De sterren voorbij de Zijkant

"Je kunt maar op één manier de grenzen van het mogelijke ontdekken: door je er een stukje overheen te wagen in het onmogelijke."
Arthur C. Clarke 

Act I - Bewustwording

1

Ik leerde Iris kennen toen ik in het vierde jaar van de Vooropleiding voor Algemene Technici, het VAT, geplaatst werd. Ze was een onopvallend meisje achter in de klas, dat altijd gevangen leek te zijn in haar eigen gedachten. Ze was nooit bij de les, zo leek het, maar als de leraar haar een vraag stelde, of een probleem voorlegde, gaf ze zonder enig spoor van onzekerheid het juiste antwoord.
Iris was het buitenbeentje van de klas. Niemand wist waar ze vandaan kwam of waar ze woonde. Ze hoorde nergens bij, en tijdens de pauzes was ze in geen velden of wegen te bekennen, wat een stroom van geruchten en aannames teweeg bracht welke niet allemaal even eervol waren. Als ze al van die geruchten op de hoogte was, wat mij hoogst waarschijnlijk leek aangezien er niet echt een geheim van gemaakt werd, deerde het haar niet of ze wist haar gevoelens goed te verbergen.
Tijdens de klaswisselingen werd ze wel eens omver gestoten waarop een verwaaid excuus volgde dat vol minachting klonk. Gegiechel en geproest was dan het resultaat, maar altijd voorzichtig en binnensmonds alsof iedereen bang was betrapt te worden.
Op een dag kon ik het niet langer aanzien en hielp ik haar de gevallen boeken en papieren op te rapen. De voorzichtige, enigszins achterdochtige glimlach die ik kreeg won mijn hart en vanaf dat moment merkte ik dat ik steeds vaker naar haar aanwezigheid verlangde.
Mijn vrienden bekeken mijn interesse in Iris met afkeuring aan. Twee weken na het incident met de boeken waarbij ik geholpen had klampte Rakt me aan. ‘Uther, weet je wel wat er over die Iris beweerd wordt? Ze is lid van een Clan en is hier om ons te bespioneren. Pas op, man. Voor je het weet wordt je afgevoerd naar de Zijkant wegens onbetamelijkheden.’
‘Overdrijf je niet een beetje?’ antwoordde ik. De verhalen waren me bekend: geruchten over een gewelddadige overname van Hemelstad door het Syndicaat kon altijd rekenen op een gretig publiek. ‘Het is een onschuldig meisje dat alleen maar door iedereen gepest wordt.’
‘Niks onschuldig,’ siste Rakt. ‘Hoe denk je dat het komt dat ze altijd alles schijnt te weten? Waarom sluit ze zich af van alles en iedereen.’
‘Niet van mij.’
‘Van iedereen! En dan het feit dat niemand weet waar ze vandaan komt, of waar ze woont. Wie weet brengt ze in de pauzes verslag uit aan haar meerderen over wie afgevoerd moet worden, of over wie bij de overval gespaard gaat worden.’
Ik grinnikte. ‘Nou, dan denk ik dat ik tot die laatste groep gerekend wordt. Weet je, Rakt, ik geloof niet in die verhalen. Het is onzin.’
‘Je bent altijd al een betweter geweest.’
‘Nee, Rakt. Het Syndicaat heeft de macht al millennia in handen. Ze hoeven alleen de aandrijving maar uit te schakelen en ik garandeer je dat we allemaal maar wat graag bereid zijn aan hun eisen te voldoen.’
‘Je klinkt als mijn vader.’
‘Dan heeft hij meer verstand dan jij hebt. Weet je waar ik in geloof?’
‘Nee.’
‘Dat Iris gewoon een onschuldig meisje is dat verlangt naar iets meer aandacht. Ik wil haar dat graag geven.’
‘Je bent verliefd.’
‘Dat ben ik niet,’ bromde ik. ‘Ik vind haar gewoon aardig.’
‘Ja ja. Mij maak je meer wijs. Zo begint het altijd. En toch wil ik benadrukken dat er iets met dat wicht niet in de haak is. Misschien dat het Syndicaat inderdaad de macht niet wil grijpen, maar er zit meer waarheid achter die geruchten, zo brom ik je.’

De woorden gingen bijna allemaal langs me heen. Samen liepen we naar het dichtstbijzijnde roltrottoir waar we met enkele behendige sprongen naar de snelle binnenste baan bewogen. Ik voerde de manoeuvres uit zonder erbij na te denken. De hemeltorens gleden langs ons heen terwijl Rakt vertelde van zijn laatste opdrachten. De jongen ratelde aan een stuk door zoals alleen Rakt dat kon. Zo nu en dan liet ik een geluid van verwondering horen, wat voor hem voldoende was om door te blijven gaan. Onderwijl dacht ik aan de bewering dat ik verliefd op Iris was. Ik groef diep en ontdekte dat mijn gevoelens inderdaad een vogelvlucht namen als ik aan haar dacht. Het was als op wolken lopen, zoals het verhaal ging. Onbewust keek ik naar boven waar de sterren spaarzaam over het spant verdeeld waren. Maar wolken zag ik niet – natuurlijk.
Eén kilometer verder stapten we op de wissel over en gleden de centrumring op. Links rees de Bibliotheek op; het bolwerk van kennis. Rolbruggen verbonden het gebouw met de acht universatorens waar de scholen gevestigd waren. Vanaf de Hemelscheerder kon men bijna loodrecht op het hele centrumcomplex kijken en kwam de ware pracht van het complex tot recht. De zestien lanen die vanuit de universatorens, waarvan het VAT er één van was, naar de Zijkant uitwaaierden, verdeelden de Hemelstad in de zestien districten. Het was een zestienkantige ster die terug te vinden was op alle officiële documenten. De map die ik bij had droeg deze zestienkantige ster ook, met in het midden een blauwe cirkel met het districtsnummer erop; een witte zes in mijn geval.
Mijn gedachten namen een sprong naar het moment dat ik Iris geholpen had. Hoe ik ook mijn best deed, ik kon me geen districtsnummer op haar mappen herinneren.
Ik schudde mijn hoofd en zette de gedachte van me af. Toen we het VAT binnengleden bleef die gedachte buiten achter.

2

Zoals altijd zag ik Iris achter in de klas zitten. Ze keek niet op of om en liet de drukte die heerste volledig aan haar voorbij gaan. Ik glimlachte voorzichtig maar ging zoals gewoonlijk trouw naast Rakt zitten. Aan mijn andere kant zat Faustino, een bullebak die altijd het hoogste woord had en zijn best deed grappig te zijn, wat hij vaker niet dan wel was. Toch lachte iedereen om zijn grapjes waardoor hij zichzelf alleen maar interessanter begon te voelen. Het was een in zichzelf standhoudend geheel waaruit geen ontsnapping mogelijk was. Alleen Iris lachte niet om zijn grappen. Maar ja, die lachte nooit ergens om. ‘Het is een koude kikker,’ zei Faustino dan. ‘Ze denkt dat ze een ijskoningin is, koud als de leegte van het Daarbuiten. Volgens mij is ze meer een ijslolly dan een ijskoningin, met de smaak van een zure bom.’ Iedereen lachte om die opmerking, Faustino nog het luidst van allemaal.
Ik keek naar haar en zag haar onbewogen in haar boek kijken, alsof de hele episode aan haar voorbij was gegaan. Ik kon het niet nalaten medelijden met haar te voelen.
‘Wat is er, Uther,’ riep Faustino. Hij stootte zijn elleboog in mijn zij, harder dan nodig was. ‘Heb je medelijden met je vriendinnetje? Of heb je haar alleen als vriendin om je drankje koud te houden?’
Een nieuw salvo gelach steeg op. Ik wreef over mijn pijnlijke plek en zag tot mijn voldoening hoe Iris opkeek en me een begrijpende blik toewierp.
Drie uur later bleef ik zitten toen de klas de roep van de pauzebel beantwoordde en naar de ontspanningsruimte snelde.

Het leek alsof Iris me in eerste instantie niet eens opmerkte. Ze bleef daar zitten, kijkend in het boek waar ze gedurende de les langzaam door gebladerd had. Ik had haar in de gaten gehouden, zo goed en kwaad als het ging. De woorden van Rakt spookten door mijn hoofd en ik probeerde me voor te stellen hoe dit schone schepsel het werktuig van het machtige Syndicaat kon zijn. Het was een beeld dat ik me niet kon voorstellen waarop ik het maar verwierp. ‘Wie ben je,’ zei ik ten slotte waarmee ik een stilte doorbrak die even teer als porselein was.
Iris keek op en er verscheen een glimlach op haar lippen. ‘Mijn naam is Iris,’ zei ze met zachte stem. Ik ben wie ik ben. Wie ik ben doet er niet toe.’
Zwierig kwam ik overeind en liep naar het tafeltje tegenover haar waar ik achterstevoren op een stoel ging zitten met mijn armen op de rugleuning. ‘Iris,’ zei ik alsof ik de naam wilde proeven. Mijn hart ging tekeer maar ik negeerde de verlegenheid die het met zich mee bracht. Snel keek ik op de map die op haar bureau lag en zag geen districtnummer vermeld.
Iris zag waar mijn blik naar dwaalde en legde er snel haar boek bovenop. ‘Wat wil je van me?,’ vroeg ze achterdochtig.
‘Niets,’ antwoordde ik. ‘Ik bedoel, vriendschap.’
‘Hielp je me daarom met mijn boeken? Vind je me aardig?’
Ik grinnikte zenuwachtig en slikte krampachtig. ‘Je intrigeert me. Zo geheimzinnig.’
‘Het is het onbekende dat aantrekkelijk lijkt. Als het onbekende bekend is, is de aantrekkelijkheid verdwenen. Dan ben ik als iedereen.’
‘Dat betwijfel ik. Je komt niet uit een van de districten, wel?’
‘Is dat belangrijk?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Niet echt. Er gaan wel geruchten.’
‘Ik ken de geruchten. Ze zijn niet van belang.’
‘Misschien,’ antwoordde ik. ‘Ze geven wel een negatief beeld.’
Iris glimlachte. ‘Ik merk dat de verhalen me met een zweem van gevaar omhullen. Zodoende word ik beschermd tegen erger kwaad dan het omver lopen in de gang.’
‘Heb je de verhalen zelf in de wereld geroepen?’
Iris schudde haar hoofd en keek door het raam naar de Bibliotheek en de hoge universatorens die daarachter zichtbaar waren. ‘Waarom probeer je zo aardig tegen me te zijn. Ben je niet bang dat je vrienden je beschimpen, zoals vanmorgen?’
‘Je bedoelt Faustino? Die weet niet beter. Ik trek me er niets van aan. Jij wel?’
‘Niet echt, nee.’
Ik zuchtte. ‘Zit je elke pauze hier in het lokaal?’
‘Ik lees.’
‘Waarin?’
‘Geschiedkunde.’
Mijn interesse werd direct gewekt. ‘Gaat het over de Duistere Jaren? Voor de Hemelvlucht?’
Iris keek me met ondoorgrondelijke ogen aan. ‘Er is veel kennis verloren,’ zei ze. ‘Kennis die niet uit de geschiedkundige boeken gehaald kan worden. Kennis die niet verloren had mogen gaan. Ik lees deze boeken omdat ze de waarheid bevatten. Maar de waarheid is niet compleet.’
‘Wat er mist is de kennis die de Hemelvlucht noodzakelijk heeft gemaakt, die ons naar hier heeft gevoerd. We vluchten voor die kennis omdat het totale vernietiging met zich meebrengt.’
‘Misschien.’
Ik kneep mijn ogen tot spleetjes. ‘Hoezo misschien?’
‘Er zijn millennia voorbij. Wie weet nog wat de waarheid is? Ik niet. Jij?’
Hoofdschuddend leunde ik achterover. ‘Ben je werkelijk een lid van de Clans?’
Iris glimlachte. ‘Is dat belangrijk? Maakt me dat iemand anders?’
‘Ik weet het niet,’ zei ik grinnikend. ‘Ik ben vandaag door een vriend gewaarschuwd om je met rust te laten. Anders zou ik naar de Zijkant weggevoerd kunnen worden.’
‘Wat belachelijk,’ riep Iris met een verrassende felheid die meteen weer werd ingedamd, alsof ze geschrokken was van haar eigen uitbarsting. Ze keek me schattend aan. ‘En wat vind jij? Moet ik nu met rust gelaten worden? Vind je me gevaarlijk?’
‘Nee hoor. Althans, niet gevaarlijk genoeg. Misschien dat we samen een paar uurtjes naar de Hemelscheerder kunnen gaan. Samen kijken naar onze toekomst, filosoferen over het verleden.’
‘Alleen maar filosoferen? Hm, ik moet daar even goed over nadenken.’
Op dat moment arriveerden de overigen klasgenoten, druk pratend en discussiërend over van alles en nog wat. De stilte die in het lokaal had gehangen sloeg op de vlucht en met een laatste glimlach naar Iris ging ik op mijn plaats zitten. Vreemd genoeg kreeg ik geen commentaar of grapjes te verduren. Zowel Faustino als Rakt meden mijn blik. Ook de rest van de klas gaf me het gevoel opzij gezet te zijn, alsof mijn afwezigheid tijdens de pauze een keerpunt was.
Op het eind van de dag zocht ik tevergeefs naar enig teken van Iris. Het was alsof ze in lucht was opgelost, vervlogen als de wolken uit mijn dromen. Ik toog alleen op weg naar huis.

3

De opvolgende dagen bleek Iris spoorloos. Ze verscheen ook niet tijdens de lessen. Bedrukt dacht ik aan het gesprek tussen ons. Misschien dat ze afgeschrikt was door het voorstel naar de Hemelscheerder te gaan. Ze wist natuurlijk net zo goed als ik dat het dé plaats voor jonge geliefden was en hoewel ik helemaal niet aan bijbedoelingen had gedacht – mijn voorstel behield niets anders dan de woorden die ik gesproken had – was het meer dan waarschijnlijk dat ze het verkeerd had begrepen.
De afstandelijkheid die ik in de klas ervaren had was gelukkig van voorbijgaande aard gebleken. Faustino grapte zijn domme grappen en Rakt sprak zoals gewoonlijk onvermoeibaar over zijn theorieën en ideeën. Hij opperde zelfs de oprichting van een selecte groep die zich klaar moest maken voor de op stapel zijnde staatsgreep. ‘De Zestien Afgevaardigden zijn een stel ouwe knarren die een regering overeind proberen te houden met de wandelstokken die ze nodig hebben om zelf te lopen,’ zei hij, meegesleept door zijn eigen enthousiasme. ‘Zeg nou zelf, we sukkelen voort als een dinosaurus in galop. Langzaam maar onstuitbaar. Maar de dinosaurussen zijn uitgestorven omdat ze niet levensvatbaar waren in de nieuwe wereld. Ook deze dinosaurus is niet voor het leven vatbaar. Zijn tijd is gekomen. Wij, jonge mensen moeten het roer overnemen.’
‘Wat wil je daarmee zeggen?’ bromde Hector, een magere jongen met blauwe ogen en zwart kroeshaar. ‘Dat wij die staatsgreep moeten plegen in plaats van het Syndicaat? Dat is verraad.’
‘Nee,’ riep Rakt verschrikt. ‘Geen staatsgreep. We moeten ons zelf kandidaat stellen, een groot referendum opstellen en voldoende fondsen vergaren om een vreedzame machtswisseling mogelijk te maken. Onze plannen moeten stevig zijn, er mag geen speld tussen te krijgen zijn.’
‘En wat zijn die plannen van jou dan?’ vroeg Hector.
Maar daar had Rakt nog niet over nagedacht. Hij wimpelde de vraag weg. ‘Dat is nu nog niet belangrijk. Wat wel belangrijk is dat we een stevige fundering hebben. Zonder fundering kunnen we niets opbouwen.’
‘En het Syndicaat dan?’ vroeg ik glimlachend. ‘Vooropgesteld dat je de Zestien Afgevaardigden zover kunt krijgen dat ze aftreden, moet je zeker zorgen voor steun van ten minste een meerderheid van de Clans. Zonder die steun blijf je nergens.’
‘Jammer dat die Iris weg is,’ zei Rakt somber. ‘Die had me wel in contact kunnen brengen met enkele vooraanstaande leden van het Syndicaat.’
Hector grinnikte sarcastisch. ‘Vooropgesteld dat ze een Clanlid is. En daar heb ik zo mijn twijfels over.’
Rakt keek op. ‘Uther, jij hebt vorige week met haar gesproken. Heeft ze soms iets losgelaten? Weet jij meer?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik weet niets, Rakt. Maar ik zou wel willen weten waar ze nu uithangt.’
‘Ze is vast verslag aan het uitbrengen over jouw oneerbare voorstellen. Nou, wanneer jij van het toneel verdwijnt, weet ik wel wat er gaande is.’
Hoewel mijn verstand beter wist, wakkerden de woorden van Rakt enige onrust in me op. Ik betrapte me erop de roltrottoirs af te kijken naar mensen die er verdacht uitzagen. Alsof het zo moest zijn leek iederéén vanaf dat moment verdacht. Maar zo ontdekte ik anderhalve week later Iris op een roltrottoir.

Er wonen ruim achttien miljoen mensen in Hemelstad. Dit is het absolute maximum en dit getal is al ruim een millennium stabiel door een kritische vorm van geboortebepalingen. ‘Het nut van geboortebeperking heeft zich de afgelopen eeuwen bewezen,’ onderwees Leermeester Yipton, de economisch socioloog van het VAT. ‘Uit het recente verleden is gebleken dat de ongeremde groei van een populatie leidt tot zowel sociale, economische, ethische, als criminologische problemen. Een bevolking die ongeremd groeit, groeit exponentioneel. De gevolgen zijn niet mis te verstaan; lage levensverwachting, werkeloosheid, armoede, hongersnood en door een verzwakking van het afweergestel een grote verscheidenheid aan ziekten, zowel oude als nieuwe vormen. De levensstandaard wordt vanzelfsprekend laag wat onhygiëne tot gevolg heeft, dat weer een invloed op het economische deel heeft. Onvrede en afgunst steken de kop op, wat tot oorlog en vernietiging kan leiden. Er wordt aangenomen dat deze oorzaken geleid hebben tot de ramp die de vernietiging over het Daarbuiten bracht, en de noodzaak van de Hemelvlucht.’
‘Is men dan niet zeker over de oorzaak van de ramp,’ vroeg iemand in de klas.
Leermeester Yipton schudde zijn hoofd. ‘Er zijn inmiddels veel boeken geschreven over een mogelijke oorzaak. Het enige dat vast staat is, dat het gebeurd is. Als we naar boven kijken zien we het bewijs.’
‘We kunnen alleen zien waarnaar we naar op weg zijn,’ riep Faustino luid. ‘Maar als ik kijk zie ik alleen maar een wazige vlek en een handvol sterren.’
‘Juist,’ riep Yipton met wijzende vinger. ‘Dat is het sterreneiland Andromeda, waar onze verlossing moet liggen; de Hemelpoort. Nu vraag je jezelf natuurlijk af waarom er zo weinig sterren zijn? Dat komt omdat we de Orion-Arm van de Melkweg inmiddels verlaten hebben. Als je op de Zijkant zou staan, en als je in de gelegenheid was om naar beneden te kijken, zou je alleen maar het lege niets zien. Dat is het resultaat van de vernietigingsgolf die ons achtervolgt, die alle materie desintegreert tot niets.’
‘Ik heb het nog nooit gezien,’ bromde Faustino waarmee hij ons aller twijfel verwoordde. Leermeester Yipton snoof en draaide naar het raam. ‘We hebben millennia lang gezocht naar wegen om de vernietiging te stoppen. We hebben al het mogelijke uitgeprobeerd en overal in gefaald. Nu rest ons de reis naar Andromeda en ons voornemen – althans, dat van deze huidige samenleving – is het afleggen van de reis in een zo groot mogelijke geriefelijkheid. Om terug te komen op ons onderwerp van populatiedichtheid, achttien miljoen is een optimum dat ons verzekert van deze geriefelijkheid, dat door een ingenieuze manier van geboortebeperking in stand gehouden wordt en moet worden.’
Iedereen onderschreef uiteraard de noodzaak voor het houden van een stabiele en gezonde populatie. De Agrarische Velden konden in de vraag ruimschoots voorzien en hadden een veilige marge. Honger was een onbekend gegeven en armoede kende men niet. Maar of de noodzaak tot vluchten waarheidsgetrouw was, daar bestond twijfel over.
Als men op een willekeurige dag door Hemelstad voer over de roltrottoirs of de glijbanen, kon men genieten van een gestage stroom mensen die onafgebroken van her naar der bewogen. Achttien miljoen mensen schoten onder elkaar, boven elkaar of door elkaar heen. Er werd gezegd dat de kans om iemand per toeval te treffen kleiner was dan de kans dat Hemelstad morgen met een zon in botsing kwam. Daarom betwijfelde ik of het toeval was dat ik Iris tegen het lijf liep, hoezeer ze ook verbaasd op de ontmoeting reageerde. Het feit dat ze in de gelegenheid was een verfrissing in één van de eetgelegenheden te nemen sterkte die overtuiging.

‘Waar heb je toch al die tijd uitgehangen?’ vroeg ik nadat de waard twee glazen bier voor ons had neergezet.
Iris nipte van haar drankje en glimlachte. Het leek wel alsof het ijs gesmolten was en ik hier voor het eerst een glimp van de ware Iris zag. ‘Heb je me gemist?’
‘Een beetje,’ loog ik.
‘Een beetje veel, zo te zien.’ Ze boog voorover en wreef me broederlijk over mijn hoofd. ‘Geeft niets. Ik moet zeggen dat ik ook wel naar een nieuwe ontmoeting heb uitgekeken. Na die middag in het VAT heb je mijn achting weten te krijgen. Je bent anders dan al die anderen van een lage…’ Ze zweeg en trok een grimas. ‘Dan al die anderen,’ vervolgde ze zachtjes.
‘Jij komt niet uit de stad, wel?’
Iris zuchtte. ‘Kunnen we het ergens anders over hebben?’
Enigszins teleurgesteld knikte ik ‘Natuurlijk, waar ben je al die tijd geweest? Je kunt niet lessen missen zonder consequenties. Op die manier is het onmogelijk om ooit een volleerde techneut worden.’
‘Wie zegt dat ik een techneut wil worden?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Je zat nu eenmaal in het VAT. Oké, je bent nu weer weg, maar toch. Of ben je van plan weer terug te komen?’
‘Dat betwijfel ik.’
‘Waar ga je dan heen?’
Iris zuchtte. ‘Ik wil er niet over praten. Niet nu, niet hier.’
‘Op een of andere manier kom ik toch elke keer weer op dat onderwerp terecht,’ antwoordde ik eerlijk. ‘Ik blijf me afvragen waar je vandaan komt, hoe het daar is en wat je daar ziet. Vertel me, is het waar dat we alleen maar duisternis onder ons laten? Kun je dat zien als je over de rand kijkt?’
‘Vraag me dat een andere keer. Ik moet gaan.’ Ze sprong op en voor ik iets kon zeggen was ze op een roltrottoir gesprongen en in de menigte verdwenen. De kans dat ik haar een tweede keer zou ontmoeten was vrijwel nihil.

4

Een paar weken later kreeg de hele klas in het kader van een nieuw project een excursie naar een van de oogstfabrieken buiten stadsdistrict 6. We stonden allemaal te wachten op het vervoer bij het glijbaanstation toen ik Iris opmerkte. Ik was niet de enige. Een aantal vrouwelijke klasgenoten hadden haar ook gezien en konden het niet laten om opvallend terloops kleinerende opmerkingen te maken, nét luid genoeg voor Iris om het te kunnen horen. Ik zag dat ze het probeerde te negeren. Ze ving mijn blik en glimlachte, maar maakte geen aanstalten om naar me toe te komen.
Ik keek bedenkelijk naar Rakt die over de glijbaan wees en naar de groepkubus die aan kwam glijden. ‘Zou dat niet een grap zijn, als we er niet allemaal in zouden passen,’ riep hij grijnzend. ‘Ik vraag me af of Leermeester Yipton rekening heeft gehouden met één extra persoon.’
‘Er is meer dan voldoende plaats in de glijbaan,’ antwoordde ik.
‘Dat weet ik wel,’ beet Rakt me toe. ‘Maar dat mens komt af en aan wanneer het haar blieft. Weken lang laat ze haar snoet niet zien. Dan gaan we een dagje weg en meteen verschijnt ze, alsof het de normaalste zaak van de stad is.’
‘Niemand verplicht jou om de opleiding te volgen. Dat is hetzelfde.’
‘Vertel mij maar eens wat voor consequenties dat heeft.’
‘Werken op de Agrarische Velden. Er is niets mis mee.’
Rakt snoof. ‘Waarom ga jij dat dan niet doen. Je weet wat het niet opgeleide volk moet doen; de hele dag in de modder wroeten.’
Ik schudde glimlachend mijn hoofd. ‘Ik heb andere ambities. Daarom zit ik op het VAT, net als jij.’
Rakt bromde en kroop achter me de groepskubus in die sissend tot stilstand was gekomen. Er werd gewrongen en geduwd, gevloekt en getierd, over wie naast wie mocht zitten. Ten slotte daalde de rust gedeeltelijk neer en bleek ik tussen Rakt en Iris te zitten. Leek het maar zo, of zat ze opvallend dicht tegen me aan? Het leek wel alsof ik haar huid door twee lagen stof heen kon voelen. Ze benam plotseling mijn hele universum, zo bewust was ik van haar aanwezigheid, haar onbedoelde aanrakingen, en al het andere ging langs me heen. Ik bleef zo stil mogelijk zitten omdat ik bang was dat elke beweging dit delicate moment zou breken. Maar op het moment dat de kubus langzaam in beweging kwam sprong iedereen op waardoor de kubus een fractie van een seconde ontregeld raakte, wat een vrij algemeen voorkomende baldadigheid bij het reizen per groep was en waar de uitbaters van het glijbaannetwerk de rillingen over de rug kregen. Ik deed er natuurlijk niet aan mee maar kon niet voorkomen dat ik daardoor in botsing met Rakt kwam, waardoor het moment verbroken werd. Iris schoof met een verontschuldiging wat opzij.
Zwijgend luisterde ik naar de gesprekken in de kubus die over uitgaan gingen. Rakt had het hoogste woord en sprak lovend over een danssalon die de ‘Flamingo’ heette. Ik vroeg me af wat hij eraan vond om hele avonden op die manier door te brengen en nam me voor het een keer te vragen. Schichtig keek ik naar Iris die naar buiten staarde en probeerde me voor te stellen of zij ook in het uitgaansleven actief was. Ik raapte mijn moed bijeen om een gesprek te beginnen en het eventueel te vragen als de gelegenheid zich voor deed. ‘Ik dacht werkelijk dat je voorgoed van het VAT weg was,’ zei ik.
‘Een excursie naar de Agrarische Velden is altijd interessant,’ antwoordde ze. ‘Vanuit de stad is de Zijkant niet goed te zien, wat een groot gemis is. Alleen vanuit de velden kan men pas de grootsheid van Hemelstad ervaren, wanneer de hemeltorens zich achter je naar grote hoogtes reiken en voor je de gloed van de motoren de Zijkant omkranst.’
‘Ik ben nog nooit op de velden geweest, maar vanaf de Hemelscheerder heb je ook een goed uitzicht, helemaal rondom. Daar vandaan kun je de Zijkant ook zien.’
‘Dat is anders. Je zult het wel zien.’
‘Wist je,’ zei ik bijna terloops, ‘dat ik vorig jaar gezien heb hoe één van de motoren uitviel? Ik zag een lichtflits en toen verdween de gloed achter de Zijkant. Drie motoren werden toen uitgeschakeld, maar ik geloof dat die eerste écht defect was.’
Er ging een rilling door Iris heen. Ze produceerde een krampachtige glimlach en keek door het raam naar de voorbij glijdende stad. We bevonden ons in de tweede cirkel waar de hoogste hemeltorens stonden. Het was een wirwar van glijbanen en roltrottoirs, op acht verschillende niveaus. De grote lichten die vanaf de hemeltorens de stad verlichtten waren hier niet afdoende. De schaduwen waren diep en lang, maar werden door hulplichten enigszins verdrongen of vervormd waardoor er vreemde patronen van licht en duisternis over de gevels vielen. Ver beneden ons, waar op niveau nul het uitgaansleven gevestigd was, ontsprongen kleurrijke lichten die de verschillende bars en danssalons aantrekkelijker moesten maken. De tweede cirkel was het levende hart van de stad.
Aan de andere kant van de kubus stond Rakt bij het raam, met het grootste deel van de klas rondom hem, en wees naar de ene, dan weer naar de andere plek terwijl hij als een volleerde gids wist te vertellen waar wat te halen was.
Ik negeerde hem en keek zwijgend langs Iris naar buiten, ieder van ons opgaand in de eigen gedachten. De tweede cirkel gleed onder ons door en maakte plaats voor de cirkel met woningcomplexen, die dicht opeengepakt stonden. Hier was iedereen gehuisvest, achttien miljoen mensen.
De glijbaan daalde tot op niveau drie en de snelheid nam af tot de maximaal toegestane. Ramen gleden voorbij, elk getooid met een persoonlijk accentje. Een bloemetje, een gordijntje of gematteerde ramen met patronen en figuren. Hier en daar stonden ramen open en kon men een glimp van het persoonlijke domein van de eigenaar opvangen. ‘Ik ken iemand die al zijn meubels verbouwd heeft,’ riep Faustino. ‘Weet je dat hij daarvoor werkstraf gekregen heeft? Het is belachelijk dat je niet eens met je spullen mag doen wat je wilt.’
‘Je hebt het mis,’ antwoordde Leermeester Yipton, die hierin duidelijk een lesonderwerp zag. ‘Ik heb verteld over de maximale populatiedichtheid van Hemelstad. Aan dit aantal valt niet te tornen. We leven in een kunstmatig milieu waar grondstoffen niet onbeperkt voorradig zijn. Met andere woorden, we moeten doen met wat we hebben. Meer zullen we ook niet krijgen en wat belangrijker is, als we onvoorzichtig zijn verliezen we veel. Elk bewerkingsproces heeft materiaalverlies, hoe gering ook. Wanneer functionele objecten onnodig veranderd worden, gaat dat gepaard met verlies. Dit moet tot een minimum beperkt worden. Ook dit verlies is gerelateerd aan het aantal inwoners van Hemelstad.’
‘Dus wanneer we allemaal dingen onnodig kapot gaan maken, of veranderen, betekent dat er minder mensen kunnen leven?’
‘Heel goed, Balwin. Het is belangrijk dat we dat allemaal beseffen. Dat is in het verleden van Hemelstad wel eens anders geweest.’
‘Als dat ooit anders is geweest,’ zei ik, ‘is er toen niet heel veel verloren gegaan?’
Yipton knikte. ‘Inderdaad. Misschien begrijp je het als ik zeg dat het oorspronkelijke aantal inwoners van Hemelstad twee maal zo groot is geweest.’
‘Dat is niets meer dan een gerucht,’ mompelde Iris plotseling. Iedereen keek haar verbaasd aan en sommigen maakten opmerkingen. Maar Iris had haar aandacht alweer afgewend.
‘Een gerucht?’ Leermeester Yipton grinnikte. ‘Misschien. Maar met het huidige verlies van grondstoffen is het mogelijk om met een constant inwonersaantal van achttien miljoen Andromeda – ons uiteindelijke doel – te bereiken. Tenzij iemand moedwillig spullen gaat veranderen en aanpassen.’

De glijbaan verliet de laatste bebouwde cirkel en daalde tot op niveau nul. Terwijl de snelheid weer toenam keek iedereen naar het wijdse uitzicht dat zich voor ons openbaarde. Dit was de voedselschuur van Hemelstad, verlicht door kunstmatige zonnen. Overal waar je keek zag je mensen in de velden werken. Rakt stootte me aan en knikte veelbetekenend naar de mensen die opkeken toen we voorbij kwamen. Ik negeerde hem.
Hier en daar zagen we veestapels, als eilanden in een zee van groen. Op andere plaatsen bewogen de grote oogstmachines aan omgekeerde glijbanen. Daar ver achter, aan de horizon, doemden de duistere wanden van de Zijkant op en zagen we de gloed van de motoren, die Hemelstad met angstaanjagende snelheid voortbewogen erbovenuit komen. Vanuit mijn ooghoek keek ik naar Iris. Ze staarde met nietszeggende ogen naar de horizon en even meende ik tranen in haar ogen te zien.
Tien minuten laten stopte de glijbaan naast een van de oogstfabrieken.

5

We waren met dertien leerlingen en één Leermeester. De man die uit de oogstfabriek kwam gelopen keek afkeurend naar de groep. ‘Dit zijn téveel mensen,’ riep hij. ‘De groep moet in tweeën gesplitst worden. Ik kan niet meer dan zes personen tegelijkertijd begeleiden.’
Ik zorgde er wel voor dat ik bij Iris ingedeeld werd, wat een afkeurende blik van Rakt opleverde die in de andere groep terecht kwam. Ook Faustino kwam in de groep van Rakt terecht, wat mij wel zo goed uitkwam. Tijdens de rit naar de Agrarische Velden was me opgevallen hoe hij haar onopvallend in de gaten had gehouden. Het had me een onbehaaglijk gevoel opgeleverd om redenen die ik niet direct kon plaatsen. Ik voelde me door hem bedreigd, wat natuurlijk onzin was. Het luchtte me dan ook op hem in het gebouw te zien verdwijnen.
Halsreikend keek ik rond tot ik Iris zag en wandelde met mijn handen in de zakken naar haar toe. Ze zat op een bankje naar de verre Zijkant te staren. Zonder iets te zeggen nam ik naast haar plaats en bestudeerde het uitzicht. Ik besloot dat ze wel iets zou zeggen als ze er behoefte aan had.
De Agrarische Velden lagen in een wijde cirkel rond de stad. Ik kende de afmetingen uit de lesboeken; een band van drie kilometer breedte, met een totale oppervlakte van meer dan honderdveertig vierkante kilometer. Die getallen zeiden op zich niet veel, maar als je dan op een bankje zat, midden in dat gebied, kreeg je pas het besef hoe immens het werkelijk was. Links en rechts strekten de velden zich uit, tot het punt waar de Zijkant en de Stad elkaar ontmoette. De lampen, die op elke tweehonderd meter hingen, zetten alles in een helder en fris licht waardoor de stad in mijn gedachten duister en somber aandeed. Achter me doemden de hemeltorens op, rij na rij, steeds hoger tot aan de Hemelscheerder waar het hoogste punt van de stad lag. Een paar keer had ik boven op dat gebouw gestaan, vijftig meter onder de koepel. Het uitzicht was adembenemend geweest, maar op één of andere manier viel het in het niet bij de uitgestrektheid die ik hier ervaarde. ‘Het is ongelofelijk dat de mens dit heeft kunnen bouwen,’ zei ik meer tegen mezelf dan tegen Iris. Ze draaide zich om maar zei niets. Met een gebaar dat alles omvatte vervolgde ik: ‘De techniek moet vroeger wel op een héél hoog peil gestaan hebben om een compleet zelfonderhoudende stad te creëren.’
‘Ze noemden dit vroeger de Ark.’
‘Hoe weet je dat?’
Iris haalde haar schouders op. ‘Ik weet nog veel meer, dingen die in de stad al lang vergeten zijn. Heb je ooit gehoord van relativiteit?’
‘Nee.’
‘De waarheid is een leugen,’ zei ze zachtjes, alsof ze plotseling door twijfel verscheurd werd. ‘De leugen is een dwangmiddel. Het dwangmiddel is de sleutel tot de werkelijke macht. De macht bestaat uit de waarheid: voorbij de Zijkant stralen de sterren.’
‘Ik begrijp het niet,’ zei ik. ‘Wat bedoel je daarmee.’
‘Ik heb niet veel tijd. Toen ik van de excursie hoorde besloot ik mee te gaan omdat jij er bij zou zijn.’ Iris draaide zich om zodat ze me recht aan kon kijken. ‘In de stad heb ik je niet kunnen opzoeken zonder dat ze het te weten kwamen. Deze ontmoeting is terloops, onbedoeld.’
Een koud gevoel bekroop me. Ik dacht aan de samenzweringstheorieën van Rakt en vroeg me af of hij het dan toch bij het rechte eind had? Ik keek naar de oogstfabriek. Ver daarachter doemde de Zijkant op als een donkere schaduw, het domein van de Clans. Iris volgde mijn blik. ‘Ze komen me halen,’ zei ze. ‘Ik zal vandaag niet met de glijbaan terug naar de stad gaan.’
‘Wie komt je halen?’ fluisterde ik. ‘Je kunt je verstoppen. Ik neem je wel mee naar…’ Ik zweeg toen ik besefte hoe dwaas mijn woorden waren. Met afgezakte schouders ging ik tegen de rugleuning aanzitten. ‘Het is het Syndicaat, niet?’ vroeg ik.
Iris knikte. ‘Ze waren er op tegen, maar ik stond erop. Er was niets meer voor mij. De Clans zijn als raven, gretig en niets ontziend, maar ook wat naïef. Nu beseffen ze het gevaar pas.’ Ze glimlachte. ‘Het was mooi zolang het duurde. Ik mag je graag, Uther. Het is jammer dat ik niet in de gelegenheid kan komen je beter te leren kennen.’
Ik voelde me helemaal warm worden. Haar woorden verdreven de kilte die bezit van me genomen had. Maar de gedachte dat ik haar waarschijnlijk niet meer zou zien liet een diepe steek achter. ‘Zie ik je nog ooit een keer?’
Iris schudde haar hoofd. ‘Dat lijkt me onwaarschijnlijk. Maar vergeet nooit dat voorbij de Zijkant de sterren stralen.’

Op dat moment daalde een luchtschip op vier meter afstand neer. We hadden het ding niet horen of zien aankomen. Iris stond op en wreef met haar hand over mijn wang. ‘Vaarwel, Uther. Ik wilde dat we elkaar onder andere omstandigheden hadden leren kennen.’ Ze draaide zich om en liep naar de machine waar een deur open was gegaan. Er stond een lange man met de handen over elkaar. Zijn blik was streng, zijn houding straalde gezag uit. Iris liep met een trots opgeheven hoofd langs hem heen, keurde hem niet één blik waardig.
Ik was opgestaan en keek met gemengde gevoelens naar de man. Hij keek me met toegeknepen ogen aan, draaide zich toen om en de deur sloot met een definitief geluid. Langzaam steeg de vliegmachine op en zette koers naar de Zijkant. Ik keek machteloos toe hoe de machine kleiner en kleiner werd tot het uit het zicht verdween.
Opeens was ik me bewust van starende ogen. De andere leden van de groep keken me met open mond aan, alsof ze nog niet helemaal beseften wat er was voorgevallen. Toen kregen ze in de gaten dat Iris vertrokken was en er ontstond een uitbarsting van stemmen. Ik draaide me om en staarde met een leeg gevoel naar de plaats waar het luchtschip verdwenen was. Mijn gezicht tintelde nog op de plaats waar ze me had aangeraakt en ik vroeg me af of ik haar nog ooit zou wederzien.

Copyright © 19 april 2005
Alle rechten voorbehouden