De sterren voorbij de Zijkant

"De wijze heeft twee tongen, de één om de waarheid te zeggen, de ander om te zeggen wat gelegen komt."
Euripides

Act IV – De waarheid

1

Geen enkel moment had ik nagedacht over hoe het op de Zijkant zou zijn, wat ik er zou aantreffen of hoe de bewoners waren. De Zijkant was een plaats die buiten het voorstellingsvermogen lag, een term, een gegeven. De Zijkant bestond, maar was wat dat betreft net zo onwerkelijk als het verre verleden. Misschien dat het enige bewijs voor het bestaan van de Zijkant de jaarlijkse vergadering met het Syndicaat was, waarbij de zestien woordvoerders van de Clans tegenover de Zestien Afgevaardigden kwamen te zitten. Ik rekende snel en kwam tot de conclusie dat het nog maar een week of twee zou duren voordat het weer zover zou zijn. Zou ik dit jaar een puntje op de agenda worden? Was mijn aanwezigheid op de Zijkant voldoende om een klacht neer te leggen en strengere controle op de naleving van regels te eisen? Of zouden de Clans het hele voorval verzwijgen en doen alsof er nooit iets voorgevallen was? Hoe het ook zij, het zag er alles behalve rooskleurig voor me uit.
De kamer waarin ik me bevond was alles behalve spaarzaam gemeubileerd. Enkele luxueuze fauteuils stonden tegen de wand, elk met een glazen tafel ernaast waarop een plant stond. Er stond een lage buffetkast en aan de wanden hingen foto’s van het Daarbuiten waarop kleurrijke vlekken en vele sterren te zien waren, en één tekening van Hemelstad met op de achtergrond een blauwe bal met witte vlekken die een schijngestalte vertoonde. Vlak boven de rand van die blauwwitte bal was een kleinere zichtbaar, volledig grijs, in dezelfde schijngestalte.
De rest van de kamer bevatte een simpele rechthoekige tafel met aan elke zijde een stoel. Op één van die stoelen zat ik, zenuwachtig met mijn vingers op de tafel trommelend en bijtend op mijn lip. Ik bezag de kamer met vluchtige blikken die, op de ene tekening van Hemelstad met de bol na, nergens lang op bleven rusten. De kamer was voorzien van rustgevende kleuren die een tegengestelde invloed op me leken te hebben.
Hoe lang zat ik nu hier? Er was niets om het verloop van tijd aan af te lezen. Ze hadden al mijn persoonlijke spullen afgenomen en me gefouilleerd om ervan zeker te zijn dat ik niet iets verborgen hield. Waar het wapen was dat Annibel aan me gegeven had wist ik niet. Het kon net zo goed nog onder de kar liggen waar het onder terecht gekomen was, hoewel ik dat ten zeerste betwijfelde.
Ik was door de vier mannen, die me in de hangar overrompeld hadden, naar deze kamer gebracht, zonder dat er ook maar één woord gezegd werd. Voor mijn gevoel was dat al uren geleden en nu drong zich een nieuw gevoel op: honger!
Ik sloot mijn ogen en probeerde mijn gedachten te ordenen. Wanhopig probeerde ik het laatste restje hoop vast te grijpen dat me nu aan het verlaten was. Ik richtte mijn blik naar binnen en zag een kubus door een donkere gang schieten. Ik zat erin, en naast me Annibel. Daar, op dat moment had ik ervoor moeten kiezen om terug te gaan. Het was het allemaal niet waard, bleek nu. De sterren had ik niet gezien, als die er ten minste waren, en het leek erop dat ik gestraft ging worden voor mijn ongeoorloofde betreding van de Zijkant.

Een man kwam binnen door de enige deur in het vertrek. Zonder op of om te kijken liep hij naar de tafel en ging tegenover me zitten. De poten van de stoel piepten over de vloer toen hij deze achteruit schoof om plaats te nemen. Hij gooide een pakje papier op tafel dat hij vervolgens zorgvuldig ordende en met de rand op tafel klopte om ze netjes op een rij te krijgen. Even keek hij me vanonder zijn zware wenkbrauwen aan, en ik zag donkerbruine ogen die streng maar rechtvaardig in het licht glinsterden. Hij schraapte zijn keel, keek nog even in de stapel papieren en glimlachte toen vriendelijk. ‘Het heeft langer geduurd dan we verwacht hadden, maar daar ben je dan eindelijk weer, gelukkig zonder kleerscheuren hoewel dat niet veel gescheeld had. Nogmaals, welkom op de Zijkant, meester Uther.’
Gefronst keek ik hem in de ogen. ‘Je doet alsof het allemaal onderdeel van een plan is, dat mijn komst hier voorzien is.’
‘Maar meester Uther,’ riep de man lachend. ‘Denk je werkelijk dat we niet op de hoogte zijn van wat er in de stad gebeurd? Zoals je al geraden hebt voeren wij de werkelijke macht over Hemelstad en we maken er ook geen groot geheim van. We hangen het echter ook niet aan de grote klok. Om antwoord op je vraag te geven, we wisten niet zeker of je wel zou komen, we hoopten het.’
‘Waarom.’
‘Omdat we met jouw hulp in staat zijn geweest een potentieel gevaarlijke groep mensen op te sporen voordat ze té machtig werden. Het is een soort wildgroei die we in een vroeg stadium willen indammen om te voorkomen dat Hemelstad volledig ontregeld wordt en op den duur vernietigd. We leven in een delicaat evenwicht dat niet verstoord mag worden. We zijn er alleen nog niet achter hoe je zo snel hier bent verschenen, en op welke wijze. We waren er nog niet op bedacht, daar ben ik eerlijk in.’
Ik grinnikte. Het was duidelijk dat de Clans niets van het bestaan van de directe glijbaanverbinding afwisten. Ik twijfelde er echter niet aan dat het binnen een niet al te lange tijd bekend zijn. ‘Antwoord je ook eerlijk als ik vraag wat er met die gevaarlijke groep mensen gaat gebeuren?’ vroeg ik. ‘Of met mij?’
De man leunde achterover met de handen over elkaar geslagen. ‘Ik zal eerlijk antwoorden daar waar mogelijk. Wat we met jou gaan doen weten we nog niet. Wat we met de anderen gaan doen is iets dat beter niet ter sprake kan komen. Ik kan wel vertellen dat jouw oude schoolvriend Rakt, en zijn vrouw Annibel, tot op heden spoorloos zijn. Jullie wisten ons behendig af te schudden en sindsdien hebben we taal noch teken van hen vernomen.’
‘Ik weet ook niet waar ze zijn,’ zei ik zachtjes.
De man haalde ongeïnteresseerd zijn schouders op. ‘Het is niet belangrijk. Vroeg of laat vinden we ze. Er is de overweging om opnieuw gebruik te maken van jouw diensten, net zoals de eerste keer. Maar het is te betwijfelen of het wederom zal lukken.’
‘Dat betwijfel ik ook,’ antwoordde ik met een stem die naar ik hoopte geen tegenspraak duldde.
De man keek me vermaakt aan en stond toen op. Hij pakte het pak papier van de tafel en keek de kamer rond alsof hij deze voor het eerst zag. ‘Je bent in een aangename kamer ondergebracht. Wanneer je die schakelaar over haalt krijg je toegang tot een klein maar prettig slaapvertrek met aansluitend een sanitair. Voorlopig moet ik je verzoeken hier te blijven en geen poging tot ontsnapping te wagen. Het zal niet lukken.’
‘Je kunt me hier niet eeuwig houden,’ zei ik uitdagend.
‘Dat is ook niet de bedoeling,’ antwoordde hij met een hoofdknik en liep naar de deur. Daar draaide hij zich nog even om. ‘Voorlopig zul je niet terug naar de stad kunnen. Morgen kom ik terug om te weten te komen wat jij weet.’

Na zijn vertrek bleef ik somber gestemd zitten. De man had me het idee gegeven dat ik geen enkel eigen initiatief had, dat alles geënsceneerd was door anderen.
Ik keek rond en zag dat de kamer inderdaad aangenaam genoemd kon worden. Als de bewoner er tenminste vrijwillig was, en dat kon van mij niet gezegd worden. Intussen spookten de woorden van de man, wiens naam ik niet vernomen had, door mijn hoofd. Langzaam drong het besef door dat hij alleen maar gesproken had over een gevaarlijke groepering in de stad, onder leiding van Rakt. Het leek er dan op dat Rakt in zijn jeugdige voornemens geslaagd was. Ik grinnikte bij de gedachte dat niemand hem vroeger serieus had genomen.
Mijn blik dwaalde naar de foto’s van de nevels en sterren en vroeg me met achterdocht af of deze met een reden hier hingen. Ik was met een reden in deze kamer gevangen gezet en het leek erop dat ik niet eerder vrij zou komen als ze alle informatie uit me gehaald hadden. Hingen die afbeeldingen daar om mij tot een onbedoelde uitspraak te lokken? En zo ja, wat voor nut zou ik vanaf dat punt nog voor hen hebben?
Met een zucht wendde ik mijn blik af en sloot mijn ogen. Ik was moe van alle intriges die zich rondom mij hadden samengepakt en wenste dat ik terug in de stad was, weg van alle ellende die begonnen was met de woorden die Iris me ingefluisterd had.
Ik wilde dat ik haar nooit ontmoet had.

2

De volgende dag verscheen de man weer. Hij stelde zich nu voor als opzichter Tybalt en begon met een vragenvuur dat, zo verzekerde hij, door zou gaan tot hij alle informatie gekregen had die hij wenste te horen. De vragen gingen vooral over de tijd die ik op het VAT had doorgebracht en mijn omgang met Rakt en Faustino. Ik zag geen enkele reden om hem die informatie te onthouden. Hij scheen op de hoogte te zijn van de nevenactiviteiten van de laatst genoemde. ‘Op twintigjarige leeftijd ontwikkelde Faustino een ongezonde interesse in wapenkunde,’ zo vertelde Tybalt. ‘Twee jaar later fabriceerde hij zijn eerste potentiaalwapen maar het ding explodeerde in zijn hand. Faustino gaat nu door het leven met maar twee vingers aan zijn rechterhand. Het wapen dat jij bij je droeg bezat zijn persoonlijke kenmerken.’
‘Annibel heeft het me gegeven,’ zei ik en ik versprak me bijna door het noemen van de glijbaan.

Het was opvallende dat Iris in het gesprek niet één keer werd genoemd. Ik kreeg niet de indruk dat het met opzet was, maar ik probeerde op mijn hoede te blijven. Door die verhoogde waakzaamheid viel me op dat Tybalt een innemende persoonlijkheid had. Hij lachte vaak maar ingetogen en uitte geen enkele wrok of vijandigheid. Tegen het middaguur viel me op hoe ongedwongen het gesprek was geworden en dat ik meer vertelde dan ik me misschien voorgenomen had.
Tybalt gebruikte het middagmaal samen met mij. Ik zag daar de gelegenheid om te vragen wat de rol van de Clans in Hemelstad was. Een poosje bleef Tybalt voor zich uitstaren terwijl hij afwezig op een broodje kauwde. Toen legde het op zijn bord en keek me aan met de handen op de schoot gevouwen. ‘Gisteren vertelde ik je dat wij de volledige macht van Hemelstad in handen hebben. Dat is niet overdreven. De Clans zijn technici van oorsprong, met als taak het in bedrijf houden van Hemelstad. De water- en luchtcirculatie, zuiveringsinstallaties, grondstofverwerking en recycling, om maar een greep te doen. Een deel daarvan is in de stad gevestigd, maar het overgrote deel bevindt zich onder onze voeten. Daarnaast onderhouden we de stroomvoorzieningen en natuurlijk de zestien motoren die Hemelstad door het Daarbuiten bewegen met snelheden die het voorstellingsvermogen te boven gaan. Doordat we ook de mogelijkheid hebben die processen tot op zekere hoogte stil te leggen, hebben we de macht in handen.’
‘Tot zover had ik ook beredeneerd,’ zei ik.
Tybalt vervolgde. ‘We hebben echter geen ambities in de richting van onderdrukking door deze pressiemiddelen. We leven, zoals we noemen, volgens het Apollinische Gedachtegoed . We zien onszelf als de hoeders van de mensheid. Sommigen van ons noemen het gekscherend goden van de mensheid, omdat we de oude goden op Aarde hebben achtergelaten.’ Tybalt grinnikte zachtjes en schudde zijn hoofd. ‘Het is een leuke analogie, dat moet ik toegeven. Kort gezegd komt het erop neer dat we min of meer over leven en dood regeren, maar we prefereren het leven boven de dood. Het is een soort kunstwerk dat we in stand houden.’
‘Ik geloof er niet in,’ mompelde ik.
‘Waarom niet,’ riep Tybalt oprecht verbaasd. ‘We hebben met Hemelstad een nieuwe kans voor de mensheid geschapen. Het is een paradijs. Iets beters kan er niet zijn.’
‘Met het Syndicaat aan de macht. De onderdrukker die koste wat kost in stand wil houden wat het geschapen heeft. Tybalt, dat is geen apollinisme. Dat is een tirannie.’
Tybalt schudde zijn hoofd. ‘Je begrijpt het niet. Een hoger doel kun je niet nastreven. Iets dat perfect is kun je niet verbeteren.’
‘Natuurlijk geloof ik het niet. Je gebruikt mij om een mogelijke tegenstander uit te schakelen. Dat is het begin, Tybalt. Een wereld die jij beschrijft mag dan ideaal lijken, maar het ontbreken van elke vorm van vooruitgang is achteruitgang.’ Ik zweeg en keek de man schuin aan. Hij was in gepeins verzonken. Ik zag hier een kans liggen en besloot deze met beide handen aan te nemen. Het was een troef die ik achter de hand had gehouden en dit leek het juiste moment om deze te spelen. ‘Is het waar,’ vroeg ik zachtjes, ‘dat er voorbij de Zijkant sterren stralen?’
Tybalt keek verschrikt op. Hij opende zijn mond alsof hij wat wilde zeggen maar bedacht zich. Ongemakkelijk schraapte hij zijn keel. ‘Wie beweert dat?’
Ik haalde mijn schouders op, bijna terloops. ‘Ach, het is een gerucht dat ik ooit heb gehoord. Ik bedacht me dat wanneer jij Hemelstad als het ultieme ziet, er een kans bestaat dat je dergelijke dingen zou verzwijgen. Ik vraag me nu af of er meer waarheid achter dat gerucht zit dan je op het eerste oog zou verwachten.’
‘Dat is natuurlijk onzin,’ antwoordde Tybalt.
‘Weten de Zestien Afgevaardigden ervan?’
Tybalt stond op en gooide zijn servet op het bord. ‘Je wordt geplaagd door allerlei fantasieën die op geen enkel feit gebaseerd zijn. Het verhoor is voor vandaag afgelopen. We zullen bekijken hoe we verder moeten gaan.’ Met die woorden draaide hij zich om en verliet de kamer.
Ik bleef nog even zitten, gesierd door een glimlach. Het was duidelijk dat ik een soort overwinning op hem had behaald. Het was iets dat deze Tybalt absoluut niet verwacht had. Zijn reactie op mijn opmerking had hem direct volledig uit balans gebracht. Dat kon maar één ding betekenen; er zat op zijn minst een bron van waarheid achter.
Mijn blik dwaalde af naar de foto’s van sterren die aan de muur hingen. Die schijnbaar onschuldige afbeeldingen hadden na dit onthullende gesprek een nieuwe dimensie gekregen. Ik vroeg me af of het relikwieën van de Aarde waren, of van een recentere datum.

Die nacht kon ik maar moeilijk slapen. Mijn gedachten bleven doormalen en keer op keer zag ik Annibel in de kubus van de glijbaan zitten terwijl Rakt ons met een grimas uitzwaaide. Ik zag het gezicht van de man die me ondervraagd had, waarbij zijn woorden in cirkels rond mijn hoofd vlogen. Het drong tot me door dat ik eindelijk half in slaap gesukkeld was en dat de gedachte aan Tybalt me weer wakker had gemaakt. Maar toen hoorde ik het gesis van een deur en begreep dat er nog een ander geluid was geweest. Ik reikte naar de nachtlamp, knipte het licht aan, en keek verschrikt in de ogen van Iris.

3

Iris zat ongemakkelijk aan tafel. Ze was veranderd, ouder geworden, maar in de ogen zag ik nog steeds dezelfde persoon als jaren geleden. Er zaten rimpeltjes rond haar ogen en mondhoeken. Al met al gaf ze een ongelukkige indruk.
Ik slaagde er niet in een geeuw te onderdrukken en ik wreef over mijn gezicht om de slaap te verdrijven. Ik liep naar het keukentje voor een glas water. ‘Wil je wat drinken?’ vroeg ik haar.
‘Nee dank je,’ antwoordde ze en wachtte tot ik weer zat. Er verscheen een voorzichtige glimlach op haar gezicht. ‘ Ik had niet gedacht je nog ooit te zien. Zeker hier niet.’
‘Dan ben je niet de enige,’ zei ik met een spoor van cynisme. ‘Het lijkt erop dat ik een gevangene ben. En een speelbal in een spel waarvan ik de regels niet ken en waarbij het Syndicaat nu aan zet is.’
‘Ik begrijp de analogie niet.’
‘Laat maar,’ zuchtte ik. ‘Wat doe je hier, Iris? Ben je onderdeel van een lang doordacht plan om alle informatie uit me te melken?’
Iris grinnikte zachtjes. ‘Nee, Uther. Ik ben niet het werktuig van Tybalt. Ik ben niemands werktuig. Al vanaf het moment dat de Clans als aasgieren op mijn erfenis doken heb ik gezworen nooit meer deel te nemen aan die geïdealiseerde ideeën die hier heersen. Ik ben hier om te helpen, Uther.’
Ik nam weer een slok van mijn water en schudde mijn hoofd. ‘Kan ik je vertrouwen?’
Een seconde twijfelde ze maar zei toen volmondig ja.
‘Herinner je het raadsel nog,’ zei ik, ‘dat je me vertelde op de dag dat je opgehaald werd?’
Iris keek me vragend aan. ‘Er staat me iets van bij.’
‘Dat raadsel heeft me hierheen gebracht, Iris.’ Ik zuchtte en staarde naar mijn glas. Toen zei ik: ‘Voorbij de Zijkant stralen de sterren. Dat vertelde je tegen mij.’
Iris knikte en liet haar hoofd hangen. Ze stond op en liep naar de schilderijen aan de wand. Ik volgde haar en keek over haar schouder mee naar de foto’s. Er hing een aangename, bijna betoverende geur om haar heen. Ik moest moeite doen om haar niet in de armen te nemen; een slapend verlangen dat schijnbaar al die jaren aanwezig was geweest en nu in haar nabijheid ontwaakte. ‘Ik heb je gemist,’ fluisterde ik in haar oor.
‘Ooit vertelde je me dat je droomde van wolken,’ fluisterde ze, mijn openbaring volledig negerend. ‘Donzige witte structuren van waterdamp, vervormd tot vreemde figuren door de stromingen van lucht.’
‘Ik heb ze gezien,’ antwoordde ik terwijl mijn gedachten een sprong namen en terug keerden naar het moment dat ik vanaf de Zijkant naar de stad gekeken had. Het leek inmiddels eeuwen geleden. ‘Ze hingen rond de Hemelscheerder op de dag dat ik van een plateau boven het bos ben gegooid.’
‘Gevallen, Uther. Je verloor je evenwicht. Het was Tybalt die jou daar aantrof, én die je probeerde tegen te houden. Maar dat is niet belangrijk. Kijk hier.’ Ze wees naar de tekening van Hemelstad voor de blauwe bol. ‘Dit is een afbeelding van hoe de Aarde er uitzag, nog voor de Hemelvlucht. Het blauwe is water, hele vlaktes vol. Zeeën werden die genoemd. De zon verwarmde die enorme oppervlaktes met water en liet het verdampen. Hoger in de atmosfeer condenseerde die waterdamp en vormde zo de wolken waarvan jij droomt. Kijk Uther, die witte vlekken zijn die wolken.’
Met open mond keek ik naar de afbeelding. Plotseling leken de vage mistslierten rond de Hemelscheerder van geen belang meer. ‘Zijn dat …wolken? Ze zijn zo groot.’
Iris glimlachte. ‘Zo groot waren ze. Uther, dit is de plaats waar alles is begonnen. Het is de plaats die we achter gelaten hebben, voorgoed. Een terugweg is er niet meer, ook al zouden we willen.’
Ik liet teleurgesteld mijn hoofd hangen en liep terug naar mijn stoel waar ik me verslagen in liet vallen. ‘Dus de sterren zijn inderdaad verdwenen?’
Iris keek me even zwijgend aan en trok me overeind. ‘Wil je voorbij de Zijkant kijken? Kom, kleed je aan. Dan gaan we direct.’

Natuurlijk weet iedereen in Hemelstad hoe sterren eruit zien. Daarvoor hoeven we alleen maar naar boven te kijken, door de koepel heen. Maar niemand besteed er nog veel aandacht aan; ze zullen tenslotte allemaal verdwijnen in de vernietigingsgolf die Hemelstad op de hielen zit, dus waarom zouden we er veel aandacht aan besteden? Waar we naar uitkijken is die wazige vlek in het zenit; Andromeda.
Maar als je goed kijkt valt het op hoe er weinig losse sterren er zichtbaar zijn. De paar die we zien zijn gegroepeerd in bolvormige hopen, her en der verspreid. Vlak boven de Zijkant, nog in de gloed van de motoren, neemt de concentratie solitaire sterren toe. Ik heb ze gezien omdat ik ernaar zocht, gedreven door nieuwsgierigheid en de informatie die ik in de oude boeken in de Bibliotheek vond. Leermeester Yipton had ooit gewag gemaakt van de Orion-arm van het sterreneiland de Melkweg. Ik had ontdekt dat we dit eiland van sterren met de naam Melkweg inderdaad verlaten hadden, en dat Andromeda een vergelijkbaar eiland was, héél ver weg en één van de vele. Menig maal had ik gewenst dat Hemelstad een grote telescoop had, zoals erover in de boeken geschreven stond, waarmee je de lichtjaren kon overbruggen en structuren kon zien die met het blote oog verborgen bleven. Het gerucht ging dat er op de Zijkant dergelijke telescopen aanwezig waren, maar niemand interesseerde vrijwel niemand. Waarom zouden ze ook? Er was niets meer om naar te kijken of om te bestuderen; de vernietigingsgolf liet niets over.
Ook ik had dit geaccepteerd, ondanks de verborgen tekenen dat het wel eens heel anders kon zijn. Het beeld dat ik van het Daarbuiten had was een leeg niets met hier en daar een helder lichtpuntje dat een ster moest zijn, vlak voordat het door de vernietigingsgolf opgeslokt werd.

Iris leidde me van de kamer door een labyrint van gangen en trappen. Ik raakte mijn oriëntatie al snel kwijt maar ze wist klaarblijkelijk waar we heen moesten. We liepen in stilte voort, waarbij ze dicht tegen me aan kwam lopen wanneer we iemand zagen. Hoewel ik verwacht had dat we snel gegrepen zouden worden besteedde niemand veel aandacht aan ons. ‘Ze denken dat we een stel zijn,’ fluisterde Iris. ‘Het gebeurt wel vaker dat verliefde stelletjes op dit tijdstip door de gangen lopen wanneer ze van of naar hun geheime ontmoetingsplek gaan.’
De gedachte aan ons als verliefd stel verwarmde mijn hele lijf en ik genoot van het moment. De spanning die me op de tenen deed lopen versterkte het zaligmakende gevoel. ‘Ik meen dat de hangar waar ik gegrepen ben niet zo ver was,’ zei ik ten slotte. ‘Ik kan me niet herinneren dat ik zo ver gelopen had.’
‘We gaan ook niet naar de hangar,’ zei Iris met een glimlach. ‘Je hebt me ooit gevraagd of ik met je naar de Hemelscheerder ging. Waar wij naar toe gaan is het equivalent daarvan, de plaats waar onze verliefde stelletjes naar toe gaan.’
‘Het past dus helemaal in de rol die we spelen,’ mompelde ik, maar Iris reageerde niet op mijn opmerking en leidde me weer een hoek om waardoor we op een soort plein kwamen. Tien gangen kwamen op dit pleintje uit. De meeste waren van het formaat waar we het afgelopen kwartier door gekomen waren. Eén was groter, breder.
‘Op dit uur is er bijna nooit iemand.’ De stem van Iris stem was doortrokken van een soort melancholie en ze kroop dichter tegen me aan. ‘Ze noemen het de Sterrenboulevard. Ik kom hier regelmatig, helemaal alleen, en kijk ik naar wat we achter ons laten. De Sterrenboulevard stemt me droevig omdat ik hier het gevoel heb dat we de verkeerde weg ingeslagen zijn. Maar er is niets dat ik eraan kan doen. Misschien dat jij meer invloed kan uitoefenen op de toekomst die voor ons ligt.’
‘Is het daarom dat je me hierheen brengt?’
Iris keek me aan. Er dwaalde een glimlach over haar lippen. Ze keek weer snel voor zich en leidde me een hoek om. Welke gedachte er ook door mijn hoofd spookte, ze werd verjaagd door het schouwspel dat zich voor mij opende.
Een zachte verlichting onthulde een enorm terras dat misschien wel honderd meter lang was en vijftig meter diep. Grasmatten bedekten trapsgewijs aangelegde plateaus. Er stonden bankjes en tafeltjes over de verschillende plateaus verspreid, zonder enige herkenbare regelmaat. Hier en daar waren wat mensen, knus bij elkaar gezeten op een bankje of gewoon op het gras.
Iris trok me mee naar de rand van het terras waar het Daarbuiten leek te beginnen, zonder enige valbescherming voor een onoplettende bezoeker van deze Sterrenboulevard. Ik deinsde verschrikt achteruit toen ze voorbij de rand stapte. ‘Vertrouw me,’ zei ze zachtjes en toen zag ik dat ze op een glazen vloer stond.
Enigszins onwennig stapte ik in het schijnbare niets. Mijn knieën knikten en ik hield haar stevig vast. Maar mijn angst vervloog als een boze droom toen ik naar beneden keek… en de sterren zag.

Met open mond keek ik naar het uitzicht. Ontelbare sterren schitterden in allerlei kleuren. Van donker violet, via blauw, groen en geel naar oranje en dofrood, chaotisch geordend in een uitgestrekte spiraalvorm die onder mijn voeten door draaide tot in een helverlichte knot met sterren. Donkere stofwolken lagen als een deken over delen van die spiraal, terwijl groepen sterren andere wolken groen, geel en rood lieten oplichten. Het was een wonderbaarlijk ballet, dynamisch doch onveranderlijk gedurende de spanne van een mensenleven. Toen drong het tot me door wat ik werkelijk zag en ik keek Iris met grote ogen aan. ‘Er is geen vernietigingsgolf,’ stammelde ik.
Iris schudde haar hoofd. De blik in haar ogen was gevuld met droefenis. ‘Er is nooit een vernietigingsgolf geweest,’ antwoordde ze en ging in kleermakerszit op het verbazingwekkend heldere glas zitten waardoor het leek alsof ze in het niets zweefde.
Met nog enige schroomvalligheid ging ik naast haar zitten. Hemelstad leek een moment lang verdwenen terwijl we omringd werden door het Daarbuiten, vergezeld door de sterren om ons heen. Het was alsof ik in een droom rondwaarde, zo onwerkelijk kwam het over.
Iris vervolgde met zachte stem: ‘We doen alsof we zo vreedzaam en redelijk zijn met al die mooie woorden over hoeders van de mensheid. Het is een klucht.’ Ze keek me aan en pakte mijn handen vast. ‘Ik zal vertellen wat er is voorgevallen. Vanwege achterstallig onderhoud door mijn Clan explodeerde een reactorkamer. De hele sector raakte besmet met radioactiviteit. Ik was die dag toevallig hier op deze plek en ontsnapte zo aan een dodelijke dosis straling. Iedereen die me dierbaar waren, familie, vrienden en kennissen waren zo goed als dood.’
Iris slikte krampachtig. In het licht van miljoenen sterren zag ik tranen in haar ogen glinsteren. Ik voelde met haar mee en mijn hart kneep samen in mijn borst.
‘Weet je wat het Syndicaat besloot?’ vroeg ze met hese stem. ‘De hele sector werd ontsmet door blootstelling aan het vacuüm van het Daarbuiten. Het was een beslissing die zomaar genomen werd, zonder enig overleg. Ik zag de lichamen in het niets verdwijnen, hier, op deze plek. Ze hadden er helemaal niets tegenin te brengen. En weet je wat het ergste van alles was? Er werd tegelijkertijd ruzie gemaakt over wie zeggenschap over de sector kreeg, alsof ik niet bestond.’
‘Toen besloot je naar de stad te gaan,’ mompelde ik.
Iris grinnikte sarcastisch. ‘Ik dacht dat mijn kansen daar beter lagen. Ik had het mis. Ik geloofde in die apollinische flauwekul maar besefte daar pas wat er werkelijk gaande was, en dat de mensheid, of wat er hier nog van rest, overgeleverd was aan de grillen van een groep profiteurs. Ze bedrogen de stad en haar inwoners, en dat alles onder het mom van het Apollinische Gedachtegoed.’
‘Opzichter Tybalt had het daarover,’ herinnerde ik me.
‘Heeft hij je verteld dat Hemelstad het beste is wat je kunt overkomen?’
Ik knikte. ‘Zoiets. Ik vond het niet erg overtuigend overkomen.’
‘Ze willen de macht houden. Daar geilen ze op. Daarom houden ze de waarheid verborgen want ze weten dat, op het moment dat Hemelstad een planeet aandoet en de mensen de stad verlaten, ze geen enkele macht meer zullen hebben. Daar zijn ze bang voor. Het kan niet langer op deze manier doorgaan. Ik kreeg het vermoeden dat mijn gangen werden nagegaan en besloot even onder te duiken. Ik wilde voor geen geld terug naar de Zijkant. Toen ik besefte dat ik niet voor altijd kon blijven vluchten besloot ik om met de klas van het VAT mee op excursie te gaan. Goed, je weet wat er toen gebeurde.’
Ik zuchtte. ‘En nu zitten we hier, gevangen op de Zijkant. Wat nu?’
‘We moeten terug naar de stad. Wat anders? Over iets meer dan een week is de jaarlijkse vergadering van de Zestien Afgevaardigden en het Syndicaat. Wat is een beter moment dan die dag om de waarheid te vertellen?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Het heeft geen zin. Wie zal ons geloven?’
Er verscheen een geheimzinnige glimlach op Iris’ gezicht. ‘Dan zorgen we voor bewijs.’

4

Het plan was uiterst simpel, maar doeltreffend. Aangezien het Syndicaat de stad afzocht naar Rakt en Annibel zouden ze minder oplettend zijn voor wat er onder hun neus gebeurde. We zouden over de Agrarische Velden vluchten, min of meer de weg die ik enkele weken geleden in tegenovergestelde richting had afgelegd. De gewassen zouden ons verbergen waardoor we ongezien een oogstfabriek konden bereiken, om vervolgens per glijbaan in de stad te komen. ‘Ik weet een tweetal goede schuilplaatsen,’ verzekerde Iris me. ‘In ieder geval kunnen we ons daar verschuilen tot de jaarvergadering plaats vindt.’
‘Ik ben hier gekomen per glijbaan,’ opperde ik behulpzaam. ‘Er is een vergeten verbinding die rechtstreeks naar de stad loopt. Ik denk dat ik de weg naar het station wel kan vinden.’
‘Ik vermoed dat ze die weg al beveiligd hebben,’ wierp Iris tegen. ‘Er zijn inmiddels verscheidene leden van de groep van Rakt gevangen genomen en ondervraagd. Als die ook maar iets los gelaten hebben lopen we recht in een val. We moeten een route kiezen die ogenschijnlijk té voor de hand ligt en meteen vertrekken. We kunnen het ons niet veroorloven tijd te verliezen.’
‘En Tybalt dan? Die komt vandaag weer. Wat gebeurt er als hij me niet in mijn kamer aantreft?’
Iris dacht even na en trok toen een grimas. ‘Je hebt gelijk. Ik moet ervoor zorgen dat hij elders nodig is. Misschien dat ik een idee heb.’
De toon die ze aansloeg deed me de haren te bergen rijzen. ‘Wat ben je van plan?’ vroeg ik angstig.
‘Met gelijke munt terug betalen,’ antwoordde ze geheimzinnig.

De ochtend kwam met een positief vooruitzicht. Ik weet niet of Tybalt het zag maar hij keek me vanuit de deuropening schattend aan. Glimlachend sloot hij de deur en kwam aan tafel zitten. Hij keek de kamer rond en ik begon te twijfelen. Iris was enkele uren geleden al vertrokken waarna ik nog even een paar uurtjes had geslapen. Was er ergens een aanwijzing voor wat er vannacht gebeurd was, of voor wat er te gebeuren stond? Voelde hij de stemming die ik had of kon hij gedachte lezen? Iris had me verzekerd dat deze kamer geen afluisterapparatuur bevatte. Maar natuurlijk kon ze niet alles weten. De Clans rivaliseerden onderling, had Iris me verteld, dus was het onwaarschijnlijk dat er niet van afluisterpraktijken gebruik gemaakt werden.
‘Is er iets?’ vroeg ik zo onschuldig mogelijk.
Tybalt schudde zijn hoofd. ‘Nee, er is niets. Ik wil doorgaan waar we gisteren gestopt zijn. Wil je niet gaan zitten?’ Hij wachtte tot ik plaats had genomen. ‘Gisteren overviel je me met de vraag of er sterren voorbij de Zijkant zichtbaar zijn. Ik wil daar graag antwoord op geven.’
‘Er zijn dus sterren?’ vroeg ik met toegeknepen ogen. Ik was benieuwd wat de man zou gaan zeggen, zeker nu ik de waarheid kende.
‘Ja, er zijn sterren.’ Hij stak snel zijn vinger op toen hij merkte dat ik wilde reageren. ‘Maar… dat zijn enkel sterren die nog niet verzwolgen zijn door de vernietigingsgolf. Beste Uther. Je moet je het volgende voorstellen; dagelijks zien we sterren uitdoven, opgeslokt worden door…’
Op dat moment klonk er een schel alarm dat van alle kanten op me af leek te komen. Tybalt sprong op en vloekte. De stoel kletterde op de grond en hij struikelde er bijna over in zijn haast de kamer te verlaten. Ik bleef achter terwijl het langzaam tot me doordrong dat de man de deur open gelaten had.
Het geluid van het alarm resoneerde in mijn hoofd. Met de handen tegen mijn oren liep ik naar de deuropening en ik keek voorzichtig de gang door. Ik twijfelde. Was dit het werk van Iris? Wat moest ik doen? Verwachtte ze dat ik in de kamer bleef wachten, of moest ik vluchten?
Onzeker beet ik op mijn lip en keek de gang weer door. Er renden enkele mensen in een aangrenzende gang voorbij. Hun paniekerige stemmen overstemden het geluid van het alarm maar ternauwernood. Ik begon te begrijpen dat wat Iris veroorzaakt had bijzonder ernstig was. Oog om oog, tand om tand. Dat kon maar één ding betekenen en de gedachte alleen al verkilde me tot op het bot. ‘Het is niet echt,’ riep ik. ‘Het is niet echt, er is geen vernietigingsgolf onder Hemelstad. We zijn veilig.’ Maar de indoctrinatie die ik van mijn jeugd af had gekregen zat diep; de angst dat Hemelstad ten onder zou gaan bleef door mijn gedachten jagen terwijl ik mezelf bleef zeggen dat er geen gevaar was. In een vlaag van helderheid dacht ik aan veldmeester Gewyn. Hij had me verzekerd dat vijftig procent van de motoren kon uitvallen zonder dat we aan snelheid moesten inboeten. Zou hij gelijk hebben? Zijn gezicht stond me bij als de dag van gisteren voordat het beeld vervaagde in een ondoordringbare mist. ‘Het is niet echt,’ zei ik weer maar mijn woorden klonken hol. Tranen welden op in mijn ogen terwijl de overtuiging groeide dat het afgelopen was.
Iemand trok aan mijn arm. Ik keek en zag Iris staan die twee dingen in mijn handen stopte en gebaarde dat ik die in mijn oren moest doen. Ik reageerde traag, bijna apathisch, maar het lukte. Als bij toverslag zakte het geluidsniveau en mijn gedachten leken wat helderder te worden. Ik knipperde met de ogen en keek met verbazing naar Iris. ‘Heb jij dit…?’ Ik maakte mijn zin niet af. Duizeligheid overviel me en ik moest de tafel grijpen om overeind te blijven.
‘Kom, we moeten weg,’ hoorde ik Iris zeggen en ik probeerde haar zo goed en kwaad als ik kon door de gangen te volgen, waarbij ze regelmatig op haar schreden moest terugkeren om me te helpen.

Veel stond me niet bij van de vlucht door de Zijkant. Gang na gang volgde elkaar op, de een leek nog meer op de ander dan de vorige. Langzaam kwam ik weer bij zinnen toen Iris me een trap af hield en we in een gang terecht kwamen waar het alarm niet loeide. Iris trok de dopjes uit mijn oren en sloeg me eenmaal in mijn gezicht. De waas die voor mijn ogen leek te hangen trok op. Verward keek ik rond. ‘Waar zijn we?’
‘Vlak bij de uitgang,’ antwoordde ze terwijl ze ook twee dopjes uit haar oren haalde en op de grond wierp. ‘We hoeven niet bang te zijn dat ze ons zoeken. Ze hebben hun handen vol. En om alvast antwoord te geven op de vragen die je hebt, de mensen hier zijn getraind om op specifieke wijze op het geluid te reageren. Het gebeurt zonder tussenkomst van de hersenen, waardoor de handelingen doelgerichter en efficiënter zijn. Een ongetraind iemand raakt volledig van de kaart. Dat is wat er met je gebeurde.’
Ik schudde de laatste verwarring van me af. ‘Zijn we ontsnapt?’
Iris glimlachte zenuwachtig. ‘We zijn bijna buiten, als dat is wat je bedoeld. Echt ontsnappen zullen we nooit kunnen. Kom.’
Ik begreep haar woorden maar half en volgde haar door nog meer gangen tot we ten slotte op een deur uitkwamen. Ze opende de deur met een vreemde sleutel en stapte snel naar buiten. Ik volgde haar wat langzamer.
We bevonden ons op een klein plateau dat in de wand verzonken lag, vergelijkbaar met het plateau waar ik zo lang geleden vanaf gevallen was. Ik deinsde achteruit bij de herinnering aan mijn val en bleef met mijn rug tegen de koele wand staan. Iris liep zonder ergens iets van aan te trekken naar de verzonken ladder en daalde af. Ik volgde haar op handen en voeten. Mijn angst om ontdekt te worden was groter dan de angst opnieuw te vallen en krampachtig hield ik de treden vast terwijl ik sport voor sport afdaalde. Eindelijk voelde ik de grond onder mijn voeten en ik liet mijn adem bevend ontsnappen. Ik was nog niet helemaal de oude.
Iris stond ongeduldig te wachten maar ik hield haar tegen toen ze aanstalte maakte naar het bos te rennen. ‘Was dat jouw werk, daarboven? Wat heb je gedaan?’
‘Ik heb de koeling van een reactorkamer uitgeschakeld en de alarmdoormeldingen afgeschakeld. De kern is gesmolten. Ik ben bang dat binnen enkele dagen de hele sector binnen deze muren onbewoonbaar zal worden.’
Ik kreeg kippenvel bij de gedachte aan al die doden die gingen vallen. ‘En de motor?’
‘Die zal het voorlopig niet meer doen,’ antwoordde Iris met kille stem. Ze trok zich met een bruuske beweging los en rende het bos in.
Met een laatste blik op de hoge overhellende wand van de Zijkant, die hoog boven mijn hoofd over ging in de transparante koepel, rende ik haar achterna.

5

‘Onze ontsnapping zal inmiddels ontdekt zijn,’ riep Iris nadat we een tijdje door het bos draafden
Ik bevestigde dat vermoeden en deed er weer het zwijgen toe. De gedachte aan alle doden die vandaag door het toedoen van Iris gevallen waren, stuitte me tegen de borst. Ik was dan wel tegen de praktijken van de Clans, maar ik zag nog geen reden om tot een dergelijk drastische daad over te gaan, die zeker de dood voor velen moest betekenen. Het was simpelweg moord. Ik had er geen ander woord voor. Het ergste van alles was, dat het was uitgevoerd door een jonge vrouw waar ik… Waar ik van wie ik hield!
Alsof ze mijn gedachten las wierp Iris een blik over haar schouder en riep: ‘Ik hoop niet dat je denkt dat ik iedereen in gevaar heb gebracht. Dat is niet zo.’
‘Je hebt mensen vermoord,’ riep ik terug.
‘De motor is niet geëxplodeerd maar uitgevallen,’ antwoordde Iris hijgend terwijl ze door bleef rennen. ‘Iedereen had voldoende tijd om weg te komen voordat de radioactiviteit zich verspreidde. Misschien ben ik nog veel te goed geweest, maar ik kon het niet om mensen te doden die ik ondanks alles toch als mijn vrienden beschouw. Het zijn alleen de leidinggevenden die verantwoordelijk zijn voor de leugens en het bedrog dat Hemelstad in onwetendheid houdt.’
Zwijgend dacht ik erover na terwijl ik achter Iris door het bos rende. Ik voelde de vermoeidheid opkomen waardoor ik mijn evenwicht verloor en met een doffe klap neerkwam. De pijn in mijn been vervloog als sneeuw voor de zon toen ze me overeind hielp en ik haar bitterzoete zweetlucht opving. Er trok een twijfelachtige glimlach over haar gezicht toen ze mijn gezichtsuitdrukking zag, waarna ze zich omdraaide en haar ren voortzette. Ik volgde verbeten terwijl ik tegen mijn vermoeidheid vocht. Iris bewoog zich onverminderd voort met een opvallende gratie en soepelheid die betoverend op me werkte.
Ik wist dat er altijd al gevoelens voor haar waren geweest, al vanaf het moment dat ik haar voor het eerst in de klas gezien had. Die gevoelens voor haar hadden in eerste instantie nog medelijden kunnen zijn vanwege de vele persterijen die ze te verduren had gekregen, maar nu zag ik duidelijk dat het meer was geweest dan dat. Het was een verliefdheid die nooit tot wasdom had kunnen komen.
Maar sinds gisterenavond op de Sterrenboulevard – was het werkelijk pas één nacht geleden? – in het schijnsel van de armen van de Melkweg, was ik voorgoed in de liefde verloren. Zelfs als ze verantwoordelijk was voor dodelijke slachtoffers, die vanwege haar daad zouden vallen, deed dat weinig af aan die gevoelens. Juist daarom kon ik het haar vergeven, mede omdat ik wist dat er een sterke motivatie ten grondslag lag. Het was inderdaad oog om oog, tand om tand, want ik was er inmiddels van overtuigd dat het Syndicaat niet voor geweld terug zou deinzen om de macht in handen te houden. Tybalt had niet voor niets gesuggereerd dat de leden van de groep van Rakt geen prettig vooruitzicht hadden. ‘Wat wordt er gedaan met de mensen die zich tegen het Syndicaat keren?’ riep ik.
‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Iris zonder zich om te draaien of snelheid te minderen. ‘Wellicht dat hen de dood te wachten staat.’
Het bevestigde mijn vermoedens. ‘Is het Syndicaat in staat tot het uitvoeren van de doodstraf?’
Iris stopte met rennen en liep het laatste stuk stapvoets tot we tussen de bomen uitkwamen en over de Agrarische Velden uitkeken. Voor ons wuifde de lange maïsstengels in een zachte bries. Ze wachtte tot ze op adem was gekomen en zei: ‘Ze hebben de doodstraf in het verleden uitgevoerd. Dat is wat ik zeker weet. Nu, met dat Apollinistisch Gedachtegoed, ben ik er niet zeker van. Als ik erover nadenk; ja, ik denk dat ze zich tot die straf zullen wenden om de macht die ze nu hebben veilig te stellen.’
Ik zette die angstaanjagende conclusie snel van me af en keek fronsend naar de maïs die tot een hoogte van bijna vier meter reikte en ons zodoende perfect verborg. Vanuit ons standpunt gezien staken alleen de hoogste hemeltorens van de stad boven de stengels uit. ‘Volgens mij is dit dezelfde weg die ik een paar weken geleden afgelegd heb,’ zei ik nadenkend. ‘Dan kunnen we misschien het beste naar de oogstfabriek van district 6 gaan. Misschien dat we daar veldmeester Gewyn aantreffen. Ik heb het idee dat hij ons wel zal kunnen helpen.’
‘Vertrouw je hem?’
‘Geen idee,’ antwoordde ik naar waarheid. ‘Maar met een beetje geluk kan hij voor ons wel een kubus regelen, zodat we het laatste stuk per glijbaan kunnen afleggen. Vanaf een oogstfabriek is het onopvallender wanneer we op de gangbare manier de stad bereiken.’
Iris knikte. ‘Laten we daar dan maar heen gaan.’

We waren een half uur door de maïs onderweg toen ik de eerste vaag bekende geluiden hoorde. Ik bleef stil staan om me te oriënteren. Iris keek me eerst verbaasd aan maar haar houding veranderde toen ze het geluid ook hoorde. ‘Wat is dat,’ vroeg ze.
‘Het is een oogstmachine,’ zei ik bezorgd. ‘Ik meende aan deze maïs al te zien dat ze klaar is voor de oogst. We moeten oppassen dat we niet in de oogstmachine zelf belanden want dan is het direct afgelopen.’
‘Van wie weet je dat allemaal, dat van die maïs?’
‘Veldmeester Gewyn heeft me dat verteld tijdens de rondleiding in de oogstfabriek. Ik hield hem aan het lijntje, waardoor ik ten slotte ongemerkt kon wegkomen. Kom, we moeten deze richting uit.’
Ik leidde Iris tussen de lange stengels door en zoals ik verwacht had braken we door de maaigrens heen. Nu bleek de informatie die ik tijdens de rondleiding van Gewyn gekregen had van onbetaalbare waarde. Op amper veertig meter afstand zagen we de reusachtige oogstmachine. We keken vrijwel recht in de mond en zagen de scherpe messen heen en weer flitsen. De maïs werd vlak boven de grond afgesneden waarop de stengels in de malende kaken van de machine verdwenen. Wat er daar gebeurde kon ik slechts raden maar de gedachte om daar tussen te belanden vulde me met afgrijzen. Naast de oogstmachine zweefde de vrachter waar kant en klare pakketten op gedeponeerd werden. Alles gebeurde volledig automatisch, wist ik me te herinneren. Het waren robots die volledig autonoom opereerden.
‘Kijk daar,’ riep Iris in paniek en ze wees in de richting van de Zijkant die nu op het open veld goed te zien was. Er vlogen vier vliegmachines in formatie vlak boven de maïs. ‘Ze zoeken ons. We moeten ons verbergen, snel!’
‘We moeten terug de maïs in,’ riep ik met een schuin oog op de oogstmachine.
‘Nee, nee.’ Iris hield me tegen. ‘Dat heeft geen zin. Ze hebben infrarood. De maïs zal ons niet verbergen.’
Opnieuw keek ik naar de oogstcombinatie, maar nu met een geheel andere blik. Dankzij de rondleiding van veldmeester Gewyn, en mijn schijnbaar onbevredigende honger naar informatie om zodoende tijd te rekken, had ik geleerd dat er een servicecabine in deze machines aanwezig was. Het waren dan wel autonoom werkende machines, ze moesten zo nu en dan toch onderhouden worden. Ik trok Iris met me mee en zorgde ervoor tussen de enorme oogstmachine en het laadplatform te komen. Het was niet ongevaarlijk. ‘Er is daarboven een cabine. We moeten erin zien te komen,’ gilde ik boven het geluid uit van de hakkende messen en de machinerie. Ik klom een ladder op en opende een kleine deur die naar een eenpersoonscabine leidde. Met enige onhandigheid wisten we ons samen in de kleine ruimte te persen.

Het was er warm. We stonden dicht tegen elkaar aan en keken door een raampje naar de plaats waar de vliegmachines over kwamen. Iris hield haar adem in toen ze op amper twintig meter overvlogen, maar zoals ik verwacht had produceerde de oogstmachine voldoende hitte om onze lichaamstemperatuur te maskeren.
De vliegmachines vlogen ongestoord verder in de richting van de stad die vanuit onze hoge plaats nu duidelijk zichtbaar was. Ik zuchtte zachtjes bij het aanzicht van de hemeltorens die trots en fier de hoogte in reikten. Het was het thuis van miljoenen mensen, allemaal op weg naar een droom die nooit werkelijkheid zou worden. Dat wist ik nu. Maar de nachtmerrie die ons achtervolgd had was eveneens een illusie. ‘Hoe gaan we de Zestien Afgevaardigden overtuigen van de waarheid,’ fluisterde ik in Iris haar oor, dat op amper enkele centimeters van mijn mond verwijderd was. Ze draaide haar gezicht naar me en ik ontmoette haar blik. Plotseling verdween de wereld om ons heen. Ik voelde haar adem over mijn gezicht spelen, haar lichaam tegen me aan. Haar lippen hingen iets open, verlangend en erotisch. Haar ogen waren diepe poelen vol vuur. Ze was zo mooi, zo... Ik wilde haar kussen, vasthouden. Verlegenheid en angst weerhielden me er echter van aan mijn gevoelens gevolg te geven en even plotseling als het moment was gekomen, was het weer voorbij. De wereld keerde terug en de herrie van de oogstmachine vulde de leegte die tussen ons in ontstaan was. ‘Ik wil hier weg,’ fluisterde Iris met een vreemde intonatie en ze wurmde zich door het deurtje naar buiten.
Met het gevoel een kans gemist te hebben volgde ik haar en overvallen door melancholie liep ik op discrete afstand achter haar aan.

We volgden de maaigrens in de richting van de stad. Verwaaide geluiden bereikten onze oren, geluiden die zo bekend voorkwamen maar onwerkelijk klonken door de afstand en de bedrieglijke rust die over het veld hing. We waren gespitst op meer patrouilles van de Zijkant, maar we zagen geen enkele vliegmachine en na ongeveer veertig minuten liepen we het terrein op van de oogstfabriek waar we opgewacht werden door een korte vadsige man die met de handen over elkaar stond toe te kijken.

‘Het is gevaarlijk om gedurende de oogsttijd tussen de maïs te gaan,’ zei hij met een veelbetekenende grijns op zijn gezicht. ‘Ik zag jullie van een afstand al aan komen lopen. Zoals jullie waarschijnlijk wel weten is het niet toegestaan om de Agrarische Velden te bezoeken zonder vergunning, en het is bovendien gevaarlijk rond de oogsttijd. Jullie jongelui moeten in het vervolg maar gewoon de recreatievelden opzoeken, of de Hemelscheerder waarvan ik gehoord heb dat het dé ontmoetingsplaats voor geliefden is.’
Ik grijnsde schaapachtig en keek vluchtig naar Iris. Ze ontweek mijn blik. Ik wendde me tot de man. ‘Heeft veldmeester Gewyn vandaag dienst?’ vroeg ik.
De man schudde zijn hoofd en stak zijn hand uit. ‘Veldmeester Buys. Aangenaam kennis met u te maken. Gewyn heeft morgen weer dienst. Misschien kan ik u helpen?’
‘Misschien,’ zei ik terwijl ik met een schuin oog de hemel afzocht. ‘We moeten naar de stad. Kunt u een kubus laten komen?’
‘Natuurlijk kan ik dat. Een ogenblik.’ Veldmeester Buys liep zijn kantoor binnen dat aangrenzend aan de fabriek gelegen lag.
‘Kunnen we niet beter lopen,’ zei Iris twijfelend. Het zou me niet verbazen als ze de stations in de gaten houden.
‘We verlaten de glijbaan wanneer we de grens van de stad bereiken,’ zei ik. ‘Dan nemen we de roltrottoirs en zorgen ervoor vaak over te stappen.’
Veldmeester Buys kwam op ons toegelopen. ‘Het is geregeld. Zeg, heeft u gezien dat er weer een motor is uitgevallen?’ Hij wees naar de Zijkant waar op één plaats de gloed was verdwenen. ‘Ik weet het niet,’ mompelde de man hoofdschuddend, ‘maar ik heb het idee dat de Clans téveel bezig zijn met andere dingen dan met het onderhoud van de motoren. Een half uur geleden nog kwamen er maar liefst vier luchtschepen over vliegen. Heeft u ze gezien?’
‘We hebben ze gezien,’ zei ik. ‘Ik krijg de indruk dat u zich zorgen maakt.’
Veldmeester Buys grinnikte. ‘Zorgen? Ja, inderdaad. De Clans doen hun werk niet meer naar behoren en als dat zo doorgaat worden we nog vernietigd.’
‘Er zijn veranderingen op komst,’ zei Iris kil. ‘Goedschiks of kwaadschiks.’
‘U heeft gelijk, juffrouw.’ Veldmeester Buys gebaarde naar het glijbaanstation en we volgden hem terwijl hij zei: ‘We hebben een aankondiging gekregen dat tijdens de jaarvergadering van volgende week een belangrijke mededeling gegeven zal worden door het Syndicaat. Weet u, ik wist niet eens dat die vergadering volgende week gegeven werd? Het is zoals het gezegde: “De jaren vliegen voorbij als de lichtjaren Daarbuiten.”’

De kubus kwam geruisloos aanzweven en stopte met een sissend geluid. ‘Moet ik tegen Gewyn zeggen dat u naar hem gevraagd heb?’ vroeg veldmeester Buys nadat we ingestapt waren.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Dat is niet nodig. Ik dank u voor uw hulp.’
‘Graag gedaan,’ zei de man en sloot de deur. De kubus kwam in beweging en zweefde met een aangename snelheid naar de stad. Iris zat zwijgend naar buiten te kijken. Het voelde aan als déjà-vu en ik tuurde naar de stad terwijl ik met weemoed aan de jaren van mijn jeugd dacht, toen Hemelstad nog een vredige plaats zonder zorgen was.

6

We stapten bij het eerste glijbaanstation uit en namen een roltrottoir dat recht naar het centrum leidde. Niets wees erop dat we achtervolgd werden of in de gaten gehouden. De mensen die hier met ons het roltrottoir deelden gingen op in hun eigen beslommeringen en besteedden totaal geen aandacht aan twee gehavende mensen, wellicht een paartje dat van de recreatievelden kwam. Ik bekeek onze kleren en zag de smerige vlekken die de tocht vanaf de Zijkant had achtergelaten. Mijn broek was juist onder de knie gescheurd, waarschijnlijk door mijn val in het bos, en zat vol met de groene vegen die van de bomenstammen afkomstig waren. Er was nu niets aan te doen.
Naarmate we vorderden en dichter bij het centrum kwamen werd het drukker op de roltrottoiren. We stapten een paar keer over, geheel willekeurig om eventuele achtervolgers af te schudden. Als die denkbeeldige belagers ons eenmaal kwijt waren konden ze ons statistische gezien nooit meer vinden.
Inmiddels waren we in de tweede cirkel beland en ik keek vervuld met herinneringen naar de kleurrijke wereld van het uitgaansgebied. ‘Waar gaan we heen?’ vroeg ik.
‘We moeten hulp hebben,’ antwoordde Iris. ‘Ik wil kijken of ik die groepering van Rakt kan vinden.’
‘Die zijn allemaal opgepakt door het Syndicaat.’
‘Niet per definitie.’ Iris grinnikte. ‘Als dat het geval is, konden ze toch niets voor ons betekenen. We moeten een daadkrachtige groep mensen hebben voor wat ik in gedachte heb.’
‘Mag ik misschien weten wat je precies van plan bent?’
Iris schudde haar hoofd. ‘Jij moet je bezig houden met de komende vergadering. Ze zullen de argumenten van tafel vegen, hoe krachtig ze ook zullen zijn, door ze simpelweg af te doen als verzinsels. Ik zorg wel voor de bewijzen.’
‘Bewijzen kunnen vervalst worden,’ wierp ik tegen.
‘Het bewijs dat ik in gedachte heb niet,’ zei Iris geheimzinnig. ‘Voorlopig moeten we zorgen dat we buiten beeld blijven. We gaan naar de universatoren van het VAT. Ik had met de conciërge een verblijfsruimte geregeld toen ik van de Zijkant gevlucht was. Als die ruimte nog beschikbaar is zijn we daar voorlopig veilig.’
‘Is die man te vertrouwen?’
Iris grinnikte. ‘Het is een vrouw. Darma heet ze en was heel begaan met mijn situatie. Ze is te vertrouwen.’

We braken door de grens van eerste cirkel en de universatorens doemden op. Ze stonden in een cirkel rond de Bibliotheek die het centrum van de stad markeerde. Zestien universatorens waarin de opleidingscentra zich bevonden. Alleen het getrainde oog kon de torens uit elkaar houden. Het gebouw waar wij naar toe bewogen herkende ik onmiskenbaar als de toren waar het VAT gevestigd was.
We betraden het gebouw op de veertiende verdieping. Het roltrottoir minderde snelheid en draaide in een grote spiraal door de centrale schacht van de toren naar beneden. De verdiepingen waar een onaflatende activiteit heerste, die dag en nacht door ging, gleden voorbij. Lang geleden had ik over de balkons gelopen die uitkeken op de schacht met de daarin spiralende roltrottoirs. Het geluid van misschien wel duizenden mensen golfde op en neer, soms versterkt, soms gedoofd wanneer we de buiken en knopen van geluid doorkruisten. Het gebouw leek een levend organisme, een onderdeel van het lichaam dat Hemelstad heette. Ik bedacht me dat de Clans de macht in handen hadden om het voedsel voor dat lijf te onthouden; lucht, water en elektriciteit, maar ik wist nu dat de Zijkant niet onbereikbaar was. Als het ooit zover kwam, als de Clans terug zouden grijpen naar die pressiemiddelen, was ik ervan overtuigd dat de miljoenen inwoners van de stad zich tegen de Zijkant zouden keren. Een voorzichtige hoop groeide in me terwijl ik de bedrijvigheid binnen deze universatoren aan me voorbij zag glijden. Misschien waren we dan toch niet geheel machteloos! Maar de consequenties van een dergelijke opstand zouden misschien wel eens niet te overzien zijn.

We vonden Darma in een klein kantoor op de eerste verdieping. Ze verwelkomde Iris met een hartelijkheid die me enigszins verbaasde. ‘Ach, meid. Wie had ooit kunnen denken dat ik jou nog ooit terug zou zien. Toen je vertrok wist ik dat ik je aangename gezelschap zou missen. Ik heb helaas gelijk gehad.’ Ze hield Iris op armlengte vast en bekeek haar van top tot teen met een intensiteit die op het beschaamde af was. ‘Je bent veranderd, ouder geworden,’ zei ze goedkeurend. ‘Er zit meer vlees rond het bot. Ja, je ziet er gezond uit. En knap! Vertel me eens Iris, wie is niet onaardig uitziende jongeman?’
Met een brede glimlach en stralende ogen stelde Iris me voor. ‘Dit is meester Uther. Hij heeft me van de Zijkant gehaald. We hebben al het een en ander meegemaakt.’
‘Aha. Dit is dus meester Uther. Jongen, ze heeft het vaak over je gehad. Ik begrijp nu wel waarom.’ Ze boog naar Iris met de woorden: ‘Mijn gevoel zegt me dat je hem niet moet loslaten, meid.’
Ik voelde mijn gezicht kleuren en zag tot mijn vermaak dat ook op Iris’ gezicht een blos verscheen. ‘Darma, is die kamer nog vrij?’ vroeg Iris snel. ‘We hebben min of meer een probleem en willen voorlopig uit het zicht blijven.’
‘Zoals vroeger,’ lachte Darma. ‘Die kamer is nog vrij. Ik ben alleen bang dat er maar één bed is. Ik neem aan dat het geen probleem oplevert?’
Iris keek vluchtig naar me. ‘Geen probleem. Ik ben er waarschijnlijk toch niet vaak.’
‘Waar ga je heen,’ vroeg ik geschrokken.
‘Dat heb ik je verteld. Jij houd je bezig met een goed geformuleerd agendapunt voor de jaarvergadering. Misschien dat Darma het agendapunt kan indienen, zonder dat de herkomst daarvan direct getraceerd kan worden.’
‘Dat is geen probleem,’ zei de vrouw.
‘Dat vermoedde ik al,’ zei Iris met een glimlach. ‘Darma weet de weg. Ik zorg ervoor dat ik in contact kom met de groepering van Rakt en het zou me niet verbazen als…’
‘… ik de manier weet,’ zei Darma grijnzend en ze gaf er een vette knipoog achteraan.

Zo begon een lange, saaie week waarin ogenschijnlijk weinig gebeurde en ik de avonden doorbracht in gezelschap van Darma, die een goedlachse en gulle vrouw bleek te zijn. Ze had duidelijk veel plezier in het leven en was deelgenoot van duizend-en-één geheimen die ze zonder schroom met me deelde. Ik uitte mijn twijfels daarover. ‘Geen nood,’ antwoordde de vrouw. ‘Dit zijn oude geheimen. Noem ze maar verjaard. De geheimen die actueel zijn blijven geheimen. Ik bespreek die alleen met degenen die het aangaat.’
‘Maar maak je dan niet ooit de vergissing geheimen te vertellen die wél actueel zijn?’
‘Nooit,’ riep Darma enigszins verontwaardigd. ‘Mijn geheugen is als een fotografische plaat. Het zijn feiten die geordend zijn op een manier die feilloos is en alleen toegankelijk voor mijzelf.’
De dagen bracht ik door met het op een rijtje te zetten van alle vergaarde feiten, en dat bleken er meer te zijn dan ik verwacht had. Ik begon verbanden te zien en wist naarmate het uur van de jaarvergadering naderde een aardig beeld te vormen van wat er gebeurd was. Op mijn vraag wist Darma enkele boeken uit de bibliotheek te krijgen, wat toch niet zo onmogelijk of verboden was als ik altijd gedacht had, en kon ik enkele theorieën die in me opkwamen toetsen. Twee dagen voor de aanvang van de jaarvergadering had ik alles op een rijtje en knoopte de spanning op in mijn maag. De hele week had ik geen enkele glimp opgevangen van Iris en ik maakte me zorgen. Ik moest er niet aan denken dat er iets met haar gebeurd zou zijn.

‘Het is bijna zover,’ zei Darma op de laatste avond. ‘Morgen komt het Syndicaat naar de Hemelscheerder. De stad gonst van de geruchten. Normaal gesproken komt de vergadering en gaat de vergadering zonder noemenswaardige aandacht. Maar nu…’ Darma grinnikte. ‘Ik denk dat het de best bezochte jaarvergadering uit de geschiedenis van Hemelstad zal worden. Het zou grappig zijn als de strenge en overbodige tradities eromheen dit keer fout gingen, in het aanzicht van iedereen.’
‘Dat zal waarschijnlijk niet,’ mompelde ik.
‘Nou, dat weet ik nog niet zo. Als het waar is van wat ik gehoord heb zal alles op de kop gezet worden.’
Ik keek Darma aan. ‘Jij weet meer dan je doet geloven, niet?’
Darma haalde haar schouders op en nam een grote slok van haar thee. ‘Ach, je hoort wel eens wat in mijn positie,’ zei ze nuchter. ‘Hoe het ook zij, vanaf morgen zal niets meer hetzelfde zijn. Dat weet ik zeker.’
‘Ik hoop dat het ook ten goede zal zijn,’ mompelde ik. ‘En dat is waar ik zo bang voor ben.’

7

Iris was al bij de ingang van de Hemelscheerder toen ik per roltrottoir arriveerde. Ze sprong naast me, gevolgd door een grof uitziende man in wiens gezelschap ze scheen te zijn. ‘Het is gelukt,’ zei ze gespannen terwijl haar blik heen en weer schoot. ‘Zoals ik verwachtte is de groep van Rakt nog intact, hoewel niemand schijnt te weten waar Rakt en Annibel uithangen. Faustino was zo aardig om me te helpen.’
Bij het horen van die naam keek ik verbaasd naar de man die me met een grijns stond aan te kijken. ‘Hallo Uther,’ zei hij met een rauwe stem die zijn uiterlijk geen afbreuk deed. ‘Dat is lang geleden. Ik heb gehoord dat je het een en ander hebt meegemaakt. Wie had dat kunnen denken. Stille wateren hebben dus inderdaad diepe gronden.’
Ik keek naar zijn uitgestoken hand en zag de ontbrekend vingers. Met enige terughoudendheid schudde ik hem de hand en kreeg de rillingen bij het voelen van de stompjes die nog restten. Het scheen dat opzichter Tybalt de waarheid had gesproken. ‘Ik ben het wapen dat je aan Annibel hebt gegeven kwijt geraakt,’ zei ik. ‘Het spijt me.’
Faustino haalde zijn schouders op. ‘Het was een oud model. Niet zo betrouwbaar als de nieuwere. Heb je er gebruik van kunnen maken?’
‘Bijna. Het weigerde dienst.’
‘Dat kan gebeuren.’

Een lift bracht ons naar de ceremoniële vergaderzaal waar ik samen met Iris toegang tot kreeg vanwege het ingediende vergaderonderwerp dat ik op ons beider naam had laten zetten. Faustino liep, na ons succes te hebben gewenst, door naar de publieke tribune waar het opvallend druk was.
We kregen ieder een stoel aan de zijkant toegewezen en gingen zitten. Ik was zenuwachtig en wist me geen houding aan te nemen. Vandaag, in deze zaal, zou de beslissende slag toegediend worden. Ik keek schuin naar Iris. ‘Hangt alles af van Faustino?’
Iris knikte. ‘Een andere keuze hebben we niet. We moeten hem vertrouwen.’
‘Vertrouw jij hem?’
’Ja,’ antwoordde ze en hield vervolgens haar vinger voor haar mond. Ik zweeg en keek gespannen door de grote vergaderzaal die slechts vier keer per jaar gebruikt werd. De ruimte was vrijwel rond, gebouwd als een amfitheater. Er waren twintig rijen zitplaatsen, elk iets hoger dan de andere gelegen, waardoor iedereen een onbelemmerd zicht op de vergaderzaal had. Alle rijen leken dit keer vol te zitten waardoor ik overvallen werd door een vlaag van plankenkoorts. Ik slikte een brok weg en keek recht naar boven, door het glazen dak dat als een minikoepel de gehele ruimte overdekte, en naar de weinige sterren die als eenzame lichtpuntjes in de verte schenen. Eenzaam daar tussenin was een wazige vlek te zien; Andromeda. Ik wist nu dat Hemelstad nooit zover zou kunnen komen, en na vandaag zou heel Hemelstad het weten..

Een diepe bromtoon haalde me uit mijn gedachtetrein. Het geluid, dat meer voelbaar was dan hoorbaar, liet alles trillen. Een luik opende zich in de vloer, precies in het midden, en boven het donkere gat verscheen een felle zon die omringd was met negen planeten die elk in een eigen tempo rond de ster draaiden. Plotseling veranderde het beeld terwijl het geluid van toon veranderde. Er klonken stemmen, onherkenbare geluiden terwijl het beeld in een stroomversnelling raakte en lichtjaren in luttele seconden voorbij schoten. Andromeda verscheen in beeld en daar, ergens op de grens lichtte een stad op, een hemisfeer omringd door zestien machtige motoren die het in de richting van de Hemelpoort stuwden.
Ik had de ceremonie nog nooit gezien maar er wel van gehoord, zoals iedereen in Hemelstad. Het was indrukwekkend en ik zat met open mond te kijken. Toen besefte ik hoe ingenieus dit bedrog in elkaar zat.
Het beeld vervaagde en een ronde tafel kwam omhoog. Er was een landkaart in geëtst die de continenten van de Aarde moesten voorstellen. Rond de tafel stonden tweeëndertig stoelen zonder enige insignes. Gelijkheid heerste aan deze tafel. Langzaam zwol het geluid aan tot het in een finale eindigde en de zaal in duisternis gehuld werd. Ik keek naar boven, net als iedereen. Als bij toverslag sprong het licht aan en de leden van de Zestien Afgevaardigden en het Syndicaat stonden voor hun stoelen in een ijzig stilzwijgen.
Mijn oog viel op opzichter Tybalt die er imponerend uitzag in zijn ceremoniële gewaad, terwijl de traditionele openingswoorden gesproken werden. Ik hoorde ze niet. Ik bleef naar Tybalt staren in de hoop dat hij terugkeek. Maar hij stond onbewogen, volledig in zijn rol opgaand.
Ten slotte was aan alle tradities voldaan en de leden namen allemaal plaats. Hun gewaden ritselden in de gevallen stilte. Alleen Tybalt bleef staan en hij keek de zaal rond. Toen zijn ogen op mij vielen bleef hij kijken. ‘Meester Uther heeft een agendapunt ingediend,’ sprak hij met een diepe stem. ‘Dit agendapunt uit twijfel aan onze Hemelvaart, ons doel Andromeda waar de Hemelpoort zich bevindt, en aan de reden van de Hemelvaart; de vernietiging van de mensheid en haar thuiswereld. Het getuigd duidelijk van het werk van een te grote fantasie aangezien de feiten al vele millenia vast staan. Ik dien een motie in om dit punt nietig te verklaren en over te gaan aan de traditionele opsomming van feiten en eisen zoals weergegeven in de agenda.’
Tybalt ging zitten. Er was geen enkele emotie op zijn gezicht af te lezen terwijl de raadsleden hun stem uitbrachten via een keuzescherm dat in de tafel verwerkt was en zorgvuldig voor de buurman afgeschermd. De seconden kropen traag voorbij totdat de voorzitter opstond. ‘Motie afgewezen,’ zei hij kort en bondig. ‘Wil meester Uther naar voren komen?’
Ik stond op, keek nog even vluchtig naar Iris en liep toen naar het kleine podium dat uit de vloer oprees waar ik met gierende zenuwen op ging staan. De voorzitter vervolgde: ‘Meester Uther stelt hiermee officieel het Syndicaat in beschuldiging voor het nastreven van bedrog en het voorzien van onvolledige en foutieve informatie ten aanzien van de Hemelvlucht. In zijn toelichting heeft Meester Uther sterke aanwijzingen verschaft die zijn beschuldiging een nader onderzoek waardig achten. U kunt uw relaas starten.’
Ik schraapte mijn keel en keek even naar de volgepakte tribunes waar de mensen me met grote ogen aankeken. Mijn blik gleed naar Tybalt die me met een duidelijke vijandigheid aankeek.
Ik probeerde zijn intimiderende blik te negeren en schraapte mijn keel een tweede keer. Zoals ik de afgelopen week voorbereid had vertelde ik alles wat ik wist. Niemand onderbrak me en ik zag op de gezichten van de raadsleden een serieuze interesse die bij sommigen langzaam veranderde in een fronsend luisteren met nu en dan een verwaaide blik op de leden van het Syndicaat. De leden van het Syndicaat bleven echter onbewogen zitten en alleen Tybalt leek de stemmingen van alle aanwezigen nauwlettend in de gaten te houden. ‘Ik leerde in de Bibliotheek dat we uit het spectrum van sterren veel informatie kunnen halen,’ legde ik uit. ‘Relatieve snelheid is meetbaar en toen ik rekening had gehouden met alle variabelen kon ik de snelheid van Hemelstad afleiden. Uit mijn berekeningen, die vereenvoudigd als bijlage bij mijn verzoek zijn gevoegd, bleek dat de snelheid waarmee Hemelstad zich beweegt slechts vijftig procent bedraagt van de opgegeven snelheid. Uit verdere waarnemingen leidde ik de afstand tot Andromeda af, dat net als de Melkweg een sterreneiland is. Zelfs met een snelheid van 0,999 cee zou de reistijd meer dan twee miljoen jaar kosten.’
Er ontstond onrust onder de raadsleden maar de voorzitter riep op tot orde. ‘We hebben de bewijsstukken allemaal toegezonden gekregen, hoewel ik betwijfel of ze serieus bestudeerd zijn. Gaat u verder, meester Uther. Maar onthoudt u ons de cijfers aangezien die niet direct relevant zijn.’
Ik knikte. ‘Tijdens een excursie naar een oogstfabriek werd mij door een verstoten lid van de Clans een raadsel ten deel gemaakt, dat ik hier voor u zal opzeggen: “De waarheid is een leugen. De leugen is een dwangmiddel. Het dwangmiddel is de sleutel tot de werkelijke macht. De macht bestaat uit de waarheid: voorbij de Zijkant stralen de sterren.” Ze betekenden toen weinig, maar samengevoegd met de wetenschappelijke bewijzen die ik u zojuist geschetst heb, betekenden ze voldoende om op eigen initiatief een onderzoek te verrichten. Tijdens mijn aanwezigheid op de Zijkant heb ik de sterren voorbij de Zijkant gezien. Mijne dames en heren van de raad, er is helemaal geen vernietiginggolf.’
Tybalt sprong op voordat iemand kon reageren. Hij wees met trillende vinger naar me en gilde: ‘Jij bent een leugenaar. Waar zijn je bewijzen, behalve het gegoochel met getallen die ons allen niets zeggen? Ik heb geprobeerd je tegen te houden, om je zo te beschermen tegen de vernedering die je zult moeten ondergaan. Maar…’
Zijn woorden stokten hem in de keel omdat een trilling door de vergaderzaal voer. Op de tribunes ontstond een lichte paniek. Ik voelde een vreemde sensatie van beweging en keek vragend naar Iris die haar duim opstak. Op haar gezicht was opluchting te zien en ik begreep dat wat voor bewijs ze ook geregeld had, alles naar wens verliep. Dat stelde me enigszins gerust maar de andere aanwezigen wisten hier niets van en zowel onder de raadsleden als onder het publiek was verwarring en onzekerheid ontstaan. Mijn oog viel door toeval op Faustino die met een grijns die zijn gezicht bijna in tweeën spleet naar boven wees. Ik keek omhoog en zag tot mijn schrik dat de hemel bewoog. Hemelstad was aan het draaien!
Ook anderen zagen het nu en hun verschrikte gegil klonk door de vergaderzaal Alles bewoog. Andromeda, dat millennia lang in het zenit had gestaan gleed weg en aan de horizon verschenen steeds meer sterren tot de arm van de Melkweg in al haar pracht haar opwachting maakt. In de zaal viel een spookachtige stilte.
‘Negen van de zestien motoren zijn afgeschakeld,’ fluisterde Iris in mijn oor. Ze was naast me komen staan en hield me stevig vast. ‘Zelfs Tybalt zal dit bewijs niet kunnen ontkrachtigen.’
Ik begreep dat het een emotioneel moment voor haar was. Misschien wel meer dan voor wie dan ook. Ik sloeg mijn arm om haar heen en samen keken we in verwondering toe hoe langzaam maar zeker de Melkweg in volle glorie het gezichtsveld ingleed. Ontelbare sterren werden zichtbaar tegen een achtergrond van wolken en gas en stof die in een onvoorstelbaar grote spiraal naar het centrum bewogen dat zo fel als een zon was. Ik keek naar de tribunes en zag de mensen ademloos naar boven kijken. Langzaam leek het door te dringen wat er gebeurde en iedereen begon tegen elkaar te praten en wijzen. Als een opkomende vloed rees het geluidsniveau terwijl de mensen vol ongeloof rond keken, zoekend naar steun in dit onzeker moment. Alles waarin ze geloofd hadden werd in één klap vermorzeld. Ik vroeg me af hoe de mensen in de stad dit moment ervaarden. Ik keek rond en zag dat de leden van het Syndicaat onzeker naar de uitgang waren gelopen, waar ze nu tegen werden gehouden door een groep gewapende mannen en vrouwen die ik niet herkende. Op de tribunes was een groot tumult ontstaan.
Mijn oog viel op Tybalt die een paar stappen naar me zette en met een door woede misvormd gezicht een wapen uit zijn mantel tevoorschijn haalde. ‘Je hebt alles vernield wat we opgebouwd hebben,’ gilde hij. ‘Misschien herken je het wapen dat ik hier heb. Het is het wapen dat jij naar de Zijkant hebt gebracht. Het wapen dat een einde aan jouw leven zal maken.’
Op dat moment gebeurde er een aantal dingen tegelijkertijd die ik later pas op een rijtje wist te zetten. Er werd gegild en vanaf verschillende kanten doken er mensen op Tybalt af. Het was te laat. Hij vuurde het wapen af op het moment dat Iris me aan de kant duwde en boven op me belandde. Vanuit mijn ooghoek zag ik hoe Tybalt overrompeld werd en ik kroop onder Iris uit. Ik wilde haar overeind helpen toen ik het bloed op haar kleding zag en de glazige blik in haar ogen. Mijn hart stokte in mijn keel en ik viel op mijn knieën naast haar. Voorzichtig nam ik haar in mijn handen terwijl de tranen mijn blik vertroebelden. ‘Iris,’ fluisterde ik.
‘Uther,’ fluisterde ze, nauwelijks hoorbaar. ‘Het is ons gelukt. De waarheid is bekend.’
‘Het is ons gelukt,’ antwoordde ik met hese stem.
Ik vocht tegen mijn tranen maar het was een verloren strijd. ‘Ik hou van je,’ zei ze met haar laatste adem en machteloos zag ik het leven in haar ogen doven.

Copyright © 19 april 2005
Alle rechten voorbehouden