat zijn enkel sterren die nog niet verzwolgen zijn door de vernietigingsgolf. Beste Uther. Je moet je het volgende voorstellen; dagelijks zien we sterren uitdoven, opgeslokt worden door…’
Op dat moment klonk er een schel alarm dat van alle kanten op me af leek te komen. Tybalt sprong op en vloekte. De stoel kletterde op de grond en hij struikelde er bijna over in zijn haast de kamer te verlaten. Ik bleef achter terwijl het langzaam tot me doordrong dat de man de deur open gelaten had.
Het geluid van het alarm resoneerde in mijn hoofd. Met de handen tegen mijn oren liep ik naar de deuropening en ik keek voorzichtig de gang door. Ik twijfelde. Was dit het werk van Iris? Wat moest ik doen? Verwachtte ze dat ik in de kamer bleef wachten, of moest ik vluchten?
Onzeker beet ik op mijn lip en keek de gang weer door. Er renden enkele mensen in een aangrenzende gang voorbij. Hun paniekerige stemmen overstemden het geluid van het alarm maar ternauwernood. Ik begon te begrijpen dat wat Iris veroorzaakt had bijzonder ernstig was. Oog om oog, tand om tand. Dat kon maar één ding betekenen en de gedachte alleen al verkilde me tot op het bot. ‘Het is niet echt,’ riep ik. ‘Het is niet echt, er is geen vernietigingsgolf onder Hemelstad. We zijn veilig.’ Maar de indoctrinatie die ik van mijn jeugd af had gekregen zat diep; de angst dat Hemelstad ten onder zou gaan bleef door mijn gedachten jagen terwijl ik mezelf bleef zeggen dat er geen gevaar was. In een vlaag van helderheid dacht ik aan veldmeester Gewyn. Hij had me verzekerd dat vijftig procent van de motoren kon uitvallen zonder dat we aan snelheid moesten inboeten. Zou hij gelijk hebben? Zijn gezicht stond me bij als de dag van gisteren voordat het beeld vervaagde in een ondoordringbare mist. ‘Het is niet echt,’ zei ik weer maar mijn woorden klonken hol. Tranen welden op in mijn ogen terwijl de overtuiging groeide dat het afgelopen was.
Iemand trok aan mijn arm. Ik keek en zag Iris staan die twee dingen in mijn handen stopte en gebaarde dat ik die in mijn oren moest doen. Ik reageerde traag, bijna apathisch, maar het lukte. Als bij toverslag zakte het geluidsniveau en mijn gedachten leken wat helderder te worden. Ik knipperde met de ogen en keek met verbazing naar Iris. ‘Heb jij dit…?’ Ik maakte mijn zin niet af. Duizeligheid overviel me en ik moest de tafel grijpen om overeind te blijven.
‘Kom, we moeten weg,’ hoorde ik Iris zeggen en ik probeerde haar zo goed en kwaad als ik kon door de gangen te volgen, waarbij ze regelmatig op haar schreden moest terugkeren om me te helpen.

Veel stond me niet bij van de vlucht door de Zijkant. Gang na gang volgde elkaar op, de een leek nog meer op de ander dan de vorige. Langzaam kwam ik weer bij zinnen toen Iris me een trap af hield en we in een gang terecht kwamen waar het alarm niet loeide. Iris trok de dopjes uit mijn oren en sloeg me eenmaal in mijn gezicht. De waas die voor mijn ogen leek te hangen trok op. Verward keek ik rond. ‘Waar zijn we?’
‘Vlak bij de uitgang,’ antwoordde ze terwijl ze ook twee dopjes uit haar oren haalde en op de grond wierp. ‘We hoeven niet bang te zijn dat ze ons zoeken. Ze hebben hun handen vol. En om alvast antwoord te geven op de vragen die je hebt, de mensen hier zijn getraind om op specifieke wijze op het geluid te reageren. Het gebeurt zonder tussenkomst van de hersenen, waardoor de handelingen doelgerichter en efficiënter zijn. Een ongetraind iemand raakt volledig van de kaart. Dat is wat er met je gebeurde.’
Ik schudde de laatste verwarring van me af. ‘Zijn we ontsnapt?’
Iris glimlachte zenuwachtig. ‘We zijn bijna buiten, als dat is wat je bedoeld. Echt ontsnappen zullen we nooit kunnen. Kom.’
Ik begreep haar woorden maar half en volgde haar door nog meer gangen tot we ten slotte op een deur uitkwamen. Ze opende de deur met een vreemde sleutel en stapte snel naar buiten. Ik volgde haar wat langzamer.
We bevonden ons op een klein plateau dat in de wand verzonken lag, vergelijkbaar met het plateau waar ik zo lang geleden vanaf gevallen was. Ik deinsde achteruit bij de herinnering aan mijn val en bleef met mijn rug tegen de koele wand staan. Iris liep zonder ergens iets van aan te trekken naar de verzonken ladder en daalde af. Ik volgde haar op handen en voeten. Mijn angst om ontdekt te worden was groter dan de angst opnieuw te vallen en krampachtig hield ik de treden vast terwijl ik sport voor sport afdaalde. Eindelijk voelde ik de grond onder mijn voeten en ik liet mijn adem bevend ontsnappen. Ik was nog niet helemaal de oude.
Iris stond ongeduldig te wachten maar ik hield haar tegen toen ze aanstalte maakte naar het bos te rennen. ‘Was dat jouw werk, daarboven? Wat heb je gedaan?’
‘Ik heb de koeling van een reactorkamer uitgeschakeld en de alarmdoormeldingen afgeschakeld. De kern is gesmolten. Ik ben bang dat binnen enkele dagen de hele sector binnen deze muren onbewoonbaar zal worden.’
Ik kreeg kippenvel bij de gedachte aan al die doden die gingen vallen. ‘En de motor?’
‘Die zal het voorlopig niet meer doen,’ antwoordde Iris met kille stem. Ze trok zich met een bruuske beweging los en rende het bos in.
Met een laatste blik op de hoge overhellende wand van de Zijkant, die hoog boven mijn hoofd over ging in de transparante koepel, rende ik haar achterna.

5

‘Onze ontsnapping zal inmiddels ontdekt zijn,’ riep Iris nadat we een tijdje door het bos draafden
Ik bevestigde dat vermoeden en deed er weer het zwijgen toe. De gedachte aan alle doden die vandaag door het toedoen van Iris gevallen waren, stuitte me tegen de borst. Ik was dan wel tegen de praktijken van de Clans, maar ik zag nog geen reden om tot een dergelijk drastische daad over te gaan, die zeker de dood voor velen moest betekenen. Het was simpelweg moord. Ik had er geen ander woord voor. Het ergste van alles was, dat het was uitgevoerd door een jonge vrouw waar ik… Waar ik van wie ik hield!
Alsof ze mijn gedachten las wierp Iris een blik over haar schouder en riep: ‘Ik hoop niet dat je denkt dat ik iedereen in gevaar heb gebracht. Dat is niet zo.’
‘Je hebt mensen vermoord,’ riep ik terug.
‘De motor is niet geëxplodeerd maar uitgevallen,’ antwoordde Iris hijgend terwijl ze door bleef rennen. ‘Iedereen had voldoende tijd om weg te komen voordat de radioactiviteit zich verspreidde. Misschien ben ik nog veel te goed geweest, maar ik kon het niet om mensen te doden die ik ondanks alles toch als mijn vrienden beschouw. Het zijn alleen de leidinggevenden die verantwoordelijk zijn voor de leugens en het bedrog dat Hemelstad in onwetendheid houdt.’
Zwijgend dacht ik erover na terwijl ik achter Iris door het bos rende. Ik voelde de vermoeidheid opkomen waardoor ik mijn evenwicht verloor en met een doffe klap neerkwam. De pijn in mijn been vervloog als sneeuw voor de zon toen ze me overeind hielp en ik haar bitterzoete zweetlucht opving. Er trok een twijfelachtige glimlach over haar gezicht toen ze mijn gezichtsuitdrukking zag, waarna ze zich omdraaide en haar ren voortzette. Ik volgde verbeten terwijl ik tegen mijn vermoeidheid vocht. Iris bewoog zich onverminderd voort met een opvallende gratie en soepelheid die betoverend op me werkte.
Ik wist dat er altijd al gevoelens voor haar waren geweest, al vanaf het moment dat ik haar voor het eerst in de klas gezien had. Die gevoelens voor haar hadden in eerste instantie nog medelijden kunnen zijn vanwege de vele persterijen die ze te verduren had gekregen, maar nu zag ik duidelijk dat het meer was geweest dan dat. Het was een verliefdheid die nooit tot wasdom had kunnen komen.
Maar sinds gisterenavond op de Sterrenboulevard – was het werkelijk pas één nacht geleden? – in het schijnsel van de armen van de Melkweg, was ik voorgoed in de liefde verloren. Zelfs als ze verantwoordelijk was voor dodelijke slachtoffers, die vanwege haar daad zouden vallen, deed dat weinig af aan die gevoelens. Juist daarom kon ik het haar vergeven, mede omdat ik wist dat er een sterke motivatie ten grondslag lag. Het was inderdaad oog om oog, tand om tand, want ik was er inmiddels van overtuigd dat het Syndicaat niet voor geweld terug zou deinzen om de macht in handen te houden. Tybalt had niet voor niets gesuggereerd dat de leden van de groep van Rakt geen prettig vooruitzicht hadden. ‘Wat wordt er gedaan met de mensen die zich tegen het Syndicaat keren?’ riep ik.
‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Iris zonder zich om te draaien of snelheid te minderen. ‘Wellicht dat hen de dood te wachten staat.’
Het bevestigde mijn vermoedens. ‘Is het Syndicaat in staat tot het uitvoeren van de doodstraf?’
Iris stopte met rennen en liep het laatste stuk stapvoets tot we tussen de bomen uitkwamen en over de Agrarische Velden uitkeken. Voor ons wuifde de lange maïsstengels in een zachte bries. Ze wachtte tot ze op adem was gekomen en zei: ‘Ze hebben de doodstraf in het verleden uitgevoerd. Dat is wat ik zeker weet. Nu, met dat Apollinistisch Gedachtegoed, ben ik er niet zeker van. Als ik erover nadenk; ja, ik denk dat ze zich tot die straf zullen wenden om de macht die ze nu hebben veilig te stellen.’
Ik zette die angstaanjagende conclusie snel van me af en keek fronsend naar de maïs die tot een hoogte van bijna vier meter reikte en ons zodoende perfect verborg. Vanuit ons standpunt gezien staken alleen de hoogste hemeltorens van de stad boven de stengels uit. ‘Volgens mij is dit dezelfde weg die ik een paar weken geleden afgelegd heb,’ zei ik nadenkend. ‘Dan kunnen we misschien het beste naar de oogstfabriek van district 6 gaan. Misschien dat we daar veldmeester Gewyn aantreffen. Ik heb het idee dat hij ons wel zal kunnen helpen.’
‘Vertrouw je hem?’
‘Geen idee,’ antwoordde ik naar waarheid. ‘Maar met een beetje geluk kan hij voor ons wel een kubus regelen, zodat we het laatste stuk per glijbaan kunnen afleggen. Vanaf een oogstfabriek is het onopvallender wanneer we op de gangbare manier de stad bereiken.’
Iris knikte. ‘Laten we daar dan maar heen gaan.’

We waren een half uur door de maïs onderweg toen ik de eerste vaag bekende geluiden hoorde. Ik bleef stil staan om me te oriënteren. Iris keek me eerst verbaasd aan maar haar houding veranderde toen ze het geluid ook hoorde. ‘Wat is dat,’ vroeg ze.
‘Het is een oogstmachine,’ zei ik bezorgd. ‘Ik meende aan deze maïs al te zien dat ze klaar is voor de oogst. We moeten oppassen dat we niet in de oogstmachine zelf belanden want dan is het direct afgelopen.’
‘Van wie weet je dat allemaal, dat van die maïs?’
‘Veldmeester Gewyn heeft me dat verteld tijdens de rondleiding in de oogstfabriek. Ik hield hem aan het lijntje, waardoor ik ten slotte ongemerkt kon wegkomen. Kom, we moeten deze richting uit.’
Ik leidde Iris tussen de lange stengels door en zoals ik verwacht had braken we door de maaigrens heen. Nu bleek de informatie die ik tijdens de rondleiding van Gewyn gekregen had van onbetaalbare waarde. Op amper veertig meter afstand zagen we de reusachtige oogstmachine. We keken vrijwel recht in de mond en zagen de scherpe messen heen en weer flitsen. De maïs werd vlak boven de grond afgesneden waarop de stengels in de malende kaken van de machine verdwenen. Wat er daar gebeurde kon ik slechts raden maar de gedachte om daar tussen te belanden vulde me met afgrijzen. Naast de oogstmachine zweefde de vrachter waar kant en klare pakketten op gedeponeerd werden. Alles gebeurde volledig automatisch, wist ik me te herinneren. Het waren robots die volledig autonoom opereerden.
‘Kijk daar,’ riep Iris in paniek en ze wees in de richting van de Zijkant die nu op het open veld goed te zien was. Er vlogen vier vliegmachines in formatie vlak boven de maïs. ‘Ze zoeken ons. We moeten ons verbergen, snel!’
‘We moeten terug de maïs in,’ riep ik met een schuin oog op de oogstmachine.
‘Nee, nee.’ Iris hield me tegen. ‘Dat heeft geen zin. Ze hebben infrarood. De maïs zal ons niet verbergen.’
Opnieuw keek ik naar de oogstcombinatie, maar nu met een geheel andere blik. Dankzij de rondleiding van veldmeester Gewyn, en mijn schijnbaar onbevredigende honger naar informatie om zodoende tijd te rekken, had ik geleerd dat er een servicecabine in deze machines aanwezig was. Het waren dan wel autonoom werkende machines, ze moesten zo nu en dan toch onderhouden worden. Ik trok Iris met me mee en zorgde ervoor tussen de enorme oogstmachine en het laadplatform te komen. Het was niet ongevaarlijk. ‘Er is daarboven een cabine. We moeten erin zien te komen,’ gilde ik boven het geluid uit van de hakkende messen en de machinerie. Ik klom een ladder op en opende een kleine deur die naar een eenpersoonscabine leidde. Met enige onhandigheid wisten we ons samen in de kleine ruimte te persen.

Het was er warm. We stonden dicht tegen elkaar aan en keken door een raampje naar de plaats waar de vliegmachines over kwamen. Iris hield haar adem in toen ze op amper twintig meter overvlogen, maar zoals ik verwacht had produceerde de oogstmachine voldoende hitte om onze lichaamstemperatuur te maskeren.
De vliegmachines vlogen ongestoord verder in de richting van de stad die vanuit onze hoge plaats nu duidelijk zichtbaar was. Ik zuchtte zachtjes bij het aanzicht van de hemeltorens die trots en fier de hoogte in reikten. Het was het thuis van miljoenen mensen, allemaal op weg naar een droom die nooit werkelijkheid zou worden. Dat wist ik nu. Maar de nachtmerrie die ons achtervolgd had was eveneens een illusie. ‘Hoe gaan we de Zestien Afgevaardigden overtuigen van de waarheid,’ fluisterde ik in Iris haar oor, dat op amper enkele centimeters van mijn mond verwijderd was. Ze draaide haar gezicht naar me en ik ontmoette haar blik. Plotseling verdween de wereld om ons heen. Ik voelde haar adem over mijn gezicht spelen, haar lichaam tegen me aan. Haar lippen hingen iets open, verlangend en erotisch. Haar ogen waren diepe poelen vol vuur. Ze was zo mooi, zo... Ik wilde haar kussen, vasthouden. Verlegenheid en angst weerhielden me er echter van aan mijn gevoelens gevolg te geven en even plotseling als het moment was gekomen, was het weer voorbij. De wereld keerde terug en de herrie van de oogstmachine vulde de leegte die tussen ons in ontstaan was. ‘Ik wil hier weg,’ fluisterde Iris met een vreemde intonatie en ze wurmde zich door het deurtje naar buiten.
Met het gevoel een kans gemist te hebben volgde ik haar en overvallen door melancholie liep ik op discrete afstand achter haar aan.

We volgden de maaigrens in de richting van de stad. Verwaaide geluiden bereikten onze oren, geluiden die zo bekend voorkwamen maar onwerkelijk klonken door de afstand en de bedrieglijke rust die over het veld hing. We waren gespitst op meer patrouilles van de Zijkant, maar we zagen geen enkele vliegmachine en na ongeveer veertig minuten liepen we het terrein op van de oogstfabriek waar we opgewacht werden door een korte vadsige man die met de handen over elkaar stond toe te kijken.

‘Het is gevaarlijk om gedurende de oogsttijd tussen de maïs te gaan,’ zei hij met een veelbetekenende grijns op zijn gezicht. ‘Ik zag jullie van een afstand al aan komen lopen. Zoals jullie waarschijnlijk wel weten is het niet toegestaan om de Agrarische Velden te bezoeken zonder vergunning, en het is bovendien gevaarlijk rond de oogsttijd. Jullie jongelui moeten in het vervolg maar gewoon de recreatievelden opzoeken, of de Hemelscheerder waarvan ik gehoord heb dat het dé ontmoetingsplaats voor geliefden is.’
Ik grijnsde schaapachtig en keek vluchtig naar Iris. Ze ontweek mijn blik. Ik wendde me tot de man. ‘Heeft veldmeester Gewyn vandaag dienst?’ vroeg ik.
De man schudde zijn hoofd en stak zijn hand uit. ‘Veldmeester Buys. Aangenaam kennis met u te maken. Gewyn heeft morgen weer dienst. Misschien kan ik u helpen?’
‘Misschien,’ zei ik terwijl ik met een schuin oog de hemel afzocht. ‘We moeten naar de stad. Kunt u een kubus laten komen?’
‘Natuurlijk kan ik dat. Een ogenblik.’ Veldmeester Buys liep zijn kantoor binnen dat aangrenzend aan de fabriek gelegen lag.
‘Kunnen we niet beter lopen,’ zei Iris twijfelend. Het zou me niet verbazen als ze de stations in de gaten houden.
‘We verlaten de glijbaan wanneer we de grens van de stad bereiken,’ zei ik. ‘Dan nemen we de roltrottoirs en zorgen ervoor vaak over te stappen.’
Veldmeester Buys kwam op ons toegelopen. ‘Het is geregeld. Zeg, heeft u gezien dat er weer een motor is uitgevallen?’ Hij wees naar de Zijkant waar op één plaats de gloed was verdwenen. ‘Ik weet het niet,’ mompelde de man hoofdschuddend, ‘maar ik heb het idee dat de Clans téveel bezig zijn met andere dingen dan met het onderhoud van de motoren. Een half uur geleden nog kwamen er maar liefst vier luchtschepen over vliegen. Heeft u ze gezien?’
‘We hebben ze gezien,’ zei ik. ‘Ik krijg de indruk dat u zich zorgen maakt.’
Veldmeester Buys grinnikte. ‘Zorgen? Ja, inderdaad. De Clans doen hun werk niet meer naar behoren en als dat zo doorgaat worden we nog vernietigd.’
‘Er zijn veranderingen op komst,’ zei Iris kil. ‘Goedschiks of kwaadschiks.’
‘U heeft gelijk, juffrouw.’ Veldmeester Buys gebaarde naar het glijbaanstation en we volgden hem terwijl hij zei: ‘We hebben een aankondiging gekregen dat tijdens de jaarvergadering van volgende week een belangrijke mededeling gegeven zal worden door het Syndicaat. Weet u, ik wist niet eens dat die vergadering volgende week gegeven werd? Het is zoals het gezegde: “De jaren vliegen voorbij als de lichtjaren Daarbuiten.”’

De kubus kwam geruisloos aanzweven en stopte met een sissend geluid. ‘Moet ik tegen Gewyn zeggen dat u naar hem gevraagd heb?’ vroeg veldmeester Buys nadat we ingestapt waren.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Dat is niet nodig. Ik dank u voor uw hulp.’
‘Graag gedaan,’ zei de man en sloot de deur. De kubus kwam in beweging en zweefde met een aangename snelheid naar de stad. Iris zat zwijgend naar buiten te kijken. Het voelde aan als déjà-vu en ik tuurde naar de stad terwijl ik met weemoed aan de jaren van mijn jeugd dacht, toen Hemelstad nog een vredige plaats zonder zorgen was.

6

We stapten bij het eerste glijbaanstation uit en namen een roltrottoir dat recht naar het centrum leidde. Niets wees erop dat we achtervolgd werden of in de gaten gehouden. De mensen die hier met ons het roltrottoir deelden gingen op in hun eigen beslommeringen en besteedden totaal geen aandacht aan twee gehavende mensen, wellicht een paartje dat van de recreatievelden kwam. Ik bekeek onze kleren en zag de smerige vlekken die de tocht vanaf de Zijkant had achtergelaten. Mijn broek was juist onder de knie gescheurd, waarschijnlijk door mijn val in het bos, en zat vol met de groene vegen die van de bomenstammen afkomstig waren. Er was nu niets aan te doen.
Naarmate we vorderden en dichter bij het centrum kwamen werd het drukker op de roltrottoiren. We stapten een paar keer over, geheel willekeurig om eventuele achtervolgers af te schudden. Als die denkbeeldige belagers ons eenmaal kwijt waren konden ze ons statistische gezien nooit meer vinden.
Inmiddels waren we in de tweede cirkel beland en ik keek vervuld met herinneringen naar de kleurrijke wereld van het uitgaansgebied. ‘Waar gaan we heen?’ vroeg ik.
‘We moeten hulp hebben,’ antwoordde Iris. ‘Ik wil kijken of ik die groepering van Rakt kan vinden.’
‘Die zijn allemaal opgepakt door het Syndicaat.’
‘Niet per definitie.’ Iris grinnikte. ‘Als dat het geval is, konden ze toch niets voor ons betekenen. We moeten een daadkrachtige groep mensen hebben voor wat ik in gedachte heb.’
‘Mag ik misschien weten wat je precies van plan bent?’
Iris schudde haar hoofd. ‘Jij moet je bezig houden met de komende vergadering. Ze zullen de argumenten van tafel vegen, hoe krachtig ze ook zullen zijn, door ze simpelweg af te doen als verzinsels. Ik zorg wel voor de bewijzen.’
‘Bewijzen kunnen vervalst worden,’ wierp ik tegen.
‘Het bewijs dat ik in gedachte heb niet,’ zei Iris geheimzinnig. ‘Voorlopig moeten we zorgen dat we buiten beeld blijven. We gaan naar de universatoren van het VAT. Ik had met de conciërge een verblijfsruimte geregeld toen ik van de Zijkant gevlucht was. Als die ruimte nog beschikbaar is zijn we daar voorlopig veilig.’
‘Is die man te vertrouwen?’
Iris grinnikte. ‘Het is een vrouw. Darma heet ze en was heel begaan met mijn situatie. Ze is te vertrouwen.’

We braken door de grens van eerste cirkel en de universatorens doemden op. Ze stonden in een cirkel rond de Bibliotheek die het centrum van de stad markeerde. Zestien universatorens waarin de opleidingscentra zich bevonden. Alleen het getrainde oog kon de torens uit elkaar houden. Het gebouw waar wij naar toe bewogen herkende ik onmiskenbaar als de toren waar het VAT gevestigd was.
We betraden het gebouw op de veertiende verdieping. Het roltrottoir minderde snelheid en draaide in een grote spiraal door de centrale schacht van de toren naar beneden. De verdiepingen waar een onaflatende activiteit heerste, die dag en nacht door ging, gleden voorbij. Lang geleden had ik over de balkons gelopen die uitkeken op de schacht met de daarin spiralende roltrottoirs. Het geluid van misschien wel duizenden mensen golfde op en neer, soms versterkt, soms gedoofd wanneer we de buiken en knopen van geluid doorkruisten. Het gebouw leek een levend organisme, een onderdeel van het lichaam dat Hemelstad heette. Ik bedacht me dat de Clans de macht in handen hadden om het voedsel voor dat lijf te onthouden; lucht, water en elektriciteit, maar ik wist nu dat de Zijkant niet onbereikbaar was. Als het ooit zover kwam, als de Clans terug zouden grijpen naar die pressiemiddelen, was ik ervan overtuigd dat de miljoenen inwoners van de stad zich tegen de Zijkant zouden keren. Een voorzichtige hoop groeide in me terwijl ik de bedrijvigheid binnen deze universatoren aan me voorbij zag glijden. Misschien waren we dan toch niet geheel machteloos! Maar de consequenties van een dergelijke opstand zouden misschien wel eens niet te overzien zijn.

We vonden Darma in een klein kantoor op de eerste verdieping. Ze verwelkomde Iris met een hartelijkheid die me enigszins verbaasde. ‘Ach, meid. Wie had ooit kunnen denken dat ik jou nog ooit terug zou zien. Toen je vertrok wist ik dat ik je aangename gezelschap zou missen. Ik heb helaas gelijk gehad.’ Ze hield Iris op armlengte vast en bekeek haar van top tot teen met een intensiteit die op het beschaamde af was. ‘Je bent veranderd, ouder geworden,’ zei ze goedkeurend. ‘Er zit meer vlees rond het bot. Ja, je ziet er gezond uit. En knap! Vertel me eens Iris, wie is niet onaardig uitziende jongeman?’
Met een brede glimlach en stralende ogen stelde Iris me voor. ‘Dit is meester Uther. Hij heeft me van de Zijkant gehaald. We hebben al het een en ander meegemaakt.’
‘Aha. Dit is dus meester Uther. Jongen, ze heeft het vaak over je gehad. Ik begrijp nu wel waarom.’ Ze boog naar Iris met de woorden: ‘Mijn gevoel zegt me dat je hem niet moet loslaten, meid.’
Ik voelde mijn gezicht kleuren en zag tot mijn vermaak dat ook op Iris’ gezicht een blos verscheen. ‘Darma, is die kamer nog vrij?’ vroeg Iris snel. ‘We hebben min of meer een probleem en willen voorlopig uit het zicht blijven.’
‘Zoals vroeger,’ lachte Darma. ‘Die kamer is nog vrij. Ik ben alleen bang dat er maar één bed is. Ik neem aan dat het geen probleem oplevert?’
Iris keek vluchtig naar me. ‘Geen probleem. Ik ben er waarschijnlijk toch niet vaak.’
‘Waar ga je heen,’ vroeg ik geschrokken.
‘Dat heb ik je verteld. Jij houd je bezig met een goed geformuleerd agendapunt voor de jaarvergadering. Misschien dat Darma het agendapunt kan indienen, zonder dat de herkomst daarvan direct getraceerd kan worden.’
‘Dat is geen probleem,’ zei de vrouw.
‘Dat vermoedde ik al,’ zei Iris met een glimlach. ‘Darma weet de weg. Ik zorg ervoor dat ik in contact kom met de groepering van Rakt en het zou me niet verbazen als…’
‘… ik de manier weet,’ zei Darma grijnzend en ze gaf er een vette knipoog achteraan.

Zo begon een lange, saaie week waarin ogenschijnlijk weinig gebeurde en ik de avonden doorbracht in gezelschap van Darma, die een goedlachse en gulle vrouw bleek te zijn. Ze had duidelijk veel plezier in het leven en was deelgenoot van duizend-en-één geheimen die ze zonder schroom met me deelde. Ik uitte mijn twijfels daarover. ‘Geen nood,’ antwoordde de vrouw. ‘Dit zijn oude geheimen. Noem ze maar verjaard. De geheimen die actueel zijn blijven geheimen. Ik bespreek die alleen met degenen die het aangaat.’
‘Maar maak je dan niet ooit de vergissing geheimen te vertellen die wél actueel zijn?’
‘Nooit,’ riep Darma enigszins verontwaardigd. ‘Mijn geheugen is als een fotografische plaat. Het zijn feiten die geordend zijn op een manier die feilloos is en alleen toegankelijk voor mijzelf.’
De dagen bracht ik door met het op een rijtje te zetten van alle vergaarde feiten, en dat bleken er meer te zijn dan ik verwacht had. Ik begon verbanden te zien en wist naarmate het uur van de jaarvergadering naderde een aardig beeld te vormen van wat er gebeurd was. Op mijn vraag wist Darma enkele boeken uit de bibliotheek te krijgen, wat toch niet zo onmogelijk of verboden was als ik altijd gedacht had, en kon ik enkele theorieën die in me opkwamen toetsen. Twee dagen voor de aanvang van de jaarvergadering had ik alles op een rijtje en knoopte de spanning op in mijn maag. De hele week had ik geen enkele glimp opgevangen van Iris en ik maakte me zorgen. Ik moest er niet aan denken dat er iets met haar gebeurd zou zijn.

‘Het is bijna zover,’ zei Darma op de laatste avond. ‘Morgen komt het Syndicaat naar de Hemelscheerder. De stad gonst van de geruchten. Normaal gesproken komt de vergadering en gaat de vergadering zonder noemenswaardige aandacht. Maar nu…’ Darma grinnikte. ‘Ik denk dat het de best bezochte jaarvergadering uit de geschiedenis van Hemelstad zal worden. Het zou grappig zijn als de strenge en overbodige tradities eromheen dit keer fout gingen, in het aanzicht van iedereen.’
‘Dat zal waarschijnlijk niet,’ mompelde ik.
‘Nou, dat weet ik nog niet zo. Als het waar is van wat ik gehoord heb zal alles op de kop gezet worden.’
Ik keek Darma aan. ‘Jij weet meer dan je doet geloven, niet?’
Darma haalde haar schouders op en nam een grote slok van haar thee. ‘Ach, je hoort wel eens wat in mijn positie,’ zei ze nuchter. ‘Hoe het ook zij, vanaf morgen zal niets meer hetzelfde zijn. Dat weet ik zeker.’
‘Ik hoop dat het ook ten goede zal zijn,’ mompelde ik. ‘En dat is waar ik zo bang voor ben.’

7

Iris was al bij de ingang van de Hemelscheerder toen ik per roltrottoir arriveerde. Ze sprong naast me, gevolgd door een grof uitziende man in wiens gezelschap ze scheen te zijn. ‘Het is gelukt,’ zei ze gespannen terwijl haar blik heen en weer schoot. ‘Zoals ik verwachtte is de groep van Rakt nog intact, hoewel niemand schijnt te weten waar Rakt en Annibel uithangen. Faustino was zo aardig om me te helpen.’
Bij het horen van die naam keek ik verbaasd naar de man die me met een grijns stond aan te kijken. ‘Hallo Uther,’ zei hij met een rauwe stem die zijn uiterlijk geen afbreuk deed. ‘Dat is lang geleden. Ik heb gehoord dat je het een en ander hebt meegemaakt. Wie had dat kunnen denken. Stille wateren hebben dus inderdaad diepe gronden.’
Ik keek naar zijn uitgestoken hand en zag de ontbrekend vingers. Met enige terughoudendheid schudde ik hem de hand en kreeg de rillingen bij het voelen van de stompjes die nog restten. Het scheen dat opzichter Tybalt de waarheid had gesproken. ‘Ik ben het wapen dat je aan Annibel hebt gegeven kwijt geraakt,’ zei ik. ‘Het spijt me.’
Faustino haalde zijn schouders op. ‘Het was een oud model. Niet zo betrouwbaar als de nieuwere. Heb je er gebruik van kunnen maken?’
‘Bijna. Het weigerde dienst.’
‘Dat kan gebeuren.’

Een lift bracht ons naar de ceremoniële vergaderzaal waar ik samen met Iris toegang tot kreeg vanwege het ingediende vergaderonderwerp dat ik op ons beider naam had laten zetten. Faustino liep, na ons succes te hebben gewenst, door naar de publieke tribune waar het opvallend druk was.
We kregen ieder een stoel aan de zijkant toegewezen en gingen zitten. Ik was zenuwachtig en wist me geen houding aan te nemen. Vandaag, in deze zaal, zou de beslissende slag toegediend worden. Ik keek schuin naar Iris. ‘Hangt alles af van Faustino?’
Iris knikte. ‘Een andere keuze hebben we niet. We moeten hem vertrouwen.’
‘Vertrouw jij hem?’
’Ja,’ antwoordde ze en hield vervolgens haar vinger voor haar mond. Ik zweeg en keek gespannen door de grote vergaderzaal die slechts vier keer per jaar gebruikt werd. De ruimte was vrijwel rond, gebouwd als een amfitheater. Er waren twintig rijen zitplaatsen, elk iets hoger dan de andere gelegen, waardoor iedereen een onbelemmerd zicht op de vergaderzaal had. Alle rijen leken dit keer vol te zitten waardoor ik overvallen werd door een vlaag van plankenkoorts. Ik slikte een brok weg en keek recht naar boven, door het glazen dak dat als een minikoepel de gehele ruimte overdekte, en naar de weinige sterren die als eenzame lichtpuntjes in de verte schenen. Eenzaam daar tussenin was een wazige vlek te zien; Andromeda. Ik wist nu dat Hemelstad nooit zover zou kunnen komen, en na vandaag zou heel Hemelstad het weten..

Een diepe bromtoon haalde me uit mijn gedachtetrein. Het geluid, dat meer voelbaar was dan hoorbaar, liet alles trillen. Een luik opende zich in de vloer, precies in het midden, en boven het donkere gat verscheen een felle zon die omringd was met negen planeten die elk in een eigen tempo rond de ster draaiden. Plotseling veranderde het beeld terwijl het geluid van toon veranderde. Er klonken stemmen, onherkenbare geluiden terwijl het beeld in een stroomversnelling raakte en lichtjaren in luttele seconden voorbij schoten. Andromeda verscheen in beeld en daar, ergens op de grens lichtte een stad op, een hemisfeer omringd door zestien machtige motoren die het in de richting van de Hemelpoort stuwden.
Ik had de ceremonie nog nooit gezien maar er wel van gehoord, zoals iedereen in Hemelstad. Het was indrukwekkend en ik zat met open mond te kijken. Toen besefte ik hoe ingenieus dit bedrog in elkaar zat.
Het beeld vervaagde en een ronde tafel kwam omhoog. Er was een landkaart in geëtst die de continenten van de Aarde moesten voorstellen. Rond de tafel stonden tweeëndertig stoelen zonder enige insignes. Gelijkheid heerste aan deze tafel. Langzaam zwol het geluid aan tot het in een finale eindigde en de zaal in duisternis gehuld werd. Ik keek naar boven, net als iedereen. Als bij toverslag sprong het licht aan en de leden van de Zestien Afgevaardigden en het Syndicaat stonden voor hun stoelen in een ijzig stilzwijgen.
Mijn oog viel op opzichter Tybalt die er imponerend uitzag in zijn ceremoniële gewaad, terwijl de traditionele openingswoorden gesproken werden. Ik hoorde ze niet. Ik bleef naar Tybalt staren in de hoop dat hij terugkeek. Maar hij stond onbewogen, volledig in zijn rol opgaand.
Ten slotte was aan alle tradities voldaan en de leden namen allemaal plaats. Hun gewaden ritselden in de gevallen stilte. Alleen Tybalt bleef staan en hij keek de zaal rond. Toen zijn ogen op mij vielen bleef hij kijken. ‘Meester Uther heeft een agendapunt ingediend,’ sprak hij met een diepe stem. ‘Dit agendapunt uit twijfel aan onze Hemelvaart, ons doel Andromeda waar de Hemelpoort zich bevindt, en aan de reden van de Hemelvaart; de vernietiging van de mensheid en haar thuiswereld. Het getuigd duidelijk van het werk van een te grote fantasie aangezien de feiten al vele millenia vast staan. Ik dien een motie in om dit punt nietig te verklaren en over te gaan aan de traditionele opsomming van feiten en eisen zoals weergegeven in de agenda.’
Tybalt ging zitten. Er was geen enkele emotie op zijn gezicht af te lezen terwijl de raadsleden hun stem uitbrachten via een keuzescherm dat in de tafel verwerkt was en zorgvuldig voor de buurman afgeschermd. De seconden kropen traag voorbij totdat de voorzitter opstond. ‘Motie afgewezen,’ zei hij kort en bondig. ‘Wil meester Uther naar voren komen?’
Ik stond op, keek nog even vluchtig naar Iris en liep toen naar het kleine podium dat uit de vloer oprees waar ik met gierende zenuwen op ging staan. De voorzitter vervolgde: ‘Meester Uther stelt hiermee officieel het Syndicaat in beschuldiging voor het nastreven van bedrog en het voorzien van onvolledige en foutieve informatie ten aanzien van de Hemelvlucht. In zijn toelichting heeft Meester Uther sterke aanwijzingen verschaft die zijn beschuldiging een nader onderzoek waardig achten. U kunt uw relaas starten.’
Ik schraapte mijn keel en keek even naar de volgepakte tribunes waar de mensen me met grote ogen aankeken. Mijn blik gleed naar Tybalt die me met een duidelijke vijandigheid aankeek.
Ik probeerde zijn intimiderende blik te negeren en schraapte mijn keel een tweede keer. Zoals ik de afgelopen week voorbereid had vertelde ik alles wat ik wist. Niemand onderbrak me en ik zag op de gezichten van de raadsleden een serieuze interesse die bij sommigen langzaam veranderde in een fronsend luisteren met nu en dan een verwaaide blik op de leden van het Syndicaat. De leden van het Syndicaat bleven echter onbewogen zitten en alleen Tybalt leek de stemmingen van alle aanwezigen nauwlettend in de gaten te houden. ‘Ik leerde in de Bibliotheek dat we uit het spectrum van sterren veel informatie kunnen halen,’ legde ik uit. ‘Relatieve snelheid is meetbaar en toen ik rekening had gehouden met alle variabelen kon ik de snelheid van Hemelstad afleiden. Uit mijn berekeningen, die vereenvoudigd als bijlage bij mijn verzoek zijn gevoegd, bleek dat de snelheid waarmee Hemelstad zich beweegt slechts vijftig procent bedraagt van de opgegeven snelheid. Uit verdere waarnemingen leidde ik de afstand tot Andromeda af, dat net als de Melkweg een sterreneiland is. Zelfs met een snelheid van 0,999 cee zou de reistijd meer dan twee miljoen jaar kosten.’
Er ontstond onrust onder de raadsleden maar de voorzitter riep op tot orde. ‘We hebben de bewijsstukken allemaal toegezonden gekregen, hoewel ik betwijfel of ze serieus bestudeerd zijn. Gaat u verder, meester Uther. Maar onthoudt u ons de cijfers aangezien die niet direct relevant zijn.’
Ik knikte. ‘Tijdens een excursie naar een oogstfabriek werd mij door een verstoten lid van de Clans een raadsel ten deel gemaakt, dat ik hier voor u zal opzeggen: “De waarheid is een leugen. De leugen is een dwangmiddel. Het dwangmiddel is de sleutel tot de werkelijke macht. De macht bestaat uit de waarheid: voorbij de Zijkant stralen de sterren.” Ze betekenden toen weinig, maar samengevoegd met de wetenschappelijke bewijzen die ik u zojuist geschetst heb, betekenden ze voldoende om op eigen initiatief een onderzoek te verrichten. Tijdens mijn aanwezigheid op de Zijkant heb ik de sterren voorbij de Zijkant gezien. Mijne dames en heren van de raad, er is helemaal geen vernietiginggolf.’
Tybalt sprong op voordat iemand kon reageren. Hij wees met trillende vinger naar me en gilde: ‘Jij bent een leugenaar. Waar zijn je bewijzen, behalve het gegoochel met getallen die ons allen niets zeggen? Ik heb geprobeerd je tegen te houden, om je zo te beschermen tegen de vernedering die je zult moeten ondergaan. Maar…’
Zijn woorden stokten hem in de keel omdat een trilling door de vergaderzaal voer. Op de tribunes ontstond een lichte paniek. Ik voelde een vreemde sensatie van beweging en keek vragend naar Iris die haar duim opstak. Op haar gezicht was opluchting te zien en ik begreep dat wat voor bewijs ze ook geregeld had, alles naar wens verliep. Dat stelde me enigszins gerust maar de andere aanwezigen wisten hier niets van en zowel onder de raadsleden als onder het publiek was verwarring en onzekerheid ontstaan. Mijn oog viel door toeval op Faustino die met een grijns die zijn gezicht bijna in tweeën spleet naar boven wees. Ik keek omhoog en zag tot mijn schrik dat de hemel bewoog. Hemelstad was aan het draaien!
Ook anderen zagen het nu en hun verschrikte gegil klonk door de vergaderzaal Alles bewoog. Andromeda, dat millennia lang in het zenit had gestaan gleed weg en aan de horizon verschenen steeds meer sterren tot de arm van de Melkweg in al haar pracht haar opwachting maakt. In de zaal viel een spookachtige stilte.
‘Negen van de zestien motoren zijn afgeschakeld,’ fluisterde Iris in mijn oor. Ze was naast me komen staan en hield me stevig vast. ‘Zelfs Tybalt zal dit bewijs niet kunnen ontkrachtigen.’
Ik begreep dat het een emotioneel moment voor haar was. Misschien wel meer dan voor wie dan ook. Ik sloeg mijn arm om haar heen en samen keken we in verwondering toe hoe langzaam maar zeker de Melkweg in volle glorie het gezichtsveld ingleed. Ontelbare sterren werden zichtbaar tegen een achtergrond van wolken en gas en stof die in een onvoorstelbaar grote spiraal naar het centrum bewogen dat zo fel als een zon was. Ik keek naar de tribunes en zag de mensen ademloos naar boven kijken. Langzaam leek het door te dringen wat er gebeurde en iedereen begon tegen elkaar te praten en wijzen. Als een opkomende vloed rees het geluidsniveau terwijl de mensen vol ongeloof rond keken, zoekend naar steun in dit onzeker moment. Alles waarin ze geloofd hadden werd in één klap vermorzeld. Ik vroeg me af hoe de mensen in de stad dit moment ervaarden. Ik keek rond en zag dat de leden van het Syndicaat onzeker naar de uitgang waren gelopen, waar ze nu tegen werden gehouden door een groep gewapende mannen en vrouwen die ik niet herkende. Op de tribunes was een groot tumult ontstaan.
Mijn oog viel op Tybalt die een paar stappen naar me zette en met een door woede misvormd gezicht een wapen uit zijn mantel tevoorschijn haalde. ‘Je hebt alles vernield wat we opgebouwd hebben,’ gilde hij. ‘Misschien herken je het wapen dat ik hier heb. Het is het wapen dat jij naar de Zijkant hebt gebracht. Het wapen dat een einde aan jouw leven zal maken.’
Op dat moment gebeurde er een aantal dingen tegelijkertijd die ik later pas op een rijtje wist te zetten. Er werd gegild en vanaf verschillende kanten doken er mensen op Tybalt af. Het was te laat. Hij vuurde het wapen af op het moment dat Iris me aan de kant duwde en boven op me belandde. Vanuit mijn ooghoek zag ik hoe Tybalt overrompeld werd en ik kroop onder Iris uit. Ik wilde haar overeind helpen toen ik het bloed op haar kleding zag en de glazige blik in haar ogen. Mijn hart stokte in mijn keel en ik viel op mijn knieën naast haar. Voorzichtig nam ik haar in mijn handen terwijl de tranen mijn blik vertroebelden. ‘Iris,’ fluisterde ik.
‘Uther,’ fluisterde ze, nauwelijks hoorbaar. ‘Het is ons gelukt. De waarheid is bekend.’
‘Het is ons gelukt,’ antwoordde ik met hese stem.
Ik vocht tegen mijn tranen maar het was een verloren strijd. ‘Ik hou van je,’ zei ze met haar laatste adem en machteloos zag ik het leven in haar ogen doven.

"Het vereist uiterlijke moed om te sterven, het vereist innerlijke moed om te leven."
Lao-Tse

Epiloog

Door het verlies dat ik leed op de dag van triomf gingen de gevolgen van het neerslaan van het Syndicaat volledig aan mij voorbij. Ik was overmand door verdriet en uiteindelijk weggevoerd door Faustino.
In mijn appartement kropen de dagen onopgemerkt voorbij, volledig gevuld met het ontbreken van de wil tot leven. Ik had Iris al een keer verloren, deze tweede keer kon ik niet verwerken.
Maar het leven verliet me niet en ik sleepte me tenslotte uit de put waarin ik beland was, met hulp van Darma en Rakt, die op zijn beurt Annibel verloren had in de strijd tegen het Syndicaat. Langzaam bereikte me het nieuws van de dag die dé grote ommekeer van Hemelstad teweeg had gebracht. Letterlijk. Als ik naar boven keek zag ik niet meer de zwarte leegte van het Daarbuiten, maar het kleurrijke kunstwerk van sterren en nevels. Hemelstad was begonnen aan de lange weg terug naar de Aarde.
Toch bracht dit geen blijdschap of gevoel van overwinning. Ik voelde me leeggezogen, eenzaam. De nieuwe toekomst die voor Hemelstad in het verschiet lag, en waarover alleen nog maar gesproken werd, betekende weinig voor me. Aangespoord door Darma begroef ik mezelf en mijn verdriet met het doorspitten van alle astronomische en geschiedkundige kennis die tot op dat moment volledig genegeerd was, en ontdekte zo dat Hemelstad vele millennia nodig zou hebben om ook maar in de buurt van de Aarde te komen. De sterrenkaarten die ik vond waren vrijwel nutteloos en ik betwijfelde of de toekomstige generaties nog ooit in aanzicht van de Aarde zouden komen. Ten lange leste wist ik een plaats aan te wijzen die daar de meeste kans voor bood en de koers van Hemelstad werd veranderd.
Tijd heelde mijn wonden en ik wist een min of meer bevredigend, maar leeg en gesloten leven op te bouwen. Ik werd ten slotte aangesteld als adviseur voor de Zestien Afgevaardigden en wist in die functie mijn draai te vinden. Rakt verdween langzaam uit mijn leven en het contact met Darma sleet tot ik haar alleen nog maar met een schaapachtige glimlach groette wanneer ik haar tegen kwam.
Bij tijd en wijle denk ik met melancholie terug aan de chaotische tijd waarin ik de liefde van mijn leven verloor. Op die dagen ga ik naar de Hemelscheerder waar ik gevuld met droefheid naar de Melkweg staar en aan wolken van waterdamp denk, die dan langzaam de vorm van haar gezicht aannemen.
Ik mis haar.
Ik zal haar altijd missen.

Copyright © 19 april 2005
Alle rechten voorbehouden