De sterren voorbij de Zijkant

"Je hebt uitsluitend macht over mensen zolang je niet alles van ze afneemt. Maar wanneer je iemand van alles hebt beroofd, is hij niet langer in je macht, hij is weer vrij."
Alexander Solsjenitsin

Act III – De queeste voor waarheid

1

Ik had een droom. In die droom was ik op weg naar de Zijkant. Daarin nam ik de glijbaan naar een oogstfabriek vanwaar ik te voet verder ging. Ik wilde de sterren voorbij de Zijkant zien, die volgens een raadsel dat me ter ore was gekomen moesten bestaan. Dit stond loodrecht op wat we geleerd hadden, dat alle sterren die we onder ons lieten opgeslokt werden door een golf van vernietiging. Maar ik had voldoende reden om daaraan te twijfelen.
In mijn droom lukte het me de Zijkant te bereiken, dwars door de Agrarische Velden heen en door het bos dat de laatste hindernis was. Ik beklom de wand die zich boven me uittorende en zag voor het eerst in mijn leven wolken. Toen viel ik terwijl iemand me met verschrikte ogen aankeek.
Ik staarde naar het plafond. Deze herinneringen leken zo onwaarschijnlijk dat ik me afvroeg of het wel allemaal gebeurd kon zijn. Als ik me herinnerde hoe ik hier in bed beland was kon ik er misschien nog een voorstelling van maken, maar vanaf het moment dat ik viel kon ik me niets meer herinneren. Tot ik hier in bed wakker werd.
Verward stond ik op en nam een verfrissende douche. Het gezicht dat me vanuit de spiegel aankeek droeg een baard van een week oud. Een week waarvan ik me niets herinnerde.
Ik schoor mijn gezicht en kleedde me aan. Ik voelde me ontheemd, verloren. Alsof ik een week lang uit het leven was verdwenen terwijl Hemelstad verder ging. Het voelde aan als een groot verlies dat ik niet meer zou kunnen inhalen.
Geplaagd door dat verlies liep ik naar het raam en keek naar de koepel die vanuit mijn woonappartement vrijwel onzichtbaar was. Als je goed keek zag je er de vage spiegeling van de Stad in. De koepel verdween achter de wooncomplexen die het zicht op de Zijkant in de weg stonden. Daar lagen antwoorden, nu meer dan ooit, en ik voelde de drang om erheen te gaan sterker dan ooit. De vraag was hoe?
Ik at een simpel ontbijt en maakte me klaar om naar het werk te gaan. Het leek me het beste als ik de draad voorlopig weer op zou pakken. Als ik inderdaad een week afwezig was geweest zou het werk inmiddels flink opgestapeld liggen. Ik had heel wat uit te leggen aan Leermeester Valentia.

De dag vorderde zoals alle dagen, in een opeenstapeling van seconden, minuten en uren. Tot mijn verwondering kwamen er niet veel vragen van Leermeester Valentia en ik waakte ervoor het onderwerp ter sprake te brengen. Ik schaamde me een beetje voor wat nu een bijzonder onverstandige actie leek. Omringd door de normale gang van zaken die zich rondom mij ontwikkelden, voelde het dwaas aan dit in twijfel te trekken. Er was niets mis met dit leven, er was geen reden om iets te willen veranderen. Hoogstens uit principe. De consequentie van verandering in de orde van grootte die ik voor ogen had, was een compleet ontregeld leven van achttien miljoen mensen. Ik wist niet of ik dat wel op mijn geweten wilde.
Gedurende de dag raakte ik er meer en meer van overtuigd dat ik me niet moest bemoeien met dingen die me niet aangingen. Het zou wel eens een wespennest kunnen zijn. Die overtuiging kreeg al vaste grond onder de voeten toen ik tijdens de middagpauze tot mijn grote verbazing een berichtje van Rakt kreeg, met het verzoek hem in de ‘Flamingo’ te ontmoeten.

2

Met gemengde gevoelens betrad ik de danssalon waar ik een jaar lang met Annibel was gekomen. Het was vroeg op de avond dus de kans dat ik haar zou ontmoeten was bijzonder klein. Dat kwam me wel zo goed uit want dat was het laatste waar ik naar uit keek.
Rakt zat in een kleine nis op de tweede verdieping met uitzicht op de vide. Ik wrong me langs de dansende mensen die hier zelfs op dit vroege uur te vinden waren en nam de kleine wenteltrap achter in de zaak om op de eerste verdieping te komen. De muziek klonk boven minder storend door een subtiel dempingsveld waardoor het een geschikte plaats was om gesprekken te voeren. De ‘Flamingo’ stond hierom bekend. Zwijgend schoof ik aan het tafeltje van Rakt en bestelde een biertje van het keuzescherm. Een knap serveerstertje, dat ik uit mijn tijd met Annibel kende, leverde het drankje af. Ze herkende me niet, of wilde me niet herkennen.
‘Waarom wilde je juist hier afspreken,’ vroeg ik Rakt.
De man haalde zijn schouders op. ‘Je kunt hier goed spreken zonder gevaar dat iemand meeluistert. Ik weet dat je hier altijd met Annibel kwam, maar het is de enige plaats met een dempingsveld dat afdoende werkt.’
‘Hoe weet je van Annibel?’
‘Ik ken haar.’
Ik keek hem met toegeknepen ogen aan. ‘Al lang?’
Rakt glimlachte. ‘Lang genoeg. Het gaat redelijk goed met haar, gezien de omstandigheden, voor het geval het je interesseert.’
‘Niet echt,’ loog ik en vroeg me af of Rakt een rol in de beëindiging van onze relatie had gespeeld. Ik zette het onderwerp van me af. ‘Waarom wilde je spreken?’
‘Je bent naar de Zijkant geweest. Dat was dom.’ Rakt grinnikte toen hij mijn opperste verbazing zag. ‘Je mond hangt open. Dat ziet er niet erg charmant uit. Je vraagt je natuurlijk af hoe ik dat weet.’
‘Je beweegt je in vreemde kringen rond,’ zei ik toen ik mijn mond gesloten had en mijn stem gevonden. ‘Dat heb je altijd al gedaan.’
‘Ik geef toe dat het niet de meest gangbare kringen zijn maar ze zijn nuttig en verschaffen me de informatie die ik verlang.’
‘En dat is?’
‘Informatie die ik niet met jou ga delen,’ bromde Rakt en hij nam een slok van zijn drankje. ‘In ieder geval, nog niet. Vertel me eens, Uther, wat deed je daar ginds?’
Ik grinnikte toen ik zag welke richting het in ging. ‘Jij houd je informatie voor je en verwacht dat ik de mijne zomaar op tafel gooi? Nee Rakt, laten we het spelletje volgens de regels spelen. Vergeet niet dat jij erop stond mij te spreken dus jij geeft mij meer informatie en dan zal ik vertellen wat ik weet.’
Rakt knikte en leunde met een glimlach achteruit. Hij keek even naar de dansvloer en ik liet mijn blik mee gaan. Een aantal mensen dansten op de wilde muziek die de laatste tijd in zwang was; een dol gejank van verschillende synthetische instrumenten dat als golven op en neer bewoog. Klagende tonen dansten op die zee van geluid dat zelfs door het dempingsveld heen wist te dringen. Het was niet mijn smaak van muziek. Ik betrapte mezelf erop dat ik naar Annibel zocht en ik was blij dat ik haar niet zag.
‘Ik kan je helpen,’ zei Rakt eindelijk, zo zachtjes dat zijn stem nauwelijks boven het geluid uit kwam. Hij bekeek me met getuite lippen alsof hij me bestudeerde. ‘Ik weet hoe je op de Zijkant kan komen, hoewel ik geen enkele reden kan verzinnen waarom je dat in hemelsnaam zou willen.’
‘Hoe dan?’ vroeg ik afwachtend.
Rakt schudde zijn hoofd. ‘Hoe is niet belangrijk. De reden wel. Vertel me die reden Uther. Wat is daar zo belangrijk dat je je leven op het spel gezet hebt om er te komen? Dan beloof ik dat ik je erheen zal brengen.’
Ik zuchtte. ‘Goed, ik zal het je vertellen. Herinner je nog hoe je altijd riep dat er een complot gaande was met betrekking tot het Syndicaat?’
‘Dat is oude koek. Een hoop onzin.’
Ik negeerde hem. ‘Ik heb het je nooit laten merken, maar het intrigeerde me. Toen kwam Iris.’
‘Ha,’ riep Rakt. ‘Ik wist het wel. Jij was verliefd op dat kind.’
Glimlachend knikte ik. ‘Ja, ik geloof van wel, hoewel ik het toen niet goed besefte. Op de dag dat ze werd weggehaald vertelde ze me een raadseltje.’
‘Ik herinner het me. Dat was tijdens een uitstapje naar een oogstfabriek, niet?’
‘Inderdaad.’
‘Wat vertelde ze je?’
‘Ze zei: “De waarheid is een leugen. De leugen is een dwangmiddel. Het dwangmiddel is de sleutel tot de werkelijke macht. De macht bestaat uit de waarheid; voorbij de Zijkant stralen de sterren.” Toen kwam die vliegmachine en stapte ze in. Ik heb haar nooit meer gezien.’
Rakt keek me met toegeknepen ogen aan. ‘Ik geloof dat je die woorden de laatste keer dat we elkaar zagen ook ter sprake bracht. Wat betekenen ze?’
Met één slok dronk ik mijn bier op om de keel te smeren. ‘Dat vroeg ik me ook af,’ zei ik terwijl Rakt een nieuw rondje bestelde. ‘Maar de woorden raakten vergeten. Ik leerde Annibel kennen en raakte verwikkeld in het uitgaansleven.’
‘Een verloren jaar.’
‘Zoiets,’ beaamde ik. ‘Hoe dan ook, zoals je schijnbaar weet – ook al zou ik bij hemel niet kunnen verzinnen hoe je dat zou weten – raakte de relatie op een dood spoor en dook ik in de opleiding om Leermeester te worden. En wel in astronomie en sterrenkunde.’
‘Oei,’ riep Rakt en hij leunde achterover om het serveerstertje plaats te geven de drankjes neer te zetten. Net voordat ze wilde omdraaien keek ze me met een verbaasde blik aan. ‘Hé, jou ken ik,’ riep ze met een hoge piepstem. ‘Ik meende het net al te zien, maar ja, je ziet ook zoveel mensen dat je niet alle gezichten kunt herinneren. Jij was die saaie vent die met Annibel ging?’
Ik knikte iets wat verlegen maar zei niets.
‘Zeg Rakt,’ piepte ze, ‘dit was wel de laatste figuur die ik in jouw gezelschap had verwacht, zeker na die affaire.’
Rakt stak zijn hand sussend op en sommeerde haar weg te gaan. ‘Hop Susan,’ zei hij. ‘Heb jij niet wat werk te doen?’
‘Zeikerd,’ mompelde ze en verdween.
‘Over welke affaire heeft ze het?’ vroeg ik nieuwsgierig.
‘Een kleinigheidje. Let er maar niet op. Dus jij waagde jezelf in het wetenschappelijk gebied dat niemand meer praktiseert.’
Ik grinnikte. ‘Dat is wel op zijn minst gezegd.’
‘Hoe heb je dat voor elkaar gekregen. De toestemming, bedoel ik.’
‘Een goed omschreven motivatie was voldoende,’ zei ik trots. ‘Als je het zo inkleed dat de onderzoekrichting ten goede van ons reisdoel komt is bijna alles toegestaan. In ieder geval, zo kwam ik op het spoor van enkele belangrijke natuurkundige wetten en formules. Om een lang verhaal kort te maken, ik ontdekte dat mijn bevindingen niet met de werkelijkheid overeen kwamen. Ten minste, wat we denken dat de werkelijkheid is.’
‘Interessant,’ mompelde Rakt. Hij had aandachtig zitten luisteren terwijl hij met zijn glas speelde. ‘Wat zou de werkelijkheid volgens jou dan moeten zijn?’
Even twijfelde ik maar zag niet in waarom ik het niet zou vertellen. Dit was een vuurtje dat direct zou doven, òf alles in vuur en vlam zou zetten. Ik besloot de gok te wagen. ‘Volgens de schoolboekjes reizen we met de snelheid van het licht in de richting van Andromeda,’ antwoordde ik. ‘We zijn onze Melkweg uit gevlucht, met de dood op onze hielen. Twintig generaties moet het nu nog duren voordat we er zijn en we de Hemelpoort betreden. Onder ons is het donker aangezien de vernietigingsgolf alles op haar pad desintegreert.’
‘Ik ken de theorie,’ bromde Rakt afwachtend. ‘Maar wat denk jij?’
‘Dat we maar met de helft van de lichtsnelheid reizen. Om precies te zijn 153.322,4321 kilometer per seconde.’
Rakt floot van verbazing. ‘En dat weet jij zo uit je blote hoofd?’
‘Dat getal zal me tot het einde van mijn leven bij me blijven. Maar dat is niet alles. Met hetzelfde natuurkundig principe wist ik de afstand tot Andromeda te meten en nu mag jij me vertellen wat die afstand is. Nee? Meer dan twee miljoen lichtjaar. Dat betekent dat we er met de huidige snelheid niet twintig generaties over zullen doen, maar nog bijna honderdvijftig duizend generaties.’

Het bleef even stil aan de tafel. De muziek golfde om ons heen, luid genoeg om de naastliggende tafelgesprekken niet te horen, zacht genoeg om een gesprek gaande te houden zonder te hoeven schreeuwen. Maar nu was er geen dempingsveld om de tafel nodig. Rakt staarde nadenkend naar zijn wijn. Ik had mijn zegje gedaan, meer zelfs dan ik van plan was geweest. Het had me opgelucht, alsof dit gesprek een gewicht van mijn schouders genomen had. En nu was het zijn beurt.
Eindelijk, na een eeuwigheid, liet Rakt een lange zucht. ‘Jij denkt dat dit een geheim is dat het Syndicaat verbergd?’ vroeg hij zachtjes. ‘Met wat voor doel? Ik zie het nut er niet van in, Uther. Je weet dat ik dol ben op dergelijke verhalen en theorieën, maar waarom juist zoiets? Wat zou de winst daaruit zijn?’
‘Dat vraag ik me ook af,’ antwoordde ik. ‘Toen kwam het raadsel van Iris om de hoek kijken: De waarheid is een leugen.’
‘Aannemelijk,’ mompelde Rakt.
‘De leugen is een dwangmiddel.’
‘Onderdrukking,’ antwoordde Rakt.
‘Het dwangmiddel is de sleutel tot de werkelijke macht.’
‘Duidelijk. Wie de waarheid kent heeft de macht. Dat zou jou dan nu heel machtig en gevaarlijk maken.’
Ik knikte slechts, hoewel die gedachte me angst aanjoeg. ‘De macht bestaat uit de waarheid.’
‘Dat is precies wat ik zei. Is er meer?’
‘Ja, de laatste: Voorbij de Zijkant stralen de sterren.’
Rakt wreef zich eens over zijn hoofd. ‘Mij lijkt het dat als je weet dat er sterren voorbij de Zijkant stralen, je de macht in handen hebt omdat het de waarheid is. Alleen snap ik dat niet.’
Nu was het mij beurt. ‘Wat zie je onder ons?’
‘Duisternis. De sterren zijn opgeslokte door het…’ Rakt zweeg met een frons op zijn gezicht. Ik zag het besef bij hem groeien en toen keek hij me verbaasd aan.’
Het was de eerste keer in mijn leven dat ik Rakt op deze manier tot zwijgen had kunnen brengen en het voelde heerlijk. Het was een overwinning. ‘Leermeester Valentia wist het zo mooi te zeggen,’ zei ik glimlachend. ‘Hij vertelde me dat ik het moest vergeten. Als we met die snelheid zouden vliegen was ik er niet meer om deze foutieve berekeningen te maken, zei hij. Maar stel dat ik gelijk heb, dan betekent het dat er geen vernietigingsgolf is. Anders zouden we tenslotte niet meer bestaan, dan had die ons al lang ingehaald. Daarom wilde ik naar de Zijkant, Rakt. Daarom wilde ik voorbij de Zijkant kijken, om te zien of er sterren zijn.’
Rakt zei maar drie woorden. ‘Ik help je.’

Ons gesprek zette zich voort waarin ik mijn tocht naar de Zijkant beschreef. Rakt hoorde het geamuseerd aan en liet zo nu en dan een compliment horen. Hij had geen verklaring over wat er na mijn val gebeurd was, alleen dat het onwaarschijnlijk was dat ik van dat plateau geduwd was. ‘Ik kan je dit vertellen,’ zei hij. ‘Ze hebben je verwondingen verzorgd en pas teruggestuurd nadat je genezen bent. Daarom ben je die week kwijt geraakt. De Clans zijn alles behalve gewelddadig, het enige wat ze niet willen is contact met de stedelingen. Ik geloof dat daar ook het probleem lag met Iris. Het is duidelijk dat ze hier nooit had mogen komen.’
‘Misschien,’ antwoordde ik maar ging er verder niet op in. Ik probeerde het gesprek in de richting van zijn voornemen te sturen. Rakt wilde echter niets meer los laten en zei dat hij binnenkort contact met me zou opnemen. Ik moest elk moment van de dag klaar zijn om te vertrekken. Het zou onverwacht komen. ‘Ik moet enkele dingen regelen en die kosten tijd,’ zei hij geheimzinnig en ik geloofde hem.
Het was al druk geworden toen ik de ‘Flamingo’ verliet. Rakt bleef langer en zei er bijna terloops bij dat het beter was als ik vertrok. Vlak bij de deur bleef ik echter staan en keek naar de plaats waar hij zat, verborgen in een hoek, hoog boven de dansvloer. De serveerster was weer bij zijn tafel en Rakt gebaarde wild. Het leek wel alsof hij ruzie maakte. Toen zag ik Annibel. Ze liep naar het tafeltje, duwde duidelijk zichtbaar het serveerstertje opzij, leunde voorover en kuste Rakt lang en intens.
Ik draaide me om en vluchtte de ‘Flamingo’ uit.

3

Door het gesprek met Rakt was er een gespannen stemming ontstaan. In de dagen die volgden keek ik halsreikend uit naar het moment dat hij zou verschijnen om me naar de Zijkant mee te nemen. Maar de dagen kwamen en vertrokken, zonder dat er iets noemenswaardig gebeurde. Het was een anticlimax waardoor ik in een sombere stemming raakte. Leermeester Valentia merkte het ook en zag mijn gebrek aan enthousiasme bezorgd aan. ‘Met die houding kom je er niet,’ zei hij goedbedoeld, en ik besefte dat maar al te goed. Desondanks snauwde ik hem af waarop hij zijn schouders ophaalde en me de rug toe keerde. Ik begreep dat wat er allemaal gebeurd was een zwaardere stempel op me had achtergelaten dan ik had willen beseffen.
Na één week speelde ik met het idee om naar de ‘Flamingo’ te gaan om Rakt op te zoeken. Maar het beeld van Annibel die hem kuste vulde me met weerzin waarop ik het idee al snel liet varen. Langzaam raakte ik geobsedeerd door Annibel en Rakt tot ik me begon af te vragen hoe lang ze al samen waren. Ik was op een punt aangeland dat ik overal iets achter begon te zoeken.
Vlak voordat we uit elkaar waren gegaan was het vermoeden gerezen dat ze iemand anders aan de haak had geslagen. De serveerster die me herkend had, had gesproken over een affaire. Op zich losstaande dingen, maar wel dingen die in één adem gesproken waren.
Langzaam groeide een afkeer tegen Rakt, zozeer zelfs dat ik me afvroeg of ik hem wel wilde vertrouwen. Hij had beloofd dat hij me naar de Zijkant zou brengen. Maar nu, drie weken later, had ik nog steeds niets van hem gehoord. En misschien was dat maar goed ook. Misschien kon ik de hele affaire maar beter uit mijn hoofd zetten. Leermeester Valentia had het bij het rechte eind gehad door me te waarschuwen voor die antieke literatuur en wetenschap. Er kwam niets goeds van.
Ik sprak met niemand over mijn twijfels en probeerde het ten slotte uit mijn gedachten te zetten. In de ochtend stond ik op, ging naar de universatoren waar ik mijn lessen kreeg, maakte mijn opdrachten naar behoren en leerde wat ik moest kennen, nam mijn Halfuurtje en ging tegen de avond weer naar huis. Het gaf me geen bevredigend gevoel, maar het hield mijn gedachten af van andere dingen. Ik waakte ervoor om ook maar één keer naar de Zijkant te kijken.

Het was in de vijfde week na mijn terugkeer toen Leermeester Valentia me apart nam. ‘Ik maak me bezorgd om je,’ zei hij, en zijn stem klonk werkelijk bezorgd.
‘Doe ik mijn werk niet goed?’ vroeg ik hem.
Valentia schudde zijn hoofd en vouwde zijn handen onder zijn kin. ‘Je werk is naar behoren. Je kwijt je goed van je taken en neemt de leerstof goed in je op. Maar je doet het zonder enige overtuiging. Meester Uther, er drukt iets op je hart dat een sombere en levenloze uitstraling teweeg brengt. Het doet me bijna geloven dat je geen plezier in het leven vindt.’
Ik produceerde een krampachtig glimlachje en probeerde me te ontspannen. ‘Ik ben tevreden met mijn leven,’ zei ik zonder veel overtuiging.
‘Je liegt,’ fluisterde Leermeester Valentia. ‘Er is meer aan de hand.’
‘Dat klopt,’ zei ik. ‘Maar ik probeer het te vergeten.’
Leermeester Valentia liet zich in zijn stoel zakken en schudde zijn hoofd onder het slaken van een overdreven luidruchtige zucht. ‘Als er iets dwars zit moet je juist je hart luchten. Dan raak je het kwijt, dan kun je het achter je laten. Vergeten. Dus, vertel op. Wat zit er je dwars?’
Maar ik zweeg. Ik liet niets los en beantwoordde zijn vragen ontwijkend, met een koppigheid die Leermeester Valentia bijna een vijand van me maakte. Tenslotte wierp hij zijn handen in de lucht en joeg me zijn kantoor uit. ‘Je moet het zelf weten,’ riep hij achter me aan, ‘maar als je de status van Leermeester wil bereiken zul je toch toegefelijker moeten zijn. Denk eraan, het zal je bloed, zweet en tranen kosten om met een dergelijke koppigheid gecertificeerd te worden.’
Hij had gelijk. Hij had altijd gelijk, maar ik wilde het niet accepteren. Toch had het gesprek twijfel in me gezaaid en ik stond op het punt alles tegen hem te vertellen toen Rakt naast me op het roltrottoir sprong, twee blokken van de centrumringbaan verwijderd.

4

‘Rakt,’ riep ik ‘Waar ben je al die tijd …’
‘Nu niet,’ blafte Rakt me toe en hij trok me op een zijstrook die naar een glijbaanstation leidde. ‘Geen vragen. Doe wat ik zeg zonder dralen, anders lukt het niet. Ben je klaar?’
Ik knikte, te perplex om iets te zeggen.
‘Mooi. Neem de glijbaan en stap uit op de plaats waar de kubus stopt. Ga niet verder. Duidelijk?’
‘Duidelijk,’ zei ik opgewonden. ‘Is het zover, gaan we…’
‘Geen vragen zeg ik.’ Rakt pakte mijn arm en trok me op een volgende zijstrook. Het glijbaanstation schoot links van ons voorbij. ‘Het glijbaanstation waar wij heen gaan is al een tijd buiten gebruik. Het gaat helemaal tot aan de Zijkant, onder de grond. Denk eraan, uitstappen wanneer de kubus gestopt is en daar wachten.’ Hij sprong met me van het roltrottoir en rende naar een ijzeren trap die naar beneden wentelde en in een leegstaande ruimte op niveau één van een hemeltoren verdween. Daar werd ik een aantal gangen en trappenhuizen door geleid tot we een aardig eind onder niveau nul moesten bevinden. De verlichting was minimaal en het stonk er verschrikkelijk. Ik vroeg me af waar ik was en hoe Hemelstad een dergelijke, smerige kant kon hebben. Veel tijd om erbij na te denken kreeg ik niet. Rakt schoot rennend door een dubbele deur en wees naar een gereedstaande kubus van een vreemde makelarij. Ongeduldig wachtte hij tot ik ingestapt was en sloeg met een klap de deur dicht. Ik kreeg niet eens de kans nog iets te vragen. Meteen zette de kubus zich in beweging en stoof met maximale snelheid vooruit. Dit was zeker meer dan de maximaal toegestane snelheid, dat wist ik zeker.
Waar ik me bevond kon ik met geen mogelijkheid zeggen maar ik kreeg het idee dat dit een onbekende, vergeten en vooral duistere kant van Hemelstad moest zijn. Ik zag slecht verlichte ruimten voorbij schieten. Ze zagen er allemaal vervallen en verlaten uit.
Ik zat met mijn neus tegen de ruit om zoveel mogelijk te kunnen zien. De glijbaan daalde plots scherp waardoor ik me tegen de ruit stootte. Recht voor me doemde een zwart gat op en voordat ik kon reageren dook de kubus erin.
Ik liet mijn adem beverig ontsnappen. Buiten de kubus was nu alles donker. Niet één lamp onthulde de tunnel waar ik doorheen schoot. De binnenverlichting was niet voldoende om meer dan het interieur te verlichten. Een oude, niet meer in gebruik zijnde glijbaan, had Rakt verteld. Dat was me nu inmiddels wel duidelijk geworden; de stinkende gangen en trappen, de verlaten ruimten en de kubus van vreemde makelarij. Dit was een deel van Hemelstad waarvan maar weinig mensen iets vanaf wisten. Ik hoopte maar dat de rit niet zou eindigen een onderbroken stuk.
Tien minuten duurde de duistere vlucht, toen schoot de kubus een klein verlicht glijbaanstation op waar het sissend tot stilstand kwam.

Ik bleef enkele minuten zitten om te bekomen van de rit en stapte toen uit.
Het stationnetje was helemaal leeg. Mijn voetstappen echoden tegen de kale, sombere wanden aan. De tunnel waaruit ik tevoorschijn was gekomen was een donker geheimzinnig gat. Aan de andere zijde gaapte een soortgelijke opening. Ik kon me vergissen maar er leek een lichte tocht uit te komen.
Besluiteloos liep ik naar een bankje en nam plaats. Ik probeerde mijn hart tot bedaren te brengen door een paar keer diep te zuchten terwijl ik dacht aan de chaotische rit. Er was geen enkele reden te bedenken waarom ik op deze manier hierheen gebracht was. Het was nog steeds niet helemaal te bevatten, maar dat waren de voorafgaande weken ook niet.
Hoe meer ik erover nadacht, hoe lachwekkender de situatie werd. Ik wilde naar de Zijkant om naar de sterren te kijken, als er al sterren waren. En dan? Wat ik moest daarna doen? Stel dat er inderdaad sterren te zien waren?
Met een zucht gooide ik mijn hoofd in de nek en staarde naar het egaal grijze plafond waar een wirwar aan leidingen en kanalen zichtbaar waren. Ik wist het niet meer. De hele situatie leek zo zinloos geworden. Bovendien, wie zou mij geloven? Wanneer ik het bekend zou maken zette ik me daarbij waarschijnlijk voor gek. Er lag daar geen eer in te behalen. Misschien had Leermeester Valentia gelijk en kon ik me maar beter bij de veilige leerstof houden in plaats van me inlaten met tegenstrijdige wetenschap.
Overvallen door vermoeidheid wreef ik door mijn gezicht en keek naar de donkere tunnel die volgens Rakt naar de Zijkant leidde. Ik had het tot hier gebracht en zag geen kans om nu terug te krabbelen. Een terugweg zat er niet meer in, al niet vanaf het moment dat ik de bossen aan de Zijkant betreden had.
Het besluit lag vast, ik moest voorbij de Zijkant kijken en dan zou ik teruggaan om mijn normale leven weer op te pikken. Misschien zou ik het tot een achtenswaardige Leermeester schoppen, zoals Leermeester Yipton voor wie ik altijd een grote achting had gehad.

Er waren bijna dertig minuten voorbij gegaan voordat ik de stem van Rakt hoorde. Hij bleek niet alleen te zijn. Zijn stem kwam van een smalle trap die precies in het midden van het station gelegen was, haaks op de glijbaan. Ik stond op en wachtte af. Toen ik de andere stem hoorde spreken kwam het kippenvel op mijn rug te staan.
‘Annibel,’ riep ik toen ze naast Rakt de hal binnen stapte. Verwonderd keek ik hoe ze me met een schaapachtige glimlach aankeek.
‘Hallo Uther. Dat is lang geleden.’
‘Wat doe jij hier…’ Ik zweeg en keek Rakt aan. Nu begreep ik het. ‘Jij… en Rakt.?’
Rakt knikte. ‘Ik wilde het je eigenlijk niet vertellen maar het kan nu niet anders.’
‘Sinds wanneer…?’
Rakt trok een pijnlijk gezicht. ‘Vlak nadat ze je uit de deur gezet had.’
Fronsend keek ik Annibel aan en wilde wat zeggen maar besloot dat het geen zin had. ‘Wat gebeurd is, is gebeurd,’ mompelde ik moeizaam.
‘Inderdaad,’ riep Rakt duidelijk opgelucht en hij nam plaats op het bankje. Hij wachtte tot ik zat. Annibel bleef staan. ‘Je zult wel een hoop vragen hebben,’ zei hij vervolgens. ‘Laat ik eerst het volgende vertellen; de afgelopen weken hebben we je nauwlettend in de gaten gehouden. En wat bleek, precies zoals ik vermoedde werd jij in de gaten gehouden door mensen die we herkenden als leden van een Clan. Jouw ondoordacht tochtje naar de Zijkant heeft een jou bijzonder verdacht gemaakt. Hoewel ik eerlijk gezegd denk dat ze je al in de gaten hielden sinds het vertrek van Iris, jaren geleden.’
‘Waarom?’
‘Is dat niet duidelijk? Iris moet iets geweten hebben, iets waar ze daar ginds als de dood voor zijn. De reden waarom je terug bent gebracht geeft natuurlijk te denken en ik vermoed dat ze niet weten wat Iris toentertijd tegen je gezegd heeft.’
‘Het raadsel,’ zei ik knikkend.
‘Vermoedelijk,’ beaamde Rakt. ‘Dus, ik heb er nog lang over nagedacht en kan alleen maar concluderen dat er meer waarheid achter jouw redenering zit dan ik in eerste instantie verwacht zou hebben. We zijn tenslotte van kinds af aan grootgebracht met het verhaal van de vernietiging van het heelal. Dat was dé reden van de Hemelvlucht.’
‘Dus, als ik het goed begrijp werd ik gevolgd door leden van de Clans. Die chaotische rit hiernaartoe was dus bedoeld om ze af te schudden. En omdat je hier bent neem ik aan dat het gelukt is.’ Mijn blik gleed telkens weer naar Annibel. Ik schraapte mijn keel en dwong mezelf om Rakt weer aan te kijken. ‘Je hebt gezegd dat deze ondergrondse glijbaan helemaal tot aan de Zijkant loopt. Dan moeten de Clans er toch vanaf weten?’
‘Ze denken dat alle glijbanen van en naar de stad onbruikbaar zijn. Het zou me niet eens verbazen als de meeste niet eens van het bestaan op de hoogte zijn. Wij weten dat deze transporttunnels vroeger de gangbare manier vormden om van en naar de Zijkant te reizen. Dagelijks maakten honderden mensen er gebruik van. Toen de Clans zijn ontstaan en ze zich van ons stedelingen afsloten, raakten deze glijbanen in verval. Hoe lang zou dat al geleden zijn, Annibel?’
‘Zeker vijfhonderd jaar. Waarschijnlijk langer.’
‘En nu?’ vroeg ik zachtjes.
Rakt liet een grijns van oor tot oor zien. ‘Nu ga jij met de glijbaan verder naar de Zijkant. Annibel zal zorgen dat je daar komt. Zij weet de weg.’
‘Hoe moet ik dan terug?’ vroeg ik geschrokken, niet in de laatste plaats omdat Annibel me zou brengen.
‘Lopend,’ antwoordde Rakt schouderophalend. ‘Je hebt zelf bewezen dat het te doen is.’ Vervolgens legde hij me uit waar ik op moest letten als ik er eenmaal was. ‘De kans is groot dat je ontdekt wordt. Ik kan niet zeggen wat ze dan met je doen.’
‘Ik dacht dat je me verteld hebt dat ze niet gewelddadig zijn,’ bracht ik hem in herinnering.
‘Dat is ook zo. Maar jij dringt nu hun domein binnen, ongevraagd, als een dief. Zelfs bij de meest tolerante mensen is ergens een grens. Ik denk dat je die zult overschrijden, zeker als ze een geheim van het kaliber bewaken, dat jij nu ontdekt hebt. Of denkt te hebben.’
‘Ben je niet bang dat ik het betaan van deze glijbaan verraad?’
Rakt haalde zijn schouders op. ‘Ik ben me van die mogelijkheid bewust. Het is een ingecalculeerd risico. Je kunt eventueel altijd blijven beweren dat je te voet bent gekomen, net als de laatste keer, maar lang zul je dat bedrog niet vol kunnen houden.’
‘Je doet alsof ik al gevangen ben voordat ik kans krijg voorbij de Zijkant te kijken.’
‘Ik ben alleen maar realistisch,’ antwoordde Rakt met kille stem. ‘We moeten nu niet langer dralen, de tijd dringt.’
We liepen gezamenlijk naar de wachtende kubus en ik kroop achter Annibel door de deuropening. Ik voelde me ongemakkelijk en wist me eigenlijk geen houding aan te meten. Tijdens het gesprek had ik mijn gedachten van haar af kunnen houden, maar nu zou ik een hele tijd alleen met haar zijn. Wat moest ik tegen haar zeggen?
‘De rit duurt ongeveer tien minuten tot een kwartiertje,’ zei Rakt alsof hij mijn gedachten kon raden. ‘Er komen verschillende stationnetjes waar de baan zich splitst. Annibel weet de weg. Wees voorzichtig, Uther. Ik weet niet wat je zult tegenkomen. Probeer het te overleven en heelhuids terug te komen. Ik ben heel benieuwd naar wat je zult vinden.’
‘Ik doe mijn best,’ antwoordde ik minnetjes, niet bepaald gerust gesteld door zijn woorden.
Rakt knikte en sloeg de deur dicht. Annibel kroop achter de besturingsconsole en activeerde de magneetspoelen. Ik keek door het raam en zag het station, waar Rakt een laatste keer zijn hand opstak, achter ons verdwijnen. Ik was eindelijk op weg.

5

Buiten de kubus heerste duisternis. Niets verried de snelheid of richting, ik moest me volledig verlaten op de kennis en bereidwilligheid van Annibel. Ineengedoken op een stoel bekeek ik haar handelingen. Ze was weinig veranderd; haar ogen straalden nog steeds met dezelfde blauwe kleur die me ooit betoverd had, hoewel ik meende dat de glans wat verdwenen was. Haar lange blonde haren droeg ze nog steeds in vier vlechten. Annibel was nooit iemand geweest die van verandering hield.
Nadat we enkele minuten onderweg waren, waarbij het gesuis van de wind het enige geluid was, draaide Annibel zich om en keek me met over elkaar geslagen armen aan. ‘Wie had ooit kunnen denken dat de Uther die ik kende zich zou ontpoppen als een avonturier van weleer,’ zei ze toen de stilte tot een ongemakkelijke lengte was uitgerekt.
‘Als je dat geweten had, had je me dan nog verlaten?’ snauwde ik. Ik zag haar gelaatstrekken verstrakken en kreeg meteen spijt de toon die ik had aangeslagen. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien en dan was dit het eerste dat ik eruit gooide? Ik mompelde een verontschuldiging en zuchtte. ‘Vertel me eens, hoe heb je Rakt leren kennen?’
Annibel begreep welke richting het uitging. ‘Vlak nadat jij me ingeruild had voor het werk. Hij was charmant, galant en al die andere dingen die jij verloren had. Mijn vriendschap met Rakt groeide terwijl de onze een stille dood stierf.’
‘Dus je gooide mij eruit vanwege Rakt.’ Het was een conclusie. Annibel zei niets en ik vervolgde: ‘Hoe ben je hierin verzeild geraakt? Het lijkt me helemaal niets voor jou.’
Met een grijns kwam Annibel tegenover me zitten en maakte het zich gemakkelijk. ‘Hij vertelde me van zijn groepering en het leek me weer eens wat anders. Ik haat het om in een sleur te geraken, zoals je wel zult moeten weten. Dat geheime clubje van hem bood een uitdaging, onecht gevaar, want zelfs de avonden en nachten in de ‘Flamingo’ zijn niet meer echt uitdagend.’ Annibel grinnikte. ‘Ik moet zeggen dat ik me een beetje heb mee laten slepen omdat ik ervan overtuigd ben dat deze taxirit zeker wel wat echt gevaar met zich meebrengt.’
‘Over welke groepering heb je het eigenlijk?’
Annibel keek me met toegeknepen ogen aan. ‘Weet je dat dan niet? Hm, als Rakt het niet uit eigen beweging heeft verteld, denk ik dat ik het ook maar niet moet doen. Hij zal er wel een reden voor hebben.’
‘Waarschijnlijk wel,’ mompelde ik. ‘Dus Rakt kan je bieden wat ik niet te bieden had.’
Grinnikend knikte Annibel en spreidde haar handen uit. ‘Dit is toch heel wat beter dan een saaie kantoorbaan, dag in dag uit?’
‘Maar sta je ook achter zijn ideeën? Of zie je het alleen als een avontuurtje?’
‘Daar laat ik me niet over uit,’ zei Annibel en ze stond op om naar de besturing te kijken. Een minuutje later schoten we een verlichte hal binnen waar de glijbaan zich twee maal splitste. Annibel hield beide keren de linkerbaan aan en voordat ik eenmaal besefte wat er gebeurd was bevonden we ons alweer in de donkere tunnel. ‘Weet je,’ zei ze, ‘toen Rakt gewag van je maakte stond ik zowat met mijn oren te klapperen. Het verbaasde me oprecht dat juist jij die opwindende tocht naar de Zijkant gemaakt had. Dat had ik dus nooit verwacht.’
‘Heeft Rakt het vaak over me gehad?’
Annibel dacht even na. ‘Een paar keer, in het begin. Hij vroeg waarom het fout was gegaan tussen ons en nog een paar andere onbenullige dingen. Maar nu ik eraan denk, hij heeft nooit laten blijken dat jullie elkaar zo goed kennen.’
‘Wist je dat we samen op het VAT gezeten hebben? In dezelfde klas?’
Annibel slaakte een opgewonden gilletje. ‘Dat heeft hij me nooit verteld. Maar daar zal hij wel een goede reden voor hebben.’
‘Je vertrouwt hem onvoorwaardelijk?’
Er verscheen een geheimzinnig lachje op haar gezicht. ‘Doet hij dat mij nu ook niet? En jij, jij bent nu ook overgeleverd aan mij.’
‘Dat is zo,’ beaamde ik en opnieuw schoten we een glijbaanstation op. Ook hier splitste de glijbaan zich en Annibel nam wederom de linkerbaan.
‘Misschien had je moeten vertellen wat je dwars zat,’ zei Annibel zachtjes. ‘Dan had ik meer begrijp kunnen opbrengen.’
‘Denk je dat werkelijk,’ riep ik uit. ‘Annibel, zou je geloofd hebben als ik op een dag thuis was gekomen en had gemeld dat Hemelstad voor niets door het Daarbuiten vliegt? Dat de Clans en het Syndicaat, en wie weet ook wel de Zestien Afgevaardigden, weten dat we Andromeda nooit zullen bereiken. Nog niet in een miljoen jaar?’
Annibel zuchtte. ‘Ik weet het niet Uther. Na zo een lange tijd kan ik daar niet meer objectief over oordelen.’

We zwegen, elk in onze eigen gedachten verzonken. Het was ongelofelijk wat voor een transformatie Annibel had doorgemaakt. Ze zag er dan misschien bijna hetzelfde uit als een jaar geleden, ze was wel degelijk veranderd. Ik hield haar heimelijk in het oog, hoewel ik direct besefte dat ze het heel goed in de gaten had. De vraag kwam in me op of Annibel sowieso bij me gebleven was als ik ongestoord door was gegaan met het uitgaansleven, of dat het slechts een kwestie van tijd zou zijn geweest voordat ik ook tot een sleur zou worden gerekend. Annibel leek me niet iemand die eeuwige trouw zou beloven. Wat dat betreft was ze nu dan aan het juiste adres; ik kon Rakt ook niet in dat straatje van eeuwige trouw passen. En als dit avontuur een sleur dreigde te worden, zou ze wederom vertrekken.

‘We zijn er bijna,’ zei Annibel na een gespannen vijf minuten en ik voelde de kubus snelheid afnemen. ‘Als we er zijn stap jij uit. Ik ga terug.’
‘Wat was de werkelijke reden dat jij mee bent gegaan?’
‘Rakt wil niet dat de kubus hier blijft,’ antwoordde Annibel zonder een spoor van emotie. Haar handen speelden over de bediening en de kubus kwam sissend tot stilstand. Ze draaide zich om en keek me met een vreemde blik aan. ‘Ik heb je altijd gemogen,’ zei ze zachtjes. ‘Ik wil niet dat er iets gebeurd. Daarom sta ik erop dat je dit meeneemt.’
Tot mijn schrik zag ik een klein wapen in haar handen liggen. Klein genoeg om te verbergen, dodelijk genoeg om me te kunnen verdedigen. ‘Is dit een idee van Rakt?’ vroeg ik haar.
Annibel schudde haar hoofd. ‘Het is mijn idee. Hier, neem aan.’
Onzeker pakte ik het wapen van haar aan. Het was een klein handwapen dat prettig in de hand lag. De kolf was van een flexibel materiaal gemaakt dat zich naar de vorm van mijn hand zette. Maar de loop zag er dreigend uit, klaar om haar dodelijke lading in de richting van het slachtoffer te jagen. Het gewicht was precies goed. Dit ding moest door een vakman gemaakt zijn. ‘Ik dacht dat er geen wapens in Hemelstad waren,’ zei ik, hoewel ik goed wist dat er eenvoudige wapens in omloop waren.
Annibel glimlachte. ‘Faustino heeft dit vuistvuurwapen voor mij gemaakt. Het was een verjaardagscadeau.’
‘Faustino,’ riep ik verbaasd. ‘Die zat ook bij ons in de klas.’ Zijn er nog meer die van de groepering van Rakt lid zijn?’
‘Een groot aantal van de oude school, heeft Rakt me ooit verteld. Vooruit, steek dat ding op een plaats waar je er gemakkelijk bij kunt, maar waar het niet opvalt.’ Ze keek me nog even aan en boog zich toen in één vloeiende beweging naar voren en kuste me op de wang. Toen duwde ze me door de open deur. ‘Succes,’ riep ze. ‘Ik hoop dat je erin slaagt. Echt waar.’
Overrompeld en machteloos keek ik hoe ze de deur dicht trok en de kubus weer de donkere tunnel in stuurde. Het geluid van de voorsnellende kubus was bijna direct verdwenen waarop een drukkende stilte over het station neerdaalde. Somber gestemd keek ik om me heen en zag dat het uitgestorven was. Kale muren en doffe banken domineerden deze plaats. Het was de sfeer die hier hing die mijn gemoedsrust op de proef stelde. Ik voelde me onwerkelijk, als in een droom. Ik was op de Zijkant maar het voelde niet als werkelijkheid. Ik keek naar het wapen dat ik nog steeds wezenloos in de hand hield en stak het ten slotte achter de broekriem.

6

‘Je komt in het eindstation van deze glijbaan,’ had Rakt gezegd. ‘Als alles goed is, en dat zal waarschijnlijk wel, is het station verlaten. Je moet helemaal naar achteren lopen waar een deel van het plafond los ligt. Er ligt rommel voor de deur. Laat alles liggen en open die deur niet. Probeer het niet eens. Je moet de serviceruimte boven het plafond benutten om aan de andere kant van de deur te komen.’ Volgens Rakt zat er nog een alarm op die deur, hoewel hij er niet zeker van was dat het nog werkte. ‘Er zijn eeuwen voorbij gegaan en niemand kijkt er ooit naar. Maar je moet geen risico lopen.’
Wat Rakt me allemaal uitgelegd had strookte niet met het beeld dat ik van de Clans had; het waren dé technici die voor de motoren van Hemelstad zorg droegen. Ik had dus verwacht dan ze alles tot in de puntjes in orde zouden hebben, en dat ze geen enkele steek lieten vallen. De woorden van Rakt spraken echter boekdelen en wekte tegelijkertijd grote zorgen op. Als de Clans niet eens voor dergelijke kleine dingen zorg droegen, hoe kon je ze dan vertrouwen met betrekking tot het onderhoud van de motoren die Hemelstad voort stuwden? Van de andere kant, was het werkelijk noodzakelijk dat we nog steeds op de vlucht waren?
Ik zette mijn vooroordeel opzij en liep naar achteren waar ik me een weg naar buiten zou moeten banen. Het wapen in mijn broekriem voelde onwennig en zwaar. Ik betwijfelde of ik het zou durven gebruiken, zelfs als de nood aan de man kwam.

Het station was een schoolvoorbeeld van gebrekkig onderhoud. Overal lag rommel en verschillende wandpanelen waren verwijderd of gewoon verdwenen. Kabels en printplaten lagen open en bloot en op sommige plaatsen ontbraken die zelfs. Achterin waren grote delen van het plafond los gemaakt en verwijderd waardoor een serviceruimte zichtbaar werd. De losse panelen lagen her en der over de vloer verspreid en blokkeerden de deuren.
Ik keek rond en zag een kleine metalen krat staan. Met enige moeite sleepte ik het ding tot onder de plaats waar ik in de serviceruimte wilde kruipen. De kist woog meer dan ik voorzien had en het kostte me veel inspanning. Tot twee keer toe gleed het wapen uit mijn broekriem waarna ik het in mijn binnenzak stak. Maar ten slotte lukte het en ik kroop op de smalle loopbrug die aan dunne bevestigingstrippen was opgehangen. Rondom mij hingen dikke leidingen en kanalen waar, als ik mijn oor er tegenaan legde, de lucht hoorbaar doorheen stroomde. Deze leidingen liepen helemaal tot de stad, had Rakt me verteld. Maar waar ze precies voor dienden kon ik met geen mogelijkheid raden. Het leek me sterk dat deze leidingen voor de luchthuishouding van Hemelstad verantwoordelijk waren. Dit was het domein van de Clans die wél de kennis van dit soort zaken hadden en daarmee in feite Hemelstad regeerden.
Rakt had duidelijk gezegd deze technische ruimte niet verder te benutten dan noodzakelijk. ‘Je komt in de problemen als je daar boven blijft, ook al lijkt het dé manier om ongezien bij de hangar te komen.’ En inderdaad, het lokte me, het schreeuwde: hierheen, dit is de weg naar alle antwoorden.
Met de waarschuwing van Rakt in gedachten negeerde ik de verlokkelijke roep en liet me aan de andere kant van de deur neerzakken. Ook hier lag rommel, gedeeltelijk tegen de deur opgestapeld, dus het had ook geen zin gehad om de deuren te proberen.
‘Als je eenmaal binnen bent, volg je de gang en neem de een na laatste deur aan de rechterkant,’ echode de uitleg nog in mijn hoofd. ‘Je komt dan in een trappenhal waar je vier verdiepingen naar boven moet. Neem de lift niet, want dan hebben ze je zo te pakken.’
‘Je doet het voorkomen alsof er niemand zal zijn,’ had ik hoopvol gezegd, maar Rakt boorde die hoop direct de grond in. ‘Waarschijnlijk is het heel druk. Ik weet niet hoe je dat moet doen, maar ik denk dat inmenging het beste resultaat zal brengen. Vergeet niet, ze verwachten je niet dus zullen ze je niet snel verdenken. Doe zo normaal mogelijk, zeg ik altijd. Elke andere houding valt direct op vanwege de krampachtigheid daarvan. Een getraind oog ziet dat direct.’
De vooruitzichten waren dus niet zo bijster goed maar ik had geen andere keuze.
Ik volgde de aanwijzingen van Rakt op en liep door de deur waar een smalle wenteltrap naar boven leidde. Boven aangekomen belandde ik in een donkere gang die in een geleidelijke boog naar rechts maakte. De paar lampen die er brandden onthulden enkele gesloten deuren die ik zo snel mogelijk voorbij liep.
De gang werd geleidelijk meer verlicht. Ik kreeg het gevoel dat ik in de bewoonde wereld geraakte. Een korte trap leidde naar een hoger niveau waar ik in een ronde vestibule belandde van ongeveer zes meter doorsnede. Ik keek naar de verzonken sociale ruimten aan weerszijden die voorzien waren van een achtkantige tafel en gestoffeerde banken rondom. Een matte bol hing op ongeveer een halve meter boven die tafels, gehangen aan een dun koord. Er kwamen zeven gangen op de vestibule uit. Zorgvuldig telde ik drie gangen tegen de richting van de klok in. Dat was de gang die ik moest hebben.
Vijf minuten verstreken terwijl ik zo geruisloos mogelijk door de gang sloop. ‘Als je eenmaal daar bent, bevindt je je in de Zijkant,’ had Rakt gezegd. Hier had ik een grote kans iemand aan te treffen.
Het geluk zat me echter mee en ik kwam niemand tegen. Eén keer hoorde ik achter me een deur in het slot vallen, maar de stemmen die erop volgden leken eerder van me af te bewegen dan andersom. Ik voelde me gespannen, angstig, maar ik belandde zonder noemenswaardige tegenval op een T-splitsing waar zich een dubbele deur recht tegenover de gang bevond. Die moest ik hebben. Links en rechts strekte de gang zich uit tot ze uit het zicht verdween. Een koud wit licht kwam uit buislampen die over de volledige lengte van de gang aan het plafond bevestigd waren. Er was verder niets te zien; geen deur, geen paneel, niet één enkele versiering of aankleding. De hele omgeving deed koud en onpersoonlijk aan, wat me de rillingen op mijn rug gaf. Er hing hier een diep gerommel dat eerder voelbaar was dan hoorbaar. Het gonzende geluid vulde de gang zodat ik geen idee had waar het vandaan kwam. Ik voelde me ongemakkelijk en bedacht me dat het beter was geweest als ik iemand gezien had. Dan had ik ten minste het gevoel gehad dat ik me in een wereld met levende wezens had bevonden. Nu leek het een scène uit een nachtmerrie, een gang zonder eind.
Met moeite wist ik me te vermannen en zette een stap naar de deuren die recht voor me bevonden. Als het waar was wat Rakt me verteld had, zou daarachter een grote bedrijvigheid heersen. Ik moest me er doorheen bluffen, maar ik betwijfelde nu of het wel zou lukken.
Zonder waarschuwing schoven de deuren automatisch open, reagerend op mijn nabijheid. Ik werd direct overdonderd door het gonzende geluid dat meerdere malen in sterkte was toegenomen. Hier ergens lag dus de oorsprong.
Voor me opende zich een tafereel dat ik zelfs in mijn stoutste dromen niet had kunnen voorstellen. Er stonden twee enorme luchtschepen waarvan ik direct door had dat ze voor verplaatsing in het Daarbuiten dienden. Ze hadden een lompe vorm, bijna sigaarvormig maar met uitsteeksels op de meest vreemde plaatsen. Ze waren dofrood van kleur, verweerd, waardoor ze oud en versleten leken. Ik zag raampjes en luiken, waarvan er sommigen open stonden.
Ik sloot mijn mond en verborg mijn verbazing. Er waren zo op het eerste oog een tiental mensen aanwezig, en misschien meer buiten mijn gezichtsveld. Sommigen waren aan het werk, anderen stonden met elkaar te praten. Eén keek even om, maar negeerde me vervolgens volkomen. Dat sterkte mijn zelfvertrouwen, én het vertrouwen in de bewering van Rakt dat ik me er wel doorheen kon bluffen. Op ruim honderd meter afstand zag ik de enorme opening waar doorheen ik de sterren moest zien… of niet. Honderd meter, maar het voelde aan als honderd kilometer. Ik rechte mijn schouders en begon te lopen, eerst nog wat onzeker, maar allengs zekerder en met meer zelfvertrouwen.

Het was opvallend dat niemand de grote sigaarvormige schepen, waarvan ik de indruk kreeg dat ze wel duizend mensen zouden kunnen bevatten, ook maar één blik waardig achtten. Ik had verwacht dat er aan die schepen gewerkt zou moeten worden, gezien de staat waarin ze leken te verkeren. Wie liet op Hemelstad zo iets waardevols als dit verwaarlozen? De woorden van Leermeester Yipton schoten door mijn hoofd: “Tenzij iemand moedwillig dingen gaat veranderen of vernietigen kunnen we Andromeda bereiken.” Als je van iemand het juist niet zou verwachten dat ze dingen verwaarloosden, dan waren het wel de leden van de Clans. Ik bedacht me dat het in bedrijf houden van de motoren misschien zoveel werk kostte, dat deze schepen wel verwaarloosd moesten worden, maar de gedachte was niet erg overtuigend.
Ik slikte krampachtig en probeerde mijn gedachten bij mijn opgelegde taak te houden. Rakt had me op het hart gedrukt om direct, zonder dralen de oversteek van de hangar te maken, voordat iemand achterdochtig werd. Overal stonden machines waar ik de werking niet eens van kon raden. Daar tussenin stonden de meest onwaarschijnlijke dingen, gebruiksvoorwerpen uit het dagelijkse leven; een karretje, metalen kisten, een kast die open stond en waarin ik gereedschap zag hangen, een verplaatsbare computerterminal waarvan het blauwe scherm het bedieningsbord spookachtig verlichtte. Kabels lagen over de vloer, zonder enig patroon of regelmaat. Het deed slordig aan, rommelig en bovendien vuil. Het gaf me een onbehaaglijk gevoel.
Langzaam versnelde ik mijn pas terwijl ik toch zo nonchalant mogelijk probeerde te lopen. Vanuit mijn ooghoek zag ik dat mijn aanwezigheid enige verbazing had opgewekt. Sommigen keken me gefronst aan, alsof ze niet goed wisten wat ze ervan moesten denken. Bijna terloops keek ik opzij en recht in de ogen van een man die zijn lippen bedachtzaam tuitte. Voor me doemde de zwarte leegte op, nog vijftig meter. Het was de uitgang van de hangar, schijnbaar onbeschermd, open en bloot naar het daarbuiten.
Zenuwachtig keek ik naar links en naar rechts. Twee mannen, die ik nog niet gezien had, waren van een tafel opgestaan en een paar passen op me af gelopen. In hun ogen kon ik een zekere vijandigheid lezen. Toen knapte er iets in me en zette ik een spurt in. Tegelijk schoten de mannen naar voren, één recht achter me aan, de ander schuin naar voren om me de pas af te snijden. Ze riepen aanwijzingen naar de anderen die aan de geluiden te oordelen ook in achtervolging waren gegaan. Ik maakte een schijnbeweging en koerste in volle vaart naar links. Het verraste mijn belagers maar tegelijkertijd botste ik recht tegen een enorme man aan die om een hoek kwam gelopen. Ik verloor mijn evenwicht maar wist op de been te blijven. De ander had minder geluk en ik hoorde hem vloeken terwijl hij tegen een stapel kisten aan viel. Het kletterende geluid van de vallende kisten echode door de hal heen en vermengde zich met het geluid van de schreeuwende mannen.
Verwilderd zocht ik een uitweg. Ik zag vier anderen uit een deur komen, dreigend en bevelen roepend terwijl ze naar anderen gebaarden. Het was direct duidelijk dat ze me in zouden sluiten en ik begreep dat mijn poging hier zou eindigen, op niet meer dan een dertigtal meter van mijn doel. De rand, de enorme opening achter in de hangar, was niet langer binnen bereik en ik verwenste de dag dat ik voorgenomen had de sterren voorbij de rand te zien.
Glijdend kwam ik tot stilstand toen drie nieuwe belagers voor mij verschenen. Er stonden nu bijna twintig mannen rondom me. Hijgend bekeek ik hun gezichten waar deels vermaak, deels verwondering op te lezen was. Ze hadden me nu volledig ingesloten. Toen dacht ik aan het wapen dat in mijn binnenzak zat en ik haalde het met trillende handen te voorschijn. Onhandig richtte ik het op de mannen, van links naar rechts zwaaiend om zo iedereen onder schot te kunnen houden. Ik zag schrik in hun ogen verschijnen en sommigen deinsden achteruit. Eén man was minder onder de indruk en keek me met toegeknepen ogen aan alsof hij me uit wilde dagen. Anderen probeerden hem tot voorzichtigheid te manen: ‘Hij is het niet waard Kunios, hij kan toch niet meer weg.’
Ik richtte het wapen op deze Kunios. ‘Kom niet dichterbij,’ riep ik met overslaande stem. ‘Achteruit.’
‘Je hebt geen schijn van kans,’ riep Kunios terug. ‘Laat dat wapen zakken.’
Ik schudde wild mijn hoofd. ‘Nee! Achteruit. Ik schiet!’
Er verscheen een grijns op zijn gezicht. ‘Ik denk het niet,’ zei hij uitdagend en zette een stap dichterbij om zijn woorden kracht bij te zetten. ‘Volgens mij heb je niet het lef om de trekker over te halen.’
Het wapen lag zwaar in de hand. Het trilde alsof het een eigen leven had, of was het mijn hand die trilde? Kunios zette nog een stap. Hij lachte maar ik zag dat hij stijf stond van de zenuwen. Toen haalde ik de trekker over en merkte tot mijn schrik dat er niets gebeurde. Eén seconde kroop voorbij, traag als stroop, terwijl bij alle aanwezigen het besef groeide dat het wapen haar dodelijke lading niet zou lossen. Toen doken ze allemaal op me en ik belandde met een smak op de harde vloer met vier mannen bovenop me. Het wapen kletterde op de vloer en ik zag het met lede ogen wegschuiven tot het onder een kar verdween. Ik sloot mijn ogen en gaf me aan hun genade over. Het was afgelopen.

Copyright © 19 april 2005
Alle rechten voorbehouden