De sterren voorbij de Zijkant

"Wanneer de vrouwen van ons houden, vergeven zij ons alles, zelfs onze misdrijven maar wanneer zij niet van ons houden vergeven zij ons niets, zelfs niet onze deugden."
Honoré de Balzac

Act II – Waarheid en leugen

1

De jaren gleden voorbij. Ik raakte mijn vrienden uit het oog en hoorde later dat Faustino werk in een van de uitgaanscentra had gekregen. Het was een nederige baan die in schril contrast met zijn houding tijdens de schooljaren stond. Van Rakt hoorde ik dat hij zich in dubieuze kringen bewoog waar complotten en samenzweringen de praat van de dag waren. Ik heb nooit begrepen wat hij eigenlijk voor werk is gaan doen.
De anderen van de klas waarin ik zat verdwenen spoorloos tussen de miljoenen mensen van Hemelstad. Ik had ook niet de minste interesse in het doen en laten van al die vroegere klasgenoten.
En Iris? Zij raakte in de vergetelheid, een herinnering aan een meisje dat langzaam mooier en knapper werd, en daarna vervaagde tot een schim in een verleden dat met de jaren verder en verder op de achtergrond verdween. Regelmatig ging ik naar de Hemelscheerder en staarde vanaf het hoogste punt van Hemelstad naar de Agrarische Velden. Dan keek ik naar boven, naar de plaats waar ergens ons doel moest liggen. De wolken van mijn fantasieën, waarin haar beeltenis te zien was geweest, losten op in het niets en naarmate de tijd vorderde ging ik minder en minder naar de Hemelscheerder. De woorden die Iris in haar laatste momenten met mij gedeeld had, bleven echter langer hangen: ‘Voorbij de Zijkant stralen de sterren.’

Langzaam en bijna onopgemerkt verschoof mijn interesse van de wetenschap naar het sociale leven. Tijdens één van mijn Halfuurtjes ontmoette ik een aantrekkelijke jonge dame. Ze wist mijn aandacht te trekken en op een of andere manier was dat wederzijds. We spraken af om een keer samen een lunch te delen. Twee maanden later deelde ik haar woonvertrekken in district 9.
Ze heette Annibel. Blauwe ogen, een fijn gebouwd gezicht en lange blonde haren die ze meestal in vier kunstig verweven vlechten droeg. Tijdens de werkdagen werkte ze als kantoorklerk in één van de universatorens, een baan waar ze geen genoegen in wist te scheppen. Daarom stond ze erop dat we minimaal twee avonden per week tot laat in de nacht in het uitgaansleven van de tweede cirkel doken. Het liefst nog vaker. Gedurende het eerste half jaar groeide onze relatie naar een hoogtepunt en waren we vier nachten per week in een danssalon te vinden die de naam ‘Flamingo’ droeg. Mijn werk als assistent van Leermeester Rudolza begon er onder te lijden. Er waren dagen dat ik zelfs niet op kwam dagen, tot Leermeester Rudolza in eigen persoon me een reprimande gaf: ‘Meester Uther, ik heb veel door de vingers gezien omdat je ondanks de laksheid goed werk aflevert. Maar de afgelopen weken ben je tot vier keer toe niet op tijd gekomen waardoor ik mijn lessen gedeeltelijk heb moeten uitstellen. Dit is onacceptabel.’
Mijn hoofd stond er niet naar omdat het die nacht weer laat was geworden en ik probeerde een uitvlucht te vinden. Maar Leermeester Rudolza liet me niet eens uitspreken. ‘De jongedame Annibel is misschien een bijzonder persoon maar ik ben bang dat ze je geen toekomstperspectief biedt. Ik kan je niet vertellen wat je moet doen, maar ik ben bang als dit zo langer door blijft gaan, ik je met spijt in mijn hart moet laten gaan. Ik kan je een keuze bieden. Of je maakt hier een carrière, of je belandt op de Agrarische Velden.’
Ik werd kwaad en vertelde hem dat ik mijn eigen leven leidde. ‘Jij kunt mij niet vertellen wat ik moet doen,’ riep ik. ‘Het is mijn leven, niet het jouwe.’
‘Dat is waar,’ antwoordde Leermeester Rudolza nuchter. ‘Ik laat alleen de twee wegen zien die nu voor je liggen. Je staat op een tweesprong, meester Uther. Een tussenweg is er niet.’
‘En jij verwacht dat ik nu, hier, een keuze maak?’
Rudolza schudde zijn hoofd. ‘Ik wil dat je erover nadenkt. Ga nu naar huis en denk er een paar dagen over,’ zei hij. ‘Deze beslissing bepaalt de rest van jouw leven.’
Verslagen droop ik af. Moedeloos stapte ik op het roltrottoir en dwaalde doelloos door de stad. Zo belandde ik onbedoeld weer in district 6 waar ik mijn jeugd had doorgebracht en waar Annibel me weg had gehaald. Bij de Hemelscheerder stapte ik van het roltrottoir en keek langs de gevel naar boven, waar anderhalve kilometer hoger het terras was dat ik in geen jaar meer had gezien. In een opwelling betrad ik het gebouw en nam de snellift naar de honderdvijftigste verdieping waar een brede trap, naast de ceremoniële vergaderzaal van de Zestien Afgevaardigden, naar de plaats leidde die me inmiddels vreemd voor kwam. Ik dacht aan het verleden, aan de tijd dat ik mijn opleiding genoot, aan de gedachten die ik hier had gevangen… Aan de wolken in de beeltenis van Iris.
Iris. Ik was haar vergeten en het zat me plotseling dwars dat ik me niet meer kon herinneren hoe ze eruit zag. Het was dat moment dat ik besefte iets verloren te hebben.
Ik keek naar boven en zag de sterren stralen. Mijn blik werd naar de Zijkant getrokken, die achter de gebouwen van de stad en de Agrarische Velden te zien was, omkroond door het vage schijnsel van de motoren. En daar voorbij, over de rand… Schenen daar ook sterren?
De rest van de dag dwaalde ik door de stad. Ik doorkruiste elk district en belandde op ten slotte aan de grens van de stad waar de Agrarische Velden begonnen. Verscheurd door twijfels keek ik rond, zag het punt waar de Zijkant Hemelstad raakte en dacht terug aan de laatste keer dat ik dit beeld gezien had. Het was de dag geweest dat Iris door haar mensen opgehaald was. Het was allemaal zo lang geleden…

Die avond kwam ik later thuis dan normaal. Annibel bekeek mijn binnenkomst met een vreemde blik in haar ogen. ‘Waar was je Uther? Ik heb naar het werk gebeld maar je was er niet. Die ouwe knar van een Rudolza vertelde me dat hij je naar huis gestuurd had.’
‘Dat klopt,’ antwoordde ik zonder veel enthousiasme. Ik voelde er weinig voor om de hele geschiedenis te vertellen maar ik wist dat ik er niet onderuit kon. Bovendien wist ik niet wat Leermeester Rudolza verteld had. ‘Ik moet kiezen tussen een carrière in de universatorens, of werk op de Agrarische Velden.’
‘Wat een brutaal nest,’ riep Annibel verontwaardigd. ‘Waar slaat dat op? Doe je het werk daar soms niet goed?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik ben te veel afwezig, bovendien vaak te laat.’
‘Je laat je leven toch niet door zo een omhoog gevallen persoon beïnvloeden, mag ik hopen? Wat is nu belangrijker? Een leven dat je leidt, of een leven dat lijdt.’
Ik keek in de blauwe ogen van Annibel. ‘Misschien is er een tussenweg? We kunnen minder vaak uitgaan. Misschien alleen met de rustdagen?’
‘Ha, dan moet ik mijn leven over de kop gooien omdat die Rudolza daar een probleem mee heeft? Dat nooit. Misschien dat je dan toch maar als arbeider op de Agrarische Velden moet gaan werken. Het mag dan misschien wel zwaar en vies werk zijn, maar mijn sociale leven leidt er ten minste niet onder.’
Ik knikte. ‘Jouw sociaal leven,’ herhaalde ik haar woorden met afkeur, maar onhoorbaar om niet in een oeverloze discussie te geraken. Voorzichtig zei ik: ‘Misschien kun jij door de week zonder mij uitgaan, en dat ik dan in de weekenden met je mee ga?’
Annibel keek me fronsend aan. ‘En wat moet ik dan tegen mijn vrienden zeggen?’
‘Ik dacht dat het onze vrienden waren?’
Annibel haalde haar schouders op. ‘Dat doet er niet toe. Onze vrienden dan. Wat moeten die wel niet van jou denken, of van mij?’
‘Ik neem aan dat ze ons wel in onze waarde laten. Het is toch mijn keuze?’
‘Dat is waar,’ snoof Annibel. ‘Goed. We zien wel.’
En daar bleef het bij. Elke keer als ik het nog een keer ter sprake wilde brengen, werd ik weerhouden door een vreemde tegenzin, alsof ik aanvoelde dat ze er niet voor open stond. Diezelfde avond bleef ik thuis terwijl Annibel zich klaar maakte voor het wilde nachtleven in de tweede cirkel. Ik geloof zelfs dat ze me niet mee wilde hebben. Rond middernacht kroop ik in bed en merkte niet meer dat ze thuis kwam.

De wekdienst stond nog op zeven uur ingesteld, hoewel Leermeester Rudolza me verteld had een paar dagen thuis te blijven. Ik bleef liggen, met de handen onder mijn hoofd, starend naar het plafond. Naast me klonk de regelmatige ademhaling van Annibel. Ze lag zoals gewoonlijk van me af gewend en ik kon haar naakte rug zien waar het dekbed van haar af gegleden was. Haar blonde haren, die nog gevlochten waren, lagen als een kluwen touw op het kussen. Ik wist dat Annibel pas over twee uur op hoefde staan voor haar werk. Ze zou dan snel onder de douche springen, haar kleren aanschieten en een bord ochtendvla eten. Dan zou ze vertrokken zijn en bleef ik alleen thuis achter. Die gedachte trok me helemaal niet en in een opwelling stond ik op en maakte me klaar voor werk. Leermeester Rudolza had me een paar dagen de tijd gegeven. Ik had er aan één genoeg om mijn keuze te maken.

Vanaf die dag raakten we in een snel tempo van elkaar vervreemd. Dat duurde één week. We hadden geen seksuele gemeenschap meer en haar houding werd afstandelijk en in vlagen zelfs vijandig. Ik begon te vermoeden dat er iemand anders in het spel was gekomen, zeker nadat ze haar best had gedaan, en erin geslaagd was, om me tijdens de rustdagen ook thuis te houden terwijl ze tot diep in de nacht weg bleef. Na die week kwam de vraag die ik onbewust al verwacht had; of ik haar woonappartement wilde verlaten.

Ik vertrok met een vreemd soort opgelatenheid, alsof er een last van mijn schouders was gevallen. Annibel was voorgoed verleden tijd.
Nu ik weer alleen was en niet afgeleidt door het vrouwelijke schoon – en natuurlijk de bijkomende lichamelijke bekoringen – pikte ik zo goed en kwaad de draad weer op waar ik dacht deze gelaten te hebben. Ik was nu vierentwintig jaar oud en besloot dat ik niet tot aan mijn dood de assistent van een Leermeester wilde blijven. Ik zou de stap ondernemen en de opleiding volgen tot het doctoraat in het Leermeesterschap astronomie en sterrenkunde.
Hoewel er vreemd opgekeken werd bij mijn aanmelding, kon er geen enkele geldige reden gevonden worden om het te weigeren. Mijn motivatie was recht toe en eenvoudig; vergaren van wellicht essentiële kennis over de Hemelvlucht en het uiteindelijke reisdoel dat voor ons lag.
Twee weken later kreeg ik goedkeuring.

2

Mijn werk was het eerste jaar puur theoretisch. Ik las alles dat ik kon vinden, snuffelde in afgesloten delen van de Bibliotheek, waar ik met enige moeite en overredingskracht van de bibliothecaris toegang tot kreeg, maakte aantekeningen en voerde berekeningen en simulaties uit. Zo werd ik ten slotte geconfronteerd met het verschijnsel dopplereffect en roodverschuiving, iets waar zelfs mijn Leermeester nog nooit van had gehoord. Ik zag een unieke kans liggen en greep die met beide handen. Pas nadat ik de resultaten van de eerste metingen ging analyseren merkte ik dat er iets niet klopte.
Vanaf jongs af aan was me geleerd dat Hemelstad met een constante snelheid van 0,999 cee in de richting van Andromeda vloog. Dit lag dicht bij de absolute lichtsnelheid constante; de snelheid die nodig was om het schokfront van de vernietigingsgolf voor te blijven. Maar het strookte niet met mijn metingen en ik ontdekte dat Hemelstad nooit harder kon gaan dan een half cee.
Ik deelde deze kennis met Leermeester Valentia, maar die trok mijn bevindingen in twijfel. ‘Mijn beste meester Uther. Er zijn een aantal feiten die vast staan. Eén daarvan is de snelheid die Hemelstad heeft. De vernietigingsgolf die ons achtervolgt heeft een snelheid die slechts een paar procent lager ligt. Als we met de helft van de huidige snelheid zouden reizen, was jij er nu niet geweest om deze rekenfouten te maken.’ Leermeester Valentia sloeg me bemoedigend op de schouder. ‘Ik vermoed dat je het helemaal mis hebt met die faseverschuiving van het licht. De snelheid van het licht is een constante die niet onderhevig is aan enige verandering.’
‘Frequentieverschuiving,’ verbeterde ik hem. ‘Geen faseverschuiving.’
Valentia glimlachte. ‘De lichtsnelheid is een constante. Punt. Je moet je niet té veel bezig houden met die antieke kennis. Uit welk jaar stamt die theorie? Achttien tweeënveertig? Meester Uther, dat is uit een tijd die nog ver voor de Hemelvlucht ligt. Dat kun je toch niet serieus nemen?’
Ik stond erop dat hij mijn bevindingen bekeek maar Valentia schudde zijn hoofd. ‘Het is niet voor niets dat die antieke boekwerken zo ver weg verborgen zijn, en eigenlijk niet toegankelijk moeten zijn voor mensen zoals jij. Ze zouden in mijn ogen vernietigd moeten worden. Vergeet het, meester Uther. Kies iets dat meer waarheidsgetrouw is.’
Eén ding leerde ik van dat gesprek; ik hoefde in wetenschappelijke kringen niet op enige steun te rekenen. Alsof het toeval het toeliet, ontmoette ik een week later Rakt tijdens het Halfuurtje en knoopte een gesprek met hem aan.

Ik had Rakt al meer dan drie jaar niet gezien en zag enigszins tot mijn verbazing dat de mollige jongen een magere man geworden was, met pezige armen en benen en een modieus ringbaardje rond zijn mond. Zijn ogen stonden echter nog even wild als vroeger en hij had de neiging te vervallen in een samenzwerend gefluister waarbij hij de hele omgeving tegelijkertijd in het oog probeerde te houden. Naarmate het gesprek vorderde begreep ik ook waarom. ‘Jazeker,’ zei hij. ‘Het is nu eenmaal zo dat de Clans iets geheim houden. Ik ben er niet zeker van wat het is, maar het gaat ons allemaal aan.’
‘Bedoel je die staatsgreep waarover je vroeger sprak?’
Rakt grinnikte en boog zich naar me toe. ‘Ik was jong en zag overal het romantische van in. Ik dacht dat het wel interessant zou zijn als dat gebeurde en zag mezelf als degene die het aanvallende Syndicaat tot staan zou brengen. Ik als held, staande op de puinhopen van de strijd, gespierd en onoverwinnelijk. Geen vrouw die me zou kunnen weerstaan.’
‘En nu?’ vroeg ik glimlachend.
Rakt leunde achterover met een zelfingenomen glimlach. ‘Nu is alles anders,’ antwoordde hij en ik kreeg het kippenvel toen ik zijn volgende woorden hoorde. ‘Ik ben gaan inzien dat de waarheid niet de waarheid is die we kennen. Uit een bijzonder betrouwbare bron heb ik vernomen dat de Clans onderling niet op goede voet staan.’
‘Dat lijkt me sterk.’
‘Nee nee. Het is echt zo. Dat feit kwam pas echt naar voren na de explosie van één van de motoren, acht jaar geleden.’
‘Dat herinner ik me nog wel,’ zei ik. ‘Hoewel er nooit een bevestiging is gekomen dat het om een explosie ging. Drie motoren raakten beschadigd, niet?’
Rakt schudde zijn hoofd. ‘Nee, één explodeerde, de naastliggende werden tijdelijk uitgeschakeld vanwege veiligheidsoverwegingen. Maar er was méér; de mensen van de Clan die de geëxplodeerde motor in beheer had, waren op één persoon na allemaal in het ongeval gestorven. De naastliggende Clans vochten om het restant.’
‘Weet je wel zeker dat het een betrouwbare bron is,’ vroeg ik met enig sarcasme in mijn stem.
‘Herinner je dat vreemde meisje nog, dat een half jaar later bij ons in de klas kwam?’
De herinnering kwam plotseling weer boven drijven. ‘Bedoel je Iris?’ vroeg ik verbaasd.
Rakt knikte. ‘Iris, ja. Ik was haar naam vergeten. Wist je dat zij de enige overlevende van die Clan was? Omdat ze nog minderjarig was kon ze geen zeggenschap krijgen over die motor, of wat ervan over was. In het strijdgewoel tussen de twee concurrerende Clans vertrok ze naar Hemelstad.’
Er trok een rilling door me heen. De lang begraven herinneringen lagen plotseling weer bovenop. Is wist weer hoe ze opgehaald was door haar mensen en herinnerde me het raadsel dat ze me gegeven had als bij toverslag. ‘De waarheid is een leugen,’ zei ik zachtjes en vervolgde met de woorden die ik zo lang geleden gehoord had: ‘De leugen is een dwangmiddel. Het dwangmiddel is de sleutel tot de werkelijke macht. De macht bestaat uit de waarheid; voorbij de Zijkant stralen de sterren.’
‘Wat zeg je?’ vroeg Rakt.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Niets, een herinnering die ik verloren had. Dat is alles. Zeg, vertel me eens Rakt, weet jij iets af van onze reis naar Andromeda en de vernietigingsgolf waarvoor we vluchten?’
Rakt haalde zijn schouders op. ‘Niets meer dan jij, misschien zelfs minder. We moeten nog een twintigtal generaties reizen voordat we op de plek van de Hemelpoort zijn, de plaats waar onze verlossing ligt.’
‘En voorbij de Zijkant? Weet jij wat daar te vinden is?’
‘Duisternis,’ antwoordde Rakt ongeïnteresseerd. ‘Dat weet iedereen. Hoezo? Twijfel je daaraan?’
Ik probeerde van onderwerp af te stappen. ‘Ach, ik heb ooit iets gehoord over sterren die zichtbaar zouden zijn als je over de Zijkant zou kijken.’
‘Vlak voordat ze opgeslokt worden door die vernietigingsgolf zeker,’ grinnikte Rakt. ‘Nee, Uther. Ik zie misschien overal spoken maar zo dom ben ik ook weer niet.’

Na het Halfuurtje met Rakt vertrok ik met het gevoel dat er iets gaande was waar niemand iets van wist, of wilde weten. De woorden van Iris echoden weer in mijn hoofd, waar ze al die jaren hadden liggen sluimeren. Er was iets veranderd; de manier waarop ik de stad bekeek, de mensen die naast me op het roltrottoir stonden of die me vanuit tegengestelde richting voorbij schoten. Ik bekeek de gezichten met een vernieuwde blik en zag onwetendheid, oninteresse en de berusting in de situatie waarin ze verkeerden. Het leven bestond uit een opeenvolging van dagelijkse bezigheden met ergens in de toekomst de verlossing uit het huidige bestaan. Nergens waar ik keek zag ik de angst voor hetgeen waarvoor we op de vlucht waren; alsof het gevaar niet eens bestond en alleen in naam ons achtervolgde. Het was niets meer dan een feit, een gegeven dat ons vanaf de geboorte ingelepeld was en wat even onwrikbaar was als de opeenvolging van de dagen. We accepteerden de reden van onze vlucht, generatie na generatie, zonder ook maar ergens vraagtekens bij te zetten. Mijn ontdekking in de bibliotheek en de onthutsende reactie van Leermeester Valentia bewees dat.
Plotseling begon ik te begrijpen dat juist die ontdekking, die in eerste instantie zo onwaarschijnlijk en onwerkelijk had geleken, wel eens de waarheid kon zijn. Was dit waar Iris me jaren geleden voor waarschuwde? Was dit het geheim waarop Rakt al die tijd broedde? Was dit de kennis die de Clans voor zich hielden en waar het allemaal om ging? Maar als dat zo was, met welk doel?
Zonder erbij na te denken stapte ik over op een sneller roltrottoir dat afboog naar de buitenste cirkels. Het ging volledig onbewust en ik realiseerde me pas waar ik naar op weg was toen de wooncomplexen van de derde cirkel aan me voorbij gleden. Achter me gonsde de stad met de geluiden waar ik me eerder niet van bewust was geweest. Het waren de geluiden van onwetendheid die ons allemaal gevangen hield. Ik kreeg een koude rilling toen het tot me doordrong dat ik ergens een grens doorbroken had en ik aan de zijde stond waarvoor Iris me ooit gewaarschuwd had. ‘De waarheid is een leugen,’ herhaalde ik de woorden zachtjes in mezelf. ‘Dat begrijp ik Iris, maar waarvoor is de leugen een dwangmiddel? Wat moet in bedwang gehouden worden?’
Aan de rand van de stad stapte ik van het roltrottoir af en keek over de Agrarische Velden naar de horizon, waar de Zijkant als een dreigende schaduw zichtbaar was, omlijst werd door de gloed van de eeuwig brandende motoren. Die gloed benadrukte de geheimzinnigheid die er overheen lag. Daar ergens bevond Iris zich. Daar was de echte waarheid te vinden. De enige manier om achter die waarheid te komen was om er naartoe te gaan en zelf met eigen ogen te zien of er sterren voorbij de Zijkant te zien waren.

Niemand ging naar de Zijkant. Dat was een feit. Niemand wist wat er te vinden was. Het was het domein van de Clans die de motoren onderhielden. Zestien Clans – nu vijftien als ik Rakt mocht geloven, waarvan de afgevaardigden het Syndicaat vormden.
Het leven in Hemelstad was vrijwel zelfregulerend. De Zestien Afgevaardigden van de districten vormden samen een regering die er meer voor de vorm was dan uit functionaliteit. Ze belegden vier keer per kalenderjaar een vergadering welke niets meer dan een presentatie van cijfers was; oogstgetallen, geboortes en sterfgevallen, aantal zieken of een enkele keer het defect raken van apparatuur. Actie hoefde er niet genomen te worden omdat dergelijke problemen zichzelf oplosten. Het was het gevolg van een goed geoliede machine die millennia de tijd gehad had om tot een hoge graad van perfectie te komen. Eens per jaar was er een openbare zitting in de bovenste verdieping van de Hemelscheerder, waar de leden van het Syndicaat ook aan deelnamen – een gebeurtenis die ondanks het gewicht weinig geïnteresseerden trok.
Wat ik ervan wist was dat het een bijeenkomst van groot vertoon moest zijn, waarbij traditie en saaie protocollen hoogtij vierden. De zestien leden van het Syndicaat en haar zestien tegenhangers van de stad hadden elkaar weinig te vertellen. Officiële woorden werden gewisseld en vormelijke antwoorden gegeven.
Inmiddels waren er meer dan tien maanden verstreken sinds de laatste bijeenkomst en ik overwoog of het zinvol was om dit maal te gaan kijken. Een stem in de vergadering had ik niet, hoewel ik wel de gelegenheid had een agendapunt in te dienen. Dat punt zou dan in mijn bijzijn behandeld worden en ik zou een aantal dagen later een officieel en vormelijk antwoord krijgen.
Ik overwoog alle andere mogelijkheden die ik nog had. Het waren er minder dan waarop ik gehoopt had. De ontnuchterende reactie van Leermeester Valentia stond me nog goed bij. Ik had geen enkele reden te verwachten dat één van de Zestien Afgevaardigden er anders op zou reageren, laat staan dat het onderwerp serieus tijdens de jaarvergadering behandeld zou worden. Aankloppen bij het Syndicaat was al helemaal onmogelijk. Bovendien, indien mijn donkere voorgevoelens waar bleken te zijn, was het Syndicaat juist de partij die als tegenstander aangemerkt diende te worden.
Hoe ik er ook tegenop zag, er leek maar één enkele weg open te zijn: zelf naar de Zijkant te reizen.

3

Ik had alles tot in de puntjes geregeld. Veel hield dat niet in, afgezien van een vergunning om naar een oogstfabriek te reizen. Het was normaal gesproken voor de stedelingen niet toegestaan deze fabrieken te bezoeken. Ik had lang geleden vanuit het VAT een excursie gehad, dankzij de connecties van Leermeester Yipton, en moest terugvallen op de privileges die ik had met mijn status als Leerling Leermeester, én mijn affiniteit met het VAT. De naam Leermeester Yipton bleek ten slotte de sleutel te zijn.
‘Meester, u wilt naar Station Zes? Dan wil ik u in voren zeggen dat de kans daartoe bijzonder klein is. Wellicht ziet u af van de vereiste acht formulieren?’
‘Geenszins. ‘Moeten ze allemaal ingevuld worden?’
De beambte knikte. ‘Ja. Allemaal. Ik wil u alleen erop wijzen dat gemiddeld slechts vier mensen per jaar toegang krijgen, en dan alleen bij hoge uitzondering.’
Ik glimlachte. ‘Een aantal jaren geleden ben ik al een keer bij de oogstfabriek geweest. Ik zie geen enkel probleem dat goedkeuring van mijn verzoek in de weg zal liggen.’
‘Een aantal jaren zegt u?’ De beambte keek op zijn scherm. ‘Uw naam komt niet voor in de lijst met geautoriseerde personen. U heeft dan eerder veel geluk gehad en ik ben bang dat het dit keer niet zal lukken.’
‘Misschien moet u bij Vooropleiding Algemene Techniek kijken,’ opperde ik enigszins geërgerd.
De beambte keek met toegeknepen ogen en wendde zich weer tot het scherm. ‘Het VAT zegt u? Welke Leermeester heeft u gehad?’
Leermeester Yipton, antwoordde ik.
De beambte voerde enkele gegevens in, kuchtte zakelijk en haalde een formulier uit zijn lade. Met een zwierig gebaar plaatste hij een stempel en overhandigde het vel papier. ‘Dit moet u invullen.’
Ik keek naar het vel papier. ‘Ik dacht dat ik acht formulieren moest invullen?’
De beambte maakte een onvriendelijke grimas. ‘U heeft een verkorte procedure. U vult dit formulier in en ik zet er mijn handtekening onder.’
Zonder iets te zeggen vulde ik alle open velden in en vroeg me af hoe gemakkelijk het zou zijn om me te traceren. Van de andere kant, deze vorm van bureaucratie had natuurlijk haar eigen logge gewicht tegen zich. De verkorte procedure liet al doorschemeren dat het niet optimaal werkte en open stond voor mazen in de wet. Enigszins gerustgesteld overhandigde ik het formulier en keek aandachtig toe hoe de functionaris het doornam. ‘Het laatst wat we hier willen is een toeristische attractie maken van de Agrarische Velden,’ zei hij toen hij mijn blik zag.
‘Natuurlijk,’ antwoordde ik.
De functionaris knikte. ‘Ik zie dat u het begrijpt. Ik ben van mening dat het belangrijk is dat een oprechte persoon als u in de gelegenheid moet zijn om de nieuwsgierigheid te bevredigen door de herkomst van ons voedsel te controleren. We zijn tenslotte blindelings aangewezen van wat er ons voorgeschoteld wordt. Niet?’
Ik beaamde dat. ‘U hebt gelijk meneer. Het is een vorm van controle.’
‘Gaat u met dat doel?’
Even werd ik door twijfel overvallen. ‘Leermeester Yipton heeft de excursie naar een oogststation gegeven,’ zei ik voorzichtig. ‘Dit had als doel het kweken van begrip en bewustzijn van het delicate evenwicht dat in stand wordt gehouden. Er zijn sindsdien enkele vragen gerezen die mijn huidige opleiding enigszins belemmeren. Ik wens die vragen te beantwoorden.’
De functionaris keek me met toegeknepen ogen aan. ‘Wellicht kunt u in het vervolg een aanvraag via de universatoren waar u werkzaam bent indienen. Niet dat je op die officiële manier gemakkelijker toestemming krijgt, maar toch.’
‘Ik zal er de volgende keer aan denken,’ antwoordde ik met een vriendelijke glimlach en was blij dat ik het kantoortje eindelijk kon verlaten, mét een vergunning voor één dag. Het was alles wat ik hoopte nodig te hebben.

De glijbaan bracht me met grote snelheid naar de oogstfabriek wat tevens het eindstation van de glijbaan was.
Drie kilometer mat de afstand tussen de stad en de Zijkant. De oogstfabriek was op een derde van die afstand van de stad gebouwd. Van daar uit zou ik twee kilometer moeten lopen aangezien ik geen beschikking had over een vliegmachine. Voor de gelegenheid was ik gekleed in de kleding die door de meeste werkers op de Agrarische Velden gedragen werd; een donkergroene broek die wijd in de taille was en strak rond de enkels, korte laarzen van soepel leer en een strak truitje met korte mouwen in een kleur die bijna zwart was, en die glansde met een donkergroene tint. Op deze manier kon ik me waarschijnlijk op de meest onopvallende manier verplaatsten. Ik schatte dat ik er minstens een uur over zou doen om de Zijkant te bereiken. Wat ik dan moest doen kon ik met geen mogelijkheid raden. Ik moest me laten leiden door de situatie die zich voor zou doen. In het gunstigste geval zou ik ongezien binnen kunnen komen. In het ongunstigste geval zou ik opgepakt worden voordat ik ook maar in de buurt zou komen.

Tot mijn grote ergernis werd ik bij de oogstfabriek opgewacht door de bedrijfsleider die eerst met een diepe frons mijn kleding bezag, en toen een overdreven enthousiasme tentoon spreidde. ‘Meester Uther, wat een eer dat u onze fabriek met een bezoek vereert,’ riep hij terwijl hij met uitgestoken armen naar me toe kwam en me beide handen schudde. ‘Het is niet elke dag dat een zo vooraanstaande persoon interesse in onze nederige werkzaamheden toont, ook al is het een Leerling Leermeester. Ik ben veldmeester Gewyn, de bedrijfsleider van deze oogstfabriek.’
Ik negeerde zijn vreemde opmerking en keek verlangend naar de donkere muur die zich aan de horizon uitstrekte. Veldmeester Gewyn zag mijn blik en grijnsde zijn tanden bloot. ‘De Zijkant is hier dichtbij, dat is waar. Maar laat u niet afleiden door die duistere geheimen waar al die Clans op zitten te broeden. Zo lang ze de motoren draaiende houden en de vernietigingsgolf onder ons, mogen ze zo geheimzinnig doen als ze willen.’
‘Eén motor is ooit uitgevallen,’ zei ik in een poging het uiterste van zijn kennis te toetsen.
‘Eén? Wel drie. Het waren die drie daar.’ En hij wees met een trillende vinger. ‘Iedereen zegt dat ik gek ben, maar ik weet zeker dat ik het voelde. Het leek wel een schok die door Hemelstad voer.’
‘Ze zeggen dat een motor explodeerde, maar ik weet niet of het waar is,’ opperde ik.
Veldmeester Gewyn haalde zijn schouders op. ‘Wie zal het zeggen. Ik ken die verhalen ook. Maar nu werkt de motor weer. Wist u dat acht motoren van de zestien uit kunnen vallen zonder dat we gevaar lopen snelheid te verliezen?’
‘Dat wist ik niet.’
‘Het is echt zo,’ knikte de veldmeester. ‘Maar dat is zorg voor de leden van de Clans. Ik zou niet willen ruilen, voor geen geld. De verantwoordelijkheid die ze aan de Zestien Afgevaardigden moeten afleggen is immens. Die vergadering is over anderhalve maand, niet?’
‘Twee meende ik,’ zei ik. ‘Maar ik kan het mis hebben. Het is niet iets waar ik dagelijks mee bezig ben.’
‘Ik ook niet,’ beaamde Gewyn.
Zwijgend bleven we even naar de Zijkant kijken. Veldmeester Gewyn vertoonde wat ongeduld waardoor ik met opzet langer bleef staan. Ten slotte zei ik op ongeïnteresseerde toon: ‘Je kunt van hieruit gemakkelijk naar de Zijkant lopen, lijkt mij. Zeker als je aan de einder van de Velden werkt. Wordt dat ooit gedaan?’
Gewyn schudde zijn hoofd. ‘Nooit. Niemand gaat naar de Zijkant. Het is een ongeschreven wet. Maar ook niemand heeft de neiging daar naar toe te gaan. Bovendien zou die persoon door de patrouilles van de Clans opgemerkt worden, en afgevoerd.’
‘Afgevoerd? Waarheen?’
‘De stad. U zult het strakjes wel op de plattegrond zien, halverwege tijdens de rondleiding, dat we niet tot aan de muur van de Zijkant mogen verbouwen, als dat al zou kunnen. Het is een soort niemandsgebied, beplant met hoge bomen. Ze noemen het een bos.’
‘Een vreemde situatie,’ zei ik oprecht. ‘Je zou verwachten dat de stadsbewoners toch de gelegenheid zouden krijgen om hun nieuwsgierigheid te bevredigen.’
‘Net als hier op de oogstfabriek,’ riep veldmeester Gewyn opgewekt. ‘Volgt u mij, meester Uther, dan kunnen we met de rondleiding beginnen.’
‘Eén laatste vraag nog,’ riep ik snel. ‘Hoe zou men het beste bij de Zijkant kunnen komen?’
‘Lopend,’ was het antwoord van verbaasde veldmeester en hij bekeek mijn kleding kritisch. Hij vervolgde enigszins behoedzaam: ‘Een andere weg is er niet. Alleen de Clans beschikken over vliegmachines. Volgt u mij, de rondleiding duurt iets meer dan een uur en dan eindigd mijn werkploeg. Ik moet voor die tijd klaar zijn, hoe graag ik u ook ten dienst wil zijn.’
Zwijgend volgde ik de man terwijl ik mijn hersens pijnigde over hoe ik ongemerkt weg kon glippen. Ik zag geen andere gelegenheid dat het moment dat ik terug zou gaan naar de stad.
Gedurende de rondleiding zag ik hem geregeld op zijn polschronograaf kijken en ik kreeg het idee dat hij er erg op gebrand was de rondleiding te voltooien voor zijn ploeg eindigde. De kans bestond dat hij gehaast afscheid zou nemen en mijn vertrek niet gade zou slaan. ‘Hoe worden de oogsten binnen gehaald,’ vroeg ik, nadat ik een uitleg van vijf minuten bij een maquette had gekregen. Kleine modellen van de oogstmachines aan omgekeerde glijbanen hingen tussen de stad en de Zijkant die, tot mijn grote teleurstelling, verstoken was van enig detail. Maar het bos was aanwezig, hoewel ik betwijfelde dat het net zo waarheidsgetrouw zou zijn als de overige delen van de maquette.
‘We maken gebruik van volautomatische oogstmachines,’ antwoordde veldmeester Gewyn. ‘Omgekeerde glijbanen voorkomen dat we kostbare grond moeten opofferen aan paden of wegen. U zult ze strakjes op de monitoren in bedrijf zien. Komt u?’
Ik negeerde zijn aanmaning tot verdergaan. ‘Jaja, maar moeten die oogstmachines niet voorzien zijn van een bestuurder?’
Gewyn keek verbaasd. ‘Waarom zouden ze? Ze zijn volautomatisch. Bovendien worden ze door de glijbaan geleid. In goede banen, zo u wilt.’ Hij grinnikte om zijn grapje.
‘Maar hoe kunnen de oogstmachines herkennen wat er geoogst moet worden,’ hield ik vol. ‘Immers, ze kunnen niet zien of het product al rijp is.’
‘We programmeren alles zorgvuldig,’ zei Gewyn haastig terwijl hij de tijd in de gaten hield. Aan zijn houding kon ik zien dat hij begreep dat mijn rondleiding niet binnen de gestelde tijd voltooid zou zijn. Toch was hij verplicht zijn ronde af te maken en aan al mijn wensen te voldoen. ‘De rijpingstijd van de producten wordt nauwgezet in de gaten gehouden,’ vervolgde hij grimmig. ‘Er zijn schema’s die de tijd van zaailing tot oogst van de verschillende producten nauwgezet weergeven. We hebben hier een constant klimaat, een nauwkeurig gereguleerde lichtopbrengst en grondstofvoorziening. Daarnaast hebben we monitors in dienst die in kubussen de omgekeerde glijbanen berijden en een nauwkeurig oogje in het zeil houden.’
‘Ik begrijp het,’ zei ik nadenkend. ‘Met oogstmachines die al het werk verrichten is er geen noodzaak voor menselijke arbeid.’
‘Ik weet waar u naar toe wilt,’ onderbrak de bedrijfsleider. ‘Niet alle oogstvelden kunnen door machines geoogst worden. Er zijn producten die beter met de hand geoogst kunnen worden. Gelukkig heb ik die producten niet onder mijn hoede.’ De man boog naar me toe en zei heimelijk: ‘Het wil nogal eens problemen opleveren, die werkers uit de stad. U weet wel, lui en met geen stok vooruit te branden. Het zijn de ongeschoolden.’
Ik knikte ten teken dat ik het begreep.
Zo stelde ik nog meer vragen die zijn tijdschema danig in de war schopten. Ik kreeg er zelfs voldoening in maar wist me ten slotte in te houden. Ik moest niet het risico lopen dat de rondleiding door de volgende ploeg over genomen zou worden.
Meer dan een uur later was de rondleiding voltooid. Veldmeester Gewyn, die nu duidelijk veel haast had, bracht me bij het glijbaanstation dat me naar de stad moest brengen. ‘Vergeef me als ik haastig over kom,’ zei hij met een korte buiging. ‘Maar ik ben over mijn ploegtijd gegaan.’
Ik wuifde de verontschuldiging weg. ‘Ach, ik begrijp het. Ik red me vanaf hier wel. Als het u zoveel haast hebt kunt u maar beter snel gaan.’
Veldmeester Gewyn knikte. ‘Dank u voor het begrip, meester Uther. ‘Ik hoop u nog eens hier te kunnen ontmoeten. Wellicht dat ik dan meer tijd ter beschikking heb.’
En weg was hij. Meteen dook ik achter de glijbaankubus en verschool me tussen de tweeëneenhalve meter hoge maïs dat, zo had bedrijfsleider me verteld, bijna oogstrijp was.
Tevreden gestemd, maar met een hart dat flink tekeer ging, wachtte ik ongeduldig tot de glijbaankubus waarin ik zou moeten zitten verdwenen was, en luisterde naar het geluid van een volgende kubus die naar alle waarschijnlijkheid Gewyn zou bevatten. Toen richtte ik mijn blik op de horizon en begon aan mijn tocht tussen de maïsstengels door, op weg naar de Zijkant.

4

Het was niet gemakkelijk om een goede richting aan te houden. Ik probeerde mijn positie continu te bepalen aan de hand van de hemeltorens die nog net boven het gewas uitstaken. De stengels waren weerbarstig waardoor ik het gevoel had steeds verder tegen de draairichting af te buigen. Zo nu en dan corrigeerde ik, maar na een half uur had ik het gevoel dat ik niet meer wist waar ik was.
Vier meter boven de gewassen hingen de glijbanen van de oogstmachines. Voor zover ik kon herinneren liepen die in een gelijkmatig patroon maar ook aan de hand van die glijbanen wist ik niet of de richting ik nam de juiste was.
Twee keer hoorde ik een vaag fluitend geluid. De eerste keer bleef ik afwachtend staan luisteren met een mengeling van angst en nieuwsgierigheid. Toen zag ik plotseling een kleine kubus verschijnen waar een man door de transparante wanden naar beneden tuurde. Ik dook in elkaar en maakte me zo klein als ik kon. Even dacht ik gezocht werd. Mijn naam stond tenslotte in de formulieren van de glijbaan beambte. De kubus die me weer naar de stad had moeten brengen zou inmiddels wel aangekomen zijn. Toen herinnerde ik me dat Veldmeester Gewyn het over monitoren gesproken had, die de groei van de gewassen nauwlettend in de gaten hielden.
Mijn angst op ontdekking nam af toen de kubus voorbij gegleden was. Maar ik bleef ongerust over het duidelijke spoor dat ik achter gelaten had. Een weg terug had ik echter niet meer, ik moest vooruit.

Na een uur werd ik getrakteerd op een nieuw geluid. Dit was niet het fluitende geluid van de voortbewegende kubussen op de glijbaan, maar een luid gesnipper. Opnieuw dook ik in elkaar en wachtte op wat er komen ging. Het geluid trok op een tiental meter afstand aan me voorbij en ik sloop in die richting, verborgen tussen de hoge maïsstengels. Plotseling brak ik door de zijkant van het maïsveld en stond in een kaal pokdadig landschap waardoor ik in één oogopslag zag dat ik inderdaad afgedwaald was. Links van me hing een grote brede machine die een tien meter brede baan gewas als een gulzig dier op slokte. Een brede mond sneed het gewas vlak boven de aarde af waarna het een trechtervormige buis ingezogen werd. Een tweede machine, meer een plat laadplatform hing aan de naastliggende glijbaan. Een transportkoker spuwde elke tien seconden een stevig pakket uit dat door een achttal armen opgevangen werd en netjes gestapeld. Ik herkende het ding van de rondleiding.
Ik kroop weer tussen de planten en bedacht me dat ik van geluk sprak dat de maïs van het veld waarin ik me bevond nog niet geheel rijp was. Het zou mijn tocht naar de Zijkant aanzienlijk gevaarlijker gemaakt hebben, iets wat ik als stedeling nooit had kunnen voorzien. De werkers op de oogstfabriek zouden vreemd opkijken als ze er mijn fijngehakte lichaam tussen de groenten zouden vinden. Misschien dat er dan wel iets te vertellen zou zijn tijdens de jaarlijkse vergadering tussen het Syndicaat en de Zestien Afgevaardigden.

Het uitzicht over het geoogste veld hielp me mijn positie enigszins te bepalen, alsmede de richting die ik moest nemen. De Zijkant torende al aardig hoog op en ik verbaasde me erover dat ik dat niet had kunnen zien tussen de maïs. Ik schatte dat ik nog een half uur te gaan had. Ik hield de zijkant van het maïsveld aan om niet opnieuw af te dwalen, maar nu kon ik de aanzet van de koepel zien als ik omhoog keek. Ik moest opletten dat ik niet gebukt ging lopen, zo overweldigend was het massieve bouwwerk dat boven me uittorende. Toch schatte ik dat de hoogte hier vlak bij de Zijkant nog altijd honderden meters was. Misschien voelde ik me juist daarom uiterst klein en onbeduidend.
Tien minuten later brak ik uit de maïs en stond ik voor een bosrand die zich links en rechts uitstrekte.

Zoals elke jongen had ik gefantaseerd over hoe het zou zijn als je het domein van de Clans zou betreden. De Zijkant sprak ieder kind tot de verbeelding; het was ver weg, schijnbaar onbereikbaar en dus verschrikkelijk geheimzinnig. De aanblik van het bos en de donkere wand daarachter, die nu hoog over mijn hoofd over boog, wekte de herinnering aan de paar keer dat ik met een groepje leeftijdsgenoten naar de rand van de stad was gegaan. Daar hadden we op één van de recreatieplateaus naar de verte gestaard, verlangend naar avontuur. We hadden plannen gemaakt die aan het belachelijke grensden. Ik deed mee, omdat het half en half van je verwacht werd maar in werkelijk was ik er bang voor. Van alle jongens die toen op dat recreatieplateau stonden, was ik de laatste die daadwerkelijk een poging had durven ondernemen. En toch, ik, als de stille kleine Uther van toen, was juist degene die het ten slotte ook daadwerkelijk zou proberen. Wie had dat ooit kunnen denken.
Ik was er nog niet. Er restte me nog de weg door het bos waar het licht van Hemelstad nauwelijks in doordrong. Twijfelend draaide ik me om en keek over de Agrarische Velden heen naar de stad die in de verte zichtbaar was. Vanuit mijn positie had ik een uniek zicht op Hemelstad. Ik herkende de Hemelscheerder die tot ver boven de andere gebouwen uittorende. De koepel, die nu recht boven me begon, liep tot daarboven om vervolgens weer te dalen, negen kilometer verder. Vanuit mijn oogpunt was de koepel duidelijk te zien, tot de hoek zo groot werd dat het materiaal transparant werd. Dit was dus het uitzicht dat de Clans van de Zijkant af hadden en ik vond het adembenemend.
Plotseling voelde ik me alleen. De bedrijvigheid van de stad was hier niet zichtbaar. Zo nu en dan zag ik een oogstmachine boven de Agrarische Velden, maar de geluiden droegen niet zo ver. Het was stiller dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Hierdoor werd ik een lage bromtoon gewaar, op de grens van het gehoor, en ik verwachtte half en half dat er iemand aan kwam. Ik keek verwilderd rond, met een gevoel van opkomende haast, tot ik me besefte dat het geluid er de hele tijd was geweest. Wat ik hoorde moesten de enorme machines zijn die voor de luchtverzorging dienden. Ik was op de plaats beland die in feite het hart van Hemelstad was. Hier werden de processen in stand gehouden die ervoor zorgden dat alles functioneerde; de luchtbehandelingsystemen, watersystemen zuurstofgeneratoren. Ik wist niet eens wat er allemaal bij kwam kijken om een kunstmatig kringloopsysteem in stand te houden, maar het zou hier allemaal te vinden zijn. Althans, een deel daarvan want zoals we in de lessen van het VAT geleerd hadden, bevonden de primaire systemen diep onder onze voeten. Wat ik hier aantrof was slechts een deel daarvan en de Clans beheersten dit allemaal. In feite beheersten ze op die manier over het voortbestaan van Hemelstad, wat een macht vertegenwoordigde die groter was dan de Zestien Afgevaardigden samen.
Plotseling leek er een puzzelstukje op de plaats te vallen. ‘Het dwangmiddel is de sleutel tot de werkelijke macht,’ mompelde ik. En hoewel ik betwijfelde of dit het dwangmiddel was waarover Iris in haar raadseltje gesproken had, kon het wel als dusdanig begrepen worden.
Eén ding was me vanaf dat moment helemaal duidelijk. Ik wist nu zeker dat de macht in Hemelstad volledig en onbetwist bij het Syndicaat lag.

Ik betrad het bos met een onheilspellend voorgevoel. Het was er donker na de helder verlichte Agrarische Velden en ik moest mijn ogen even aan het lichtniveau laten wennen. Stap voor stap drong ik domein van de Clans binnen en het voelde aan alsof ik een maagdelijke wereld betrad, alsof ik hier de eerste mens was sinds het vertrek van Hemelstad. Dat was natuurlijk onzin, maar ik kon het gevoel niet van me afleggen. Ik was gespitst op elke geluid, maar de stilte hing zwaar tussen de stammen.
Het bos was niet een bos dat ik uit de boeken kende. De stammen van de bomen waren vrijwel kaarsrecht en de eerste takken ontsproten op ongeveer tweeëneenhalve meter hoogte. Een dik bladerdek hing boven mijn hoofd en nergens was een gat of opening te ontdekken. Dat het hier om een gecultiveerd bos ging was duidelijk. Het was gemakkelijk begaanbaar en de bodem was bedekt met een zachte donkere laag rottend materiaal dat niets anders dan humus kon zijn. Ik bukte en voelde de vreemde substantie die op geen enkele andere plaats binnen Hemelstad te vinden was. Het voelde warm en vochtig aan en ik vermoedde dat er op een dieper niveau water onder door stroomde.
De bomen stonden in willekeur, maar nooit dichter dan een meter of drie van elkaar. De schors was dik en bedekt met een groene laag die op de kleren en handen achterbleef. Ik probeerde het van mijn kleding af te wrijven maar ik wreef het er alleen maar dieper in. Na deze ontdekking waakte ik ervoor de schors niet aan te raken.
Het gevoel van onheil leek uit me te stromen en er kwam rust voor in de plaats. Ja, het was zelfs prettig om tussen deze levende stammen door te lopen. De lucht leek ook gezonder, geurig maar niet kunstmatig.
Plotseling stond ik aan de andere zijde van het bos en keek ik op een donker metallic wand die misschien wel honderd meter hoog was. Ademloos keek ik omhoog en volgde de lijnen tot ver boven me, en over me heen. Hoger en hoger tot de wand ver boven het bos overging in het transparante materiaal van de koepel. Nog nooit had ik zoiets indrukwekkends gezien. Er voer een rilling over mijn rug. Tegen de mensen die hierover de scepter waaiden kon niemand iets uitrichten. Zelfs als de volledige achttien miljoen mensen van Hemelstad zich tegen de Clans zouden richten, was het slechts een kwestie van het uitschakelen van de processen. Het zou een ramp betekenen, een terugval die onvoorstelbaar was. Maar het kon opnieuw opgebouwd worden.
Ik wist het zeker. Het Syndicaat had de macht volledig in handen.
Het was direct duidelijk dat ik de wand die boven me uittorende op geen enkele manier zou kunnen beklimmen. En als ik het al kon, hoe hoog moest ik dan klimmen? Ik kon nergens iets ontdekken dat mij toegang zou kunnen verschaffen. Met de moed tot in de schoenen gezonken keek ik naar links en naar rechts. Welke kant ik op ging maakte in feite niets uit. Ik koos de linkerkant.

Het liep al tegen het eind van de dag toen ik een verzonken trap in de wand vond. Ik had misschien een uur gelopen, langs een onveranderlijke wand die nergens enig detail vertoonde. Ik begon me af te vragen of deze wand niet iets anders was dan wat iedereen beweerde. De Clans woonden in de Zijkant, waar de motoren zich bevonden die Hemelstad door het Daarbuiten voortbewogen. Er moest een manier zijn om het domein te betreden, ook van hier af. De trap die ik ten slotte vond bevestigde dat, hoewel ik iets met meer grandeur verwacht had.
De trap leidde me naar een klein plateau op ongeveer dertig meter hoogte. Vanaf dit plateau kon ik over de boomtoppen heen kijken en zag nu dat de grond geleidelijk naar boven was gelopen. De Agrarische Velden bevonden zich misschien een vijftig meter lager. In de verte zag ik de stad liggen. Ze leek onbereikbaar en onwerkelijk zoals ze afgetekend stond tegen de donkere koepel. Ik vervolgde mijn blik naar boven en zag enkele sterren stralen. Ze leken even onbereikbaar als de stad zelf.
Met een zucht die de spanning in mijn lijf enigszins verzachtte wendde ik mijn blik af en zocht naar een deur of andere manier van toegang. Het plateau was half verzonken in de wand, nagenoeg rond met een diameter van vijf meter. Er was een toegangsdeur maar geen enkele manier om die te openen. Ik liet me tegen de wand neerzakken en keek naar de stad in de verte. Ik had deze dag al meerdere malen het gevoel gehad dat ik op een dood spoor zat, dat mijn queeste naar de rand van Hemelstad keer op keer in een fiasco zou eindigen. En nu zat ik hier, op de Zijkant, op steenworp afstand van hetgeen waarnaar ik zocht. Het leek erop dat het hier dan eindigde.
Minuten kropen voorbij in stilte. Ik genoot van het uitzicht, de rust. De spanning van het moment was verdwenen, weggeëbd in de diepten van mijn innerlijke en terwijl ik daar zat, met mijn armen om mijn benen geslagen en mijn kin op mijn knieën, zag ik rond de Hemelscheerder een lichtgrijze waas hangen. Even dacht ik dat het gezichtsbedrog was, maar toen drong het tot me door wat ik werkelijk zag: gecondenseerd vocht in de bovenste luchtlagen. Wolken.
Ik voelde de tranen opwellen bij het zien van dit unieke uitzicht. Nooit had ik kunnen denken, of alleen maar vermoeden dat ik ooit wolken zou zien zoals ik vroeger in het sprookje gehoord had.
Ik voelde me warm worden bij het zien van die ijle damp en begreep dat niemand in de stad dit ooit zou kunnen zien. Alleen hier, naar schatting honderd meter hoger dan het normale niveau, op een plateau tegen de Zijkant, was het mogelijk om dat zeldzame natuurwonder te bekijken.
Zo staarde ik tot ik stijf en koud was geworden, maar verwarmd door de herinnering aan de uren die ik op de hoge hemelscheerder had doorgebracht. Hoe had ik ooit kunnen vermoeden dat ik op dat moment letterlijk boven de wolken stond? Ik kon de beeltenis van Iris er niet in ontdekken, noch enkele andere vorm. Maar het waren wolken.
‘Het uitzicht is mooi, niet?’ zei een stem naast mijn oor.
Ik schrok op en sprong weg van de wand waar ik zat. Net iets té ver. Ik balanceerde op de rand van het plateau. Eén seconde, twee seconden, net lang genoeg om een lange man te zien die met een verschrikt gezicht zijn arm uitstak om me tegen te houden… en mistte. Ik voelde de grond onder mijn voeten wegschieten en ervaarde in een vlaag van verstandsverbijstering een moment van gewichtsloosheid, voordat ik met een doffe klap op de grond terecht kwam. Ik zag vlekken voor mijn ogen dansen terwijl ik probeerde te beseffen wat me was overkomen. Toen werd het donker en herinnerde ik me niets meer.

Copyright © 19 april 2005
Alle rechten voorbehouden